Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4811

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446431 / JE RK 26-512
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 1 mei 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, voor de duur van twee maanden, van 6 mei 2026 tot 6 juli 2026. Dit besluit volgt op eerdere verlengingen en spoedmachtigingen sinds 2021 en 2024, waarbij de minderjarige in een jeugdhulpaccommodatie verblijft.

De minderjarige heeft aangegeven zich prettig te voelen in het jeugdhuis waar zij verblijft, met vaste aanspreekpunten en vrienden, maar ervaart een moeizame relatie met haar jeugdbeschermer. Zij heeft geen contact met haar vader, maar wel wisselend contact met haar moeder. De minderjarige kampt met woedeproblemen en heeft therapie aangevraagd. De jeugdbeschermer handhaaft het verzoek tot verlenging en benadrukt de problematiek en het belang van continuïteit in begeleiding.

De rechtbank stelt vast dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling, met name door gedragsproblemen en hechtingsproblematiek, en dat de huidige situatie voortgezet moet worden in afwachting van een beslissing over het gezag van de vader. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege de noodzaak voor de ontwikkeling van de minderjarige. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden tot een latere beslissing.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor twee maanden en houdt het resterende deel van het verzoek aan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446431 / JE RK 26-512
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,gevestigd te Eindhoven, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
betreffende de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .
De rechtbank merkt als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zuid-West-Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de meervoudige kamer van de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 25 maart 2026 met bijlagen, ontvangen op 25 maart 2026;
- de toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar van de Raad van 2 april 2026, ontvangen op 7 april 2026.
1.2.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 1 mei 2026, gelijktijdig met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige] (met zaaknummer: C/02/438887 / FA RK 25-4246). Op het verzoek van de Raad wordt bij separate beschikking beslist.
1.3.
Ter gelegenheid van de zitting met gesloten deuren zijn verschenen:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader en de moeder wel juist en tijdig zijn opgeroepen.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 6 mei 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 mei 2021 en tot 6 mei 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 22 mei 2025, met ingang van 6 juni 2025 en tot 6 mei 2026.
2.3.
Bij beschikking van 18 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij mevrouw [persoon 1] (en haar gezin), verleend, met ingang van 18 januari 2024 en tot 1 februari 2024, onder aanhouding van het restant.
2.4.
Bij beschikking van 30 januari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij mevrouw [persoon 1] (en haar gezin), verleend, met ingang van 30 januari 2024 en tot 6 mei 2024. Het resterende deel van het spoedverzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin is om die reden afgewezen. De machtiging is bij beschikking van 19 april 2024 verlengd met ingang van 6 mei 2024 en tot 6 mei 2025.
2.5.
Bij beschikking van 4 september 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 4 september 2024 en tot 18 september 2024, onder aanhouding van het restant.
2.6.
Bij beschikking van 16 september 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd, met ingang van 18 september 2024 en tot 6 januari 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Het resterende deel van het spoedverzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is om die reden afgewezen.
2.7.
Bij beschikking van 10 december 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 6 januari 2025 en tot 6 mei 2025. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 22 mei 2025, met ingang van 6 juni 2025 en tot 6 mei 2026.
2.8.
Op grond van de laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij nu in het jeugdhuis in [plaats] verblijft. Dit vindt zij een fijne plek. Zij heeft daar twee vaste aanspreekpunten bij wie zij terecht kan en zij heeft er vrienden. [minderjarige] vindt het goed om de komende tijd in het jeugdhuis te blijven wonen. Zij is minder enthousiast over het voortzetten van de betrokkenheid van de GI. [minderjarige] vertelt dat zij niet zo’n goede klik heeft met haar jeugdbeschermer. Zij vindt het niet fijn om zaken met de jeugdbeschermer te bespreken en loopt weg uit deze gesprekken, omdat zij er niet tegen kan. Verder vertelt [minderjarige] dat het goed gaat op school. Zij heeft nog steeds geen contact met haar vader. Daar zou zij wel voor openstaan, als hij normaal tegen haar kan doen. [minderjarige] heeft wel weer contact met haar moeder. Dit gaat op en af, maar [minderjarige] vindt het fijn om haar moeder en zusje te zien. Zij heeft geen contact meer met haar ex-stiefmoeder [persoon 2] . Volgens [minderjarige] heeft [persoon 2] haar vals beschuldigd van het stelen van geld en heeft [persoon 2] het contact daarna stopgezet. [minderjarige] leeft nu op statiegeld. Zij zou graag een baantje willen, maar dat kan niet, omdat zij geen bankrekening of bankpas heeft en haar vader dit niet voor haar regelt. Tot slot vertelt [minderjarige] dat zij therapie heeft aangevraagd voor haar woedeproblemen. Zij kan snel boos worden en gaat dan met spullen gooien of slaan.
4.2.
De betrokken jeugdbeschermer handhaaft namens de GI het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de ingediende stukken. Ter gelegenheid van de zitting benoemt de jeugdbeschermer dat [minderjarige] zich wisselend tot haar verhoudt, maar dat zij wel contact met haar opneemt als er iets aan de hand is. Het patroon van aantrekken en afstoten is onderdeel van de problematiek van [minderjarige] Met een nieuwe jeugdbeschermer zal dit naar verwachting niet worden opgelost. Er gaan dan bovendien veel kennis en ervaring verloren. Daarbij benoemt de jeugdbeschermer dat [minderjarige] wel een goede klik heeft met haar begeleidster van het jeugdhuis, [persoon 3] , en dat de jeugdbeschermer nauw contact met [persoon 3] onderhoudt. Zo blijft de jeugdbeschermer goed op de hoogte over [minderjarige] . Verder benoemt de jeugdbeschermer dat [minderjarige] laatst heeft aangegeven dat zij bij haar moeder wilde blijven (wonen) en ook is weggelopen uit het jeugdhuis naar haar moeder. De jeugdbeschermer heeft er daarom voor gekozen om [minderjarige] in de weekenden en vakanties bij de moeder te laten verblijven. Desgevraagd benoemt de jeugdbeschermer dat de mogelijkheden voor een plaatsing van [minderjarige] bij de moeder worden onderzocht. Zowel [minderjarige] , de moeder als het jeugdhuis willen graag duidelijkheid krijgen over het perspectief van [minderjarige] . De moeder onderhoudt nu goed contact met de jeugdbeschermer. Het is nog niet duidelijk of de moeder dit keer wel zal meewerken aan het traject van De GezinsManager. Dit traject is recent gestart.
4.3.
De Raad staat achter het verzoek van de GI.

5.De beoordeling

Het juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de rechtbank een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechtbank de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechtbank, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.5.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting, is de rechtbank van oordeel dat aan de bovengenoemde voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is voldaan. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de GI deels toewijzen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van twee maanden, met ingang van 6 mei 2026 en tot 6 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.6.
Het is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De rechtbank maakt zich met name zorgen over de gedragsontwikkeling en de hechtingsproblematiek van [minderjarige] . Zij is een kwetsbaar meisje met forse problematiek. Zij kent een belast verleden en heeft in haar jonge jaren al veel instabiele en onveilige situaties meegemaakt. Ook heeft [minderjarige] recent het contact met haar ex-stiefmoeder [persoon 2] , die voorheen een stabiel hechtingsfiguur voor haar was, verloren. Zij heeft daarnaast al lange tijd geen contact met haar vader en heeft een wisselend contact met haar moeder. Verder is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige] kortgeleden vanwege een brand bij [accommodatie] is overgeplaatst naar het jeugdhuis in [plaats] . [minderjarige] heeft aangegeven dat zij het hier wel naar haar zin heeft en deze plek lijkt goed aan te sluiten bij haar specifieke behoeften en kwetsbaarheden.
5.7.
Vanwege al het voorgaande is de rechtbank met alle betrokkenen van oordeel dat de huidige situatie van [minderjarige] in afwachting van de beslissing op het verzoek van de Raad om het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen, moet worden voortgezet. Het is daarom noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] worden verlengd voor de duur van twee maanden. Het resterende deel van het verzoek van de GI zal worden aangehouden, in afwachting van de beslissing op het verzoek van de Raad.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een twee maanden, met ingang van 6 mei 2026 en tot 6 juli 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een twee maanden, met ingang van 6 mei 2026 en tot 6 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan
tot 2 juni 2026 pro formaen zal daarover schriftelijk uitspraak doen, gelijktijdig met de beslissing op het verzoek van de Raad met zaaknummer C/02/438887 / FA RK 25-4246;
6.5.
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 door mr. I. Dijkman, voorzitter, tevens (kinder)rechter, mr.Verschoor-Bergsma en mr. Van der Pols, (kinder)rechters, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.