ECLI:NL:RBZWB:2026:4816

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446075 / JE RK 26-445
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens contactproblemen met vader

De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, die bij hun moeder wonen en geen contact hebben met hun vader. De vader heeft het contact met de begeleider van de safegroup stopgezet en reageert niet op pogingen tot contactherstel.

De vader voelt zich gepasseerd en erkent de echtscheiding niet, terwijl de moeder aangeeft dat er voldoende pogingen zijn gedaan om de vader te betrekken. De minderjarigen missen hun vader en willen contact, maar dit is tot op heden niet mogelijk gebleken.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden voor zes maanden om de mogelijkheden voor contactherstel verder te onderzoeken. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de hulpverlening loopt door, ook als de ondertoezichtstelling eindigt.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd met zes maanden om contactherstel met de vader te bevorderen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446075 / JE RK 26-445
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de zitting
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken, maar zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 7 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI wordt aangevoerd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hun moeder wonen en al enige tijd geen contact hebben met hun vader. In september 2024 is de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar een safegroup gegaan. Sindsdien hebben er nog twee begeleide omgangsmomenten met de vader plaatsgevonden, maar de vader heeft dit stopgezet omdat hij geen klik had met de begeleider van de safegroup. Sinds februari 2026 is [jeugdhulp] betrokken, onder andere om de moeder te begeleiden, maar [jeugdhulp] zal zich ook richten op het contactherstel tussen de minderjarigen en de vader. [jeugdhulp] is gestart door te onderzoeken wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan kunnen. Uit dit onderzoek is inmiddels wel gebleken dat er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen sprake is van PTSS.
De GI heeft op meerdere manieren geprobeerd om in contact met de vader te komen, onder meer om de mogelijkheden van contactherstel te bespreken. [jeugdhulp] is dit ook nog niet gelukt. Wanneer het verzoek wordt toegewezen zal de GI de vader gaan aanspreken met de middelen die zij hebben. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geven aan hun vader te missen. Het ontbreken van het contact met de vader is belastend voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is op dit moment geen contact tussen de ouders. Gelukkig zijn er de afgelopen periode geen gezagsbeslissingen geweest die genomen moesten worden. Wanneer het verzoek wordt afgewezen zal de hulpverlening door [jeugdhulp] wel doorlopen in het vrijwillige kader.
4.2.
Namens de vader wordt aangegeven dat hij zich gepasseerd voelt. Er is geen enkel contact geweest met de GI of de moeder. De vader wil nog altijd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem terugkomen en de moeder mag mee terugkomen. Volgens de vader kan de moeder de opvoeding niet aan. De advocaat heeft het idee dat de vader niet begrepen wordt door de GI. De vader vindt het jammer dat hij al lang geen contact meer heeft gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat verwijt hij de GI en de moeder. De GI heeft een zorgplicht en moet meer inzetten op het in contact komen met de vader. De advocaat moet de vader ook meerdere keren benaderen voordat er een reactie vanuit de vader komt. Volgens de vader is er geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen. De advocaat heeft de vader uitgelegd dat de echtscheiding is uitgesproken, maar de vader erkent de echtscheiding niet omdat de ouders volgens de islam zijn getrouwd en een rechter het huwelijk niet kan ontbinden. De advocaat blijft bij zijn standpunt dat de GI meer moet inzetten op het betrekken van de vader. De vader wil de minderjarigen zien en ze zien opgroeien. Hij verzoekt tot afwijzing van het verzoek van de GI.
4.3.
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat er een patroon wordt gezien. De moeder verbleef vanaf september 2024 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een safehouse. Er is toen al meteen gestart met begeleide omgang, maar deze is door de vader gestopt omdat hij de begeleider niets vond. Vanaf 2024 wordt al geprobeerd om de vader te betrekken, maar de vader wil niet. De moeder werkt daarentegen overal aan mee. Gelukkig gaat het ondanks alles goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is dan ook de vraag of er nog wordt voldaan aan de voorwaarden voor de ondertoezichtstelling. Er is al voldoende geprobeerd om de vader te betrekken, maar de vader wil niet. Het is tekenend dat de vader vandaag ook niet op de zitting is verschenen. De moeder ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact met hun vader willen en zij staat daar voor open. Wanneer hierin in de toekomst iets mogelijk is, is een ondertoezichtstelling niet nodig om dit contact mogelijk te maken. Primair verzoekt de moeder tot afwijzing van het verzoek en subsidiair om de ondertoezichtstelling voor drie maanden te verlengen om een goede overdracht naar het vrijwillige kader mogelijk te maken.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog aanwezig zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] missen hun vader en willen graag contact. Het is echter tot op heden niet mogelijk gebleken om het contact tussen de minderjarigen en de vader te herstellen, doordat de GI en de betrokken hulpverlening vanuit [jeugdhulp] niet met de vader in contact kunnen komen. Het klopt dat de GI een zorgplicht heeft, maar de GI heeft ter zitting duidelijk aangegeven op welke verschillende manieren zij hebben geprobeerd in contact met de vader te komen en als dit na meerdere pogingen via verschillende wegen niet lukt omdat de vader niet reageert, dan houdt het op zeker moment op. Het is immers ook de verantwoordelijkheid van de vader om het contact met de GI aan te gaan.
5.4
Inmiddels is ook de echtscheiding door de rechtbank uitgesproken. Deze uitspraak wordt echter niet door de vader erkend. De vader blijft van mening dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem dienen terug te keren en de moeder mag ook mee terugkomen. Hij stelt dit als voorwaarde om mee te werken aan hulpverlening. Hieruit blijkt dat de vader niet in staat is om vanuit het belang en perspectief van de kinderen te denken of te handelen.
5.5
De kinderrechter acht een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden nog benodigd. In die periode dient de GI nog te bekijken of er mogelijkheden zijn om tot contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de vader te komen. Gelet op de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot contact met hun vader, hoopt de kinderrechter dat de vader over zijn schaduw heen kan stappen en het contact en de samenwerking met de GI aan kan gaan, zodat in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden bekeken of en op welke wijze contactherstel mogelijk is. De hulpverlening die inmiddels is ingezet door [jeugdhulp] loopt door, ook als de ondertoezichtstelling na zes maanden eindigt. De moeder staat er voor open om hulpverlening in het vrijwillige kader te accepteren.
5.6
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met ingang van 7 mei 2026 tot 7 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 11 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.