ECLI:NL:RBZWB:2026:4831

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/02/434265 / HA ZA 25-210 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Graaf
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:247 BWArt. 8 lid 1 CMR-verdragArt. 8 lid 3 CMR-verdragArt. 31 CMR-verdragVerordening nr. 1215/2012 (EEX-Vo)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens ontbrekende veilinggoederen en transport

Eiseres kocht via een veiling van gedaagde partij 1 steigeronderdelen en schroefstempelsteunen van een Belgische verkoper en schakelde gedaagde partij 2 in voor het transport naar Hongarije. Na levering bleek dat niet alle onderdelen waren ontvangen. De verkoper werd kort na de verkoop failliet verklaard.

Eiseres stelde gedaagden aansprakelijk voor de schade wegens niet-levering van alle onderdelen. Gedaagde partij 1 voerde aan slechts bemiddelaar te zijn en stelde dat haar algemene voorwaarden aansprakelijkheid uitsluiten. Gedaagde partij 2 stelde dat zij haar verplichtingen uit het CMR-verdrag had nageleefd en niet gehouden was de inhoud van de vracht te controleren.

De rechtbank oordeelde dat eiseres een professionele partij is die de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van gedaagde partij 1 heeft aanvaard. Gedaagde partij 1 is geen partij bij de koopovereenkomst en is niet aansprakelijk voor de levering. Gedaagde partij 2 heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht volgens het CMR-verdrag en mocht vertrouwen op de mededeling van de ophaallocatie. De vorderingen van eiseres worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/434265 / HA ZA 25-210
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eisende partij] KFT,
te [plaats 1] (Hongarije),
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. T.J. Wittendorp,
tegen

1.[gedaagde partij 1] B.V.,

te [plaats 2] ,
advocaat: mr. I.H.C. Jans,
2.
[gedaagde partij 2] B.V.,
te [plaats 3] ,
advocaat: mr. C.M. van den Reek,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde partij 1] respectievelijk [gedaagde partij 2] .

1.De zaak in het kort

[eisende partij] heeft op een veiling van [gedaagde partij 1] steigeronderdelen en schroefstempelsteunen gekocht van een Belgische verkoper. Zij heeft [gedaagde partij 2] ingeschakeld voor het transport. Volgens [eisende partij] heeft [gedaagde partij 2] niet alle door haar gekochte artikelen meegenomen. De verkoper is kort na de verkoop failliet verklaard. [eisende partij] spreekt zowel [gedaagde partij 1] als [gedaagde partij 2] aan voor de door haar geleden schade. De rechtbank wijst de vorderingen af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 oktober 2025
- de akte overlegging producties 22-24 van [eisende partij]
- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
3.1.
[eisende partij] exploiteert een bouwbedrijf in Hongarije met ongeveer elf werknemers.
3.2.
[gedaagde partij 1] is een (online) veilinghuis, met dochterondernemingen in meerdere landen, waaronder in België.
3.3.
[gedaagde partij 2] is een transportbedrijf en verzorgt regelmatig transporten in opdracht van partijen die bij veilinghuizen goederen hebben gekocht. Zij wordt ook door [gedaagde partij 1] voor dergelijke transporten aan kopers aanbevolen.
3.4.
[eisende partij] heeft op 14 november 2023 een bod uitgebracht op twee veilingkavels die in opdracht van [de verkoper] te [plaats 4] , Antwerpen (hierna: de verkoper), te koop werden aangeboden op de website van (een dochteronderneming van) [gedaagde partij 1] (hierna: de kavels). De kavels bestonden uit een steiger (bestaande uit diverse onderdelen) en een partij schroefstempelsteunen. Op 15 november 2023 zijn de kavels aan [eisende partij] toegewezen en heeft [gedaagde partij 1] aan [eisende partij] een factuur gestuurd voor het aankoopbedrag van in totaal € 21.546,80 (inclusief € 3.286,80 aan opgeld). Op de factuur staat een QR-code die bij het ophalen van de kavels gescand moest worden. [eisende partij] heeft de factuur betaald.
3.5.
Op 14 november 2023 heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij 2] gevraagd een offerte uit te brengen voor het laden van de kavels. Zij vermeldde daarbij dat het ging om “
Two items on a truck with forklift, which consist of 20 pieces of metal goods (lying in stacked yokes) and 11 pieces of goods placed on pallets”. [gedaagde partij 2] heeft het gevraagde vervoer op 15 november 2023 aangeboden voor een bedrag van € 450,00, inclusief één week opslag in [plaats 3] . Op verzoek van [eisende partij] heeft [gedaagde partij 2] op 15 november 2023 een aangepaste offerte aan [eisende partij] gestuurd voor het ophalen van de goederen in België en het vervoer naar Hongarije, voor een bedrag van € 2.350,00 excl BTW.
3.6.
Op 17 november heeft [gedaagde partij 2] voor dit bedrag een factuur aan [eisende partij] gestuurd, die [eisende partij] heeft betaald. [eisende partij] heeft vervolgens de factuur Van [gedaagde partij 1] met daarop de omschrijving van de goederen en de QR-ophaalcode aan [gedaagde partij 2] toegezonden.
3.7.
Een chauffeur van [gedaagde partij 2] heeft de kavels op 21 november 2023 in [plaats 5] (België) opgehaald en vervolgens in een warehouse in [plaats 3] opgeslagen.
3.8.
Op 23 november 2023 heeft [eisende partij] ingestemd met de door [gedaagde partij 2] uitgebrachte aangepaste offerte.
3.9.
[gedaagde partij 2] heeft de kavels op 10 januari 2024 bij [eisende partij] afgeleverd.
3.10.
Op 12 januari 2024 heeft [eisende partij] bij [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] geklaagd dat er onderdelen van de kavels ontbraken. [gedaagde partij 2] heeft daarop contact opgenomen met [gedaagde partij 1] . Op 18 januari 2024 heeft [gedaagde partij 1] aan [eisende partij] medegedeeld dat de verkoper van de kavels inmiddels (op 16 januari 2024) failliet was verklaard.
3.11.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij 1] bij brief van 3 april 2024 aansprakelijk gesteld voor haar schade.
3.12.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij 2] bij brief van 10 juni 2024 aansprakelijk gesteld voor haar schade.
3.13.
[eisende partij] heeft via een andere veiling van [gedaagde partij 1] onder meer twee douchebakken en een dubbele wasbak gekocht.

