Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- mevrouw [persoon 1] , psychiater, behandelaar;
- [persoon 2] , arts i.o.;
- [persoon 3] , arts i.o.
- [persoon 4] , het broertje van betrokkene.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene verblijft sinds 24 april 2026 onder een crisismaatregel in een zorginstelling. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om deze maatregel met drie weken te verlengen. Tijdens de zitting geeft betrokkene aan dat het beter met hem gaat, hij ziekte-inzicht heeft en gemotiveerd is voor verdere ambulante behandeling. De behandelaar bevestigt dat betrokkene duidelijke vooruitgang heeft geboekt en dat ontslag naar het ouderlijk huis met passende ondersteuning verantwoord is.
De rechtbank overweegt dat hoewel er aanvankelijk sprake was van een fors depressief toestandsbeeld en een aanzienlijk risico op levensgevaar, op dit moment geen onmiddellijk dreigend ernstig nadeel meer bestaat. Betrokkene verzet zich niet meer tegen behandeling en de vrijwilligheid is duurzaam. Daarom is voortzetting van de gedwongen maatregel niet proportioneel.
De rechtbank wijst het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel af. De beschikking is mondeling gegeven op 1 mei 2026 en schriftelijk vastgelegd op 15 mei 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen wegens het ontbreken van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.