ECLI:NL:RBZWB:2026:4820

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447616 / FA RK 26-2191
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot voortzetting crisismaatregel wegens ontbreken onmiddellijk dreigend ernstig nadeel

Betrokkene verblijft sinds 24 april 2026 onder een crisismaatregel in een zorginstelling. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om deze maatregel met drie weken te verlengen. Tijdens de zitting geeft betrokkene aan dat het beter met hem gaat, hij ziekte-inzicht heeft en gemotiveerd is voor verdere ambulante behandeling. De behandelaar bevestigt dat betrokkene duidelijke vooruitgang heeft geboekt en dat ontslag naar het ouderlijk huis met passende ondersteuning verantwoord is.

De rechtbank overweegt dat hoewel er aanvankelijk sprake was van een fors depressief toestandsbeeld en een aanzienlijk risico op levensgevaar, op dit moment geen onmiddellijk dreigend ernstig nadeel meer bestaat. Betrokkene verzet zich niet meer tegen behandeling en de vrijwilligheid is duurzaam. Daarom is voortzetting van de gedwongen maatregel niet proportioneel.

De rechtbank wijst het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel af. De beschikking is mondeling gegeven op 1 mei 2026 en schriftelijk vastgelegd op 15 mei 2026. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen wegens het ontbreken van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447616 / FA RK 26-2191
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Beschikking voortzetting crisismaatregel
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1982 in [woonplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats 1] ,
thans verblijvende in [accommodatie] te [plaats 2] ,
advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 28 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Yeral;
  • mevrouw [persoon 1] , psychiater, behandelaar;
  • [persoon 2] , arts i.o.;
  • [persoon 3] , arts i.o.
  • [persoon 4] , het broertje van betrokkene.

2.Wat vaststaat

2.1.
Betrokkene verblijft met een crisismaatregel in [accommodatie] te [plaats 2] . De burgemeester van Bergen op Zoom heeft de crisismaatregel op 24 april 2026 afgegeven.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene geeft tijdens de zitting aan dat het naar omstandigheden beter met hem gaat en dat hij inmiddels meer inzicht heeft in zijn situatie en de gebeurtenissen die tot de opname hebben geleid. Hij ervaart schaamte richting zichzelf en zijn kinderen maar ziet ook in dat een verdere behandeling voor zijn depressieve klachten nodig is. Betrokkene wil dan ook graag met ontslag uit de instelling. Hij zal vooraleerst terugkeren naar zijn ouders zodat hij daar met ondersteuning van zijn eigen familie en netwerk verder kan stabiliseren en herstellen. Ook wil hij verder worden behandeld vanuit een ambulant kader.
4.2.
De advocaat verzoekt tijdens de zitting om afwijzing van het verzoek nu niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten. Daarbij wijst de advocaat er op dat betrokkene inmiddels ziektebesef en -inzicht heeft, gemotiveerd is voor verdere behandeling en dat er geen sprake meer is van verzet tegen de noodzakelijke zorg.
4.3.
De behandelaar schetst dat betrokkene bij binnenkomst van de opname in een zorgwekkende toestand verkeerde en de eerste dagen intensieve zorg nodig heeft gehad. Vervolgens heeft betrokkene duidelijke vooruitgang laten zien in stemming, inzicht en acceptatie van de situatie. Betrokkene heeft zich actief opgesteld richting vervolgzorg en ondersteuning die nu via het regioteam is geregeld. Vanuit de behandeling bestaat voldoende vertrouwen in een ontslag naar het huis van de ouders van betrokkene met passende ondersteuning vanuit het netwerk en de hulpverlening.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- levensgevaar.
5.3.
Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. Betrokkene vertoonde een fors depressief toestandsbeeld en is ook gekend met recidiverende depressies.
5.4.
Uit hetgeen betrokkene en de behandelaar hebben verklaard tijdens de zitting is de rechtbank gebleken dat bij betrokkene sprake is van enig ziekte-inzicht en ziektebesef en dat er geen sprake meer zal zijn van verzet tegen een voortzetting van een behandeling. Ook is er op dit moment geen sprake meer van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Een gedwongen maatregel zou niet proportioneel zijn. De behandelaar heeft ook aangegeven dat hij voldoende vertrouwen heeft dat de vrijwilligheid van betrokkene voldoende duurzaam en bestendig is. Nu niet wordt voldaan aan de wettelijke criteria zal de rechtbank het verzoek om voortzetting van de crisismaatregel dan ook afwijzen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 door mr. De Beer, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier en op schrift gesteld op 15 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.