4.Het geschil

4.1.
[eisende partij] vordert, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van
  • [gedaagde partij 1] te veroordelen tot betaling aan haar van € 2.297,53, met wettelijke handelsrente;
  • [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat zij door toedoen van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] niet alle onderdelen van de door haar gekochte kavels heeft ontvangen. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben daarmee hun zorgplicht geschonden. Zij zijn aldus toerekenbaar tekortgeschoten en hebben onrechtmatig gehandeld jegens [eisende partij] .
[eisende partij] heeft als gevolg van de tekortkoming dan wel het onrechtmatig handelen van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] schade geleden. De ontbrekende onderdelen konden niet meer nageleverd worden. De schade bestaat uit de kosten voor de aankoop van gelijkwaardige onderdelen en bedraagt € 26.563,95.
4.3.
[eisende partij] voert verder aan dat zij al eerder via [gedaagde partij 1] gekochte kavels niet (volledig) heeft ontvangen. Het ging daarbij om de aankoop van twee douchebakken en een dubbele wastafel. [gedaagde partij 1] heeft toegezegd deze onderdelen na te leveren, maar dat is nooit gebeurd. [eisende partij] vordert daarom van [gedaagde partij 1] een bedrag van € 2.297,53 wegens vervangende schadevergoeding.
4.4.
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] voeren verweer. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] . [gedaagde partij 2] concludeert ook om [eisende partij] , uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.5.
[gedaagde partij 1] betwist dat zij toerekenbaar tekortgeschoten is of onrechtmatig heeft gehandeld. Zij betwist dat er onderdelen van de kavels ontbraken. De overeenkomst tussen partijen is een bemiddelingsovereenkomst waarop haar algemene voorwaarden van toepassing zijn, zodat [gedaagde partij 1] ook niet kan worden aangesproken op een vermeend gebrek in een kavel. [eisende partij] heeft ook niet tijdig geklaagd over het ontbreken van onderdelen van de kavels. Bovendien is aan de zijde van [eisende partij] sprake van eigen schuld. [gedaagde partij 1] betwist ook aansprakelijk te zijn voor de door [eisende partij] gestelde schade wegens het niet naleveren van de twee douchebakken en de dubbele wastafel. [gedaagde partij 1] betwist tot slot dat [eisende partij] (de door haar gestelde) schade heeft geleden.
4.6.
[gedaagde partij 2] betwist ook dat zij toerekenbaar tekortgeschoten is of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] . Zij voert onder meer aan dat zij op grond van artikel 8 lid 1 en Pro lid 3 van het CMR-verdrag niet gehouden was om de inhoud van de vracht te onderzoeken. [eisende partij] had daar geen opdracht toe gegeven. [gedaagde partij 2] hoefde daarom alleen de juistheid van het aantal in de vrachtbrief genoemde colli te controleren, hetgeen zij heeft gedaan. [gedaagde partij 2] mocht ook vertrouwen op de mededeling van medewerker van de ophaallocatie dat alle onderdelen van de kavels geladen waren. [eisende partij] heeft zelf onzorgvuldig gehandeld door niet naar de kijkdag te gaan. Er is daarom sprake van eigen schuld aan de zijde van [eisende partij] . [gedaagde partij 2] betwist ook dat [eisende partij] (de door haar gestelde) schade heeft geleden.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Gelet op de vestigingsplaats van [eisende partij] heeft de zaak een internationaal karakter.
5.2.
De overeenkomst met [gedaagde partij 1] is een bemiddelingsovereenkomst, zodat de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft moet worden beantwoord aan de hand de (herschikte) EEX-Vo (Verordening nr. 1215/2012). Aangezien [gedaagde partij 1] in Nederland is gevestigd en partijen geen andersluidende forumkeuze hebben gemaakt, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 van Pro deze verordening bevoegd om van de zaak tegen [gedaagde partij 1] kennis te nemen. [eisende partij] en [gedaagde partij 1] gaan beiden uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht op de overeenkomsten met [gedaagde partij 1] . De rechtbank zal de vorderingen van [eisende partij] op [gedaagde partij 1] daarom beoordelen aan de hand van Nederlands recht.
5.3.
De overeenkomst met [gedaagde partij 2] betreft internationaal wegvervoer. Op deze overeenkomst is het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR-verdrag) van toepassing. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 31 CMR Pro bevoegd om van de zaak tegen [gedaagde partij 2] kennis te nemen.
De vorderingen van [eisende partij] op [gedaagde partij 2] dienen te worden beoordeeld aan de hand van het CMR-verdrag. Partijen zijn het er over eens dat aanvullend Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank zal daarom aanvullend Nederlands recht toepassen.
De steiger en de stempelsteunen
5.4.
[gedaagde partij 1] voerde aanvankelijk aan dat niet zij, maar haar Belgische dochtervennootschap partij was bij de met [eisende partij] gesloten gebruiksovereenkomst, op basis waarvan [eisende partij] kon bieden op de kavels, en bij de bemiddelingsovereenkomst, op basis waarvan de koopovereenkomsten zijn gesloten. Ter zitting heeft zij dit verweer ingetrokken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [eisende partij] door een account aan te maken op de website van [gedaagde partij 1] een gebruiksovereenkomst met [gedaagde partij 1] heeft gesloten. Door biedingen uit te brengen heeft [eisende partij] ook een bemiddelingsovereenkomst met [gedaagde partij 1] gesloten.
5.5.
Het verweer van [eisende partij] dat de op die gebruiksovereenkomst en de bemiddelingsovereenkomst door [gedaagde partij 1] overgelegde Algemene gebruiksvoorwaarden en Online Veilingvoorwaarden niet van toepassing zijn, wordt verworpen. De rechtbank stelt voorop dat [eisende partij] een professionele onderneming is die niet een vergelijkbare positie heeft als een consument. In artikel 6:247 lid 2 BW Pro is bepaald dat de bepalingen over algemene voorwaarden (afdeling 6.5.3) niet van toepassing zijn tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in Nederland gevestigd zijn, zoals hier het geval is. Voor zover [eisende partij] zich (rechtstreeks) op die bepalingen beroept, kan dat beroep dus niet slagen. [eisende partij] heeft verder niet weersproken dat de Algemene gebruiksvoorwaarden op de website van [gedaagde partij 1] konden worden geopend en gedownload voordat het account werd aangemaakt. Ook heeft zij niet weersproken dat zij het vakje voor “
ik ga akkoord met de website voorwaarden (…)” heeft moeten aanklikken, voordat het proces voor het aanmaken van een account werd voltooid. [gedaagde partij 1] heeft [eisende partij] daarmee een redelijke mogelijkheid geboden om van de voorwaarden kennis te nemen en [eisende partij] heeft de toepasselijkheid van de voorwaarden aanvaard. Dit geldt ook voor de door [gedaagde partij 1] overgelegd Online Veilingvoorwaarden. [eisende partij] heeft niet weersproken dat zij, door een bod uit te brengen op de kavels, akkoord is gegaan met deze Veilingvoorwaarden, die eveneens voorafgaand aan de bieding op de website zichtbaar waren en gedownload konden worden. Dat beide voorwaarden alleen in de Nederlandse en Engelse taal te raadplegen waren, maakt het voorgaande niet anders. Op [gedaagde partij 1] rustte geen verplichting om de voorwaarden ook in de Hongaarse taal aan [eisende partij] te verstrekken.
5.6.
[gedaagde partij 1] heeft als verweer aangevoerd dat zij geen verkoper is en geen leveringsverplichting heeft en dat de koper, [eisende partij] , op grond van de toepasselijke Online Veilingvoorwaarden zelf verantwoordelijk is voor het juist en tijdig afnemen van de gekochte zaken. Dit verweer slaagt. Door het bod van [eisende partij] op de kavel en de aanvaarding daarvan door [gedaagde partij 1] namens de verkoper, is een koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [eisende partij] en de verkoper. Artikel 5.8 van de Online Veilingvoorwaarden bepaalt daarover “
[gedaagde partij 1] is geen partij bij de koopovereenkomst, doch bemiddelt slechts bij het tot stand brengen van koopovereenkomsten”.
Verder bepaalt artikel 7.3. van die voorwaarden “
De koper – dan wel de door hem ingeschakelde transporteur – is verplicht de gekochte zaken bij afname (…) deugdelijk te onderzoeken. Door het ondertekenen van het ontvangstbewijs van de kavel(s) accepteert de koper dan wel de transporteur expliciet de items in hun hoedanigheid, hoeveelheid en kwaliteit”. Artikel 10 lid 2 bepaalt Pro
De koper is zelf verantwoordelijk voor het juist en tijdig afnemen van de gekochte zaken. [gedaagde partij 1] is verantwoordelijk voor de organisatie en coördinatie van het tijdstip van afname van de door de opdrachtgever verkochte zaken”.
5.7.
Dat [gedaagde partij 1] verantwoordelijk was voor de organisatie en coördinatie van het tijdstip van afname van de veilingkavels, betekent, anders dan [eisende partij] stelt, niet dat [gedaagde partij 1] er ook voor had moeten zorgen dat alle onderdelen van de kavels aan de chauffeur van [gedaagde partij 2] werden meegegeven. Op grond van artikel 7.3. en 10.2 van de Online Veilingvoorwaarden rustte die verantwoordelijkheid immers op [eisende partij] zelf, dan wel op de door hem ingeschakelde transporteur. Tussen partijen is niet in geschil dat de chauffeur van [gedaagde partij 2] namens [eisende partij] de afleverbon heeft ondertekend. Op grond van artikel 7.3 van de Online Veilingvoorwaarden heeft de chauffeur daarmee, namens [eisende partij] , de gekochte goederen in hun hoedanigheid, hoeveelheid en kwaliteit geaccepteerd. Zij kan [gedaagde partij 1] daarom niet aanspreken op het ontbreken van een of meer onderdelen van het gekochte. [eisende partij] heeft nog aangevoerd dat [gedaagde partij 1] , door verkeerde informatie te geven aan de chauffeur van [gedaagde partij 2] , bij [gedaagde partij 2] onterecht het vertrouwen gewekt dat alles geladen zou zijn. Ter zitting hebben [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] betwist dat er bij het laden een medewerker van [gedaagde partij 1] op de ophaallocatie aanwezig was en heeft [eisende partij] aangevoerd niet te weten wie de coördinatie had op de ophaallocatie. Wat hier ook van zij, de enkele mededeling door of namens de verkopende partij dat alle onderdelen van de kavels geladen waren ontsloeg [eisende partij] niet van haar eigen verantwoordelijkheid om de juistheid van de lading te (laten) controleren. [eisende partij] mocht wel van [gedaagde partij 1] verwachten dat zij naar aanleiding van de klacht over de ontbrekende onderdelen navraag zou doen bij de verkopende partij. Dat heeft [gedaagde partij 1] ook gedaan. Dat de verkopende partij kort na de klacht van [eisende partij] in staat van faillissement is komen te verkeren, kan [gedaagde partij 1] niet verweten worden.
5.8.
[gedaagde partij 2] is volgens [eisende partij] tekortgeschoten, althans zij heeft onrechtmatig gehandeld, door na te laten te controleren of alle onderdelen van de kavels daadwerkelijk ingeladen waren. De chauffeur had volgens [eisende partij] niet mogen afgaan op de mededeling van de medewerker op de ophaallocatie dat alles geladen zou zijn. Het hier tegen aangevoerde verweer van [gedaagde partij 2] , dat zij op grond van artikel 8 lid 1 en Pro lid 3 van het CMR-verdrag niet gehouden was om de inhoud van de vracht te onderzoeken, slaagt.
Op grond van artikel 8 lid 1 CMR Pro-verdrag is de vervoerder alleen gehouden om bij de inontvangstneming van de goederen a) de juistheid van de vermeldingen in de vrachtbrief met betrekking tot het aantal colli en hun merken en nummers, en b) de uiterlijke staat van de goederen en hun verpakking te onderzoeken. [eisende partij] heeft niet weersproken dat (de chauffeur van) [gedaagde partij 2] aan deze verplichtingen heeft voldaan, aangezien op de CMR-vrachtbrief stond dat er twee colli geladen moesten worden en de lading ook bestond uit twee colli, namelijk twee kavels/lotnummers. [eisende partij] heeft ook niet gesteld dat zij met [gedaagde partij 2] andersluidende afspraken heeft gemaakt of dat de afzender onderzoek naar de inhoud van de coli heeft verlangd (artikel 8 lid 3 CMR Pro-verdrag). Dat [gedaagde partij 2] beschikte over de factuur, waarop de afzonderlijke onderdelen waaruit kavel A1-15218-39 (de steiger) bestond gespecificeerd waren aangeduid, maakt het voorgaande niet anders. [eisende partij] mocht aan de enkele toezending van die factuur niet de verwachting ontlenen dat [gedaagde partij 2] zou controleren of alle afzonderlijke onderdelen ook zich ook daadwerkelijk in de lading zouden bevinden. In die omschrijving staat dat de afzonderlijke onderdelen van de steiger verspreid lagen over de loods en op twee plaatsen op het buitenterrein van de ophaallocatie. Tussen partijen staat vast dat een medewerker op de ophaallocatie de goederen in de vrachtwagen van [gedaagde partij 2] heeft geladen en daarbij heeft medegedeeld dat de lading compleet was. (De chauffeur van) [gedaagde partij 2] mocht vertrouwen op de juistheid van die mededeling. Het verschil tussen de omschrijving op de factuur en hetgeen volgens [eisende partij] daadwerkelijk geladen is, was ook niet zo groot dat voor de chauffeur zondermeer duidelijk had moeten zijn dat er onderdelen ontbraken. Op de factuur staat bij de aantallen van de onderdelen staat namelijk telkens “circa” vermeld, zodat het exacte aantal te leveren onderdelen van de steiger niet vast stond. Daarbij gaat het volgens de factuur om “circa” 1.220 onderdelen, waarvan er volgens [eisende partij] 1.030 zijn geleverd. Ten aanzien van de levering van 80 liggers met een lengte van 207 cm heeft [eisende partij] niets vermeld, zodat ervan uit moet worden gegaan dat ook die onderdelen geleverd zijn. Gezien deze aantallen en de aanduiding “circa” op de factuur had de chauffeur geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de medewerker op de ophaallocatie. Ook de foto’s die [eisende partij] heeft overgelegd geven geen aanleiding tot een andere conclusie. Op zowel de foto’s van de advertentie als de foto’s van hetgeen volgens [eisende partij] geleverd is, staan grote hoeveelheden steigeronderdelen, waarvan het exacte aantal niet eenvoudig is vast te stellen.
De douchebakken en de wasbak
5.9.
[gedaagde partij 1] heeft ter onderbouwing van haar verweer tegen de vordering van [eisende partij] met betrekking tot de levering van de twee douchebakken en de dubbele wasbak ook aangevoerd dat zij geen verkoper is en dus ook geen leveringsverplichting heeft. Ten aanzien van de douchebakken voert [gedaagde partij 1] verder aan dat de betreffende verkoper heeft aangegeven dat er geen vervangend product geleverd kon worden en dat de aankoopprijs gecrediteerd kan worden. [gedaagde partij 1] stelt dat zij het opgeld van € 70,80 zoals overeenkomen aan [eisende partij] heeft terugbetaald. Ten aanzien van de dubbele wasbak is volgens [gedaagde partij 1] aan [eisende partij] een vervangende kavel aangeboden, die ook aan [eisende partij] geleverd is.
5.10.
[eisende partij] heeft het verweer van [gedaagde partij 1] niet weersproken. Het lag op de weg van [eisende partