De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 1 mei 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, voor de duur van twee maanden, van 6 mei 2026 tot 6 juli 2026. Dit besluit volgt op eerdere verlengingen en spoedmachtigingen sinds 2021 en 2024, waarbij de minderjarige in een jeugdhulpaccommodatie verblijft.
De minderjarige heeft aangegeven zich prettig te voelen in het jeugdhuis waar zij verblijft, met vaste aanspreekpunten en vrienden, maar ervaart een moeizame relatie met haar jeugdbeschermer. Zij heeft geen contact met haar vader, maar wel wisselend contact met haar moeder. De minderjarige kampt met woedeproblemen en heeft therapie aangevraagd. De jeugdbeschermer handhaaft het verzoek tot verlenging en benadrukt de problematiek en het belang van continuïteit in begeleiding.
De rechtbank stelt vast dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling, met name door gedragsproblemen en hechtingsproblematiek, en dat de huidige situatie voortgezet moet worden in afwachting van een beslissing over het gezag van de vader. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege de noodzaak voor de ontwikkeling van de minderjarige. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden tot een latere beslissing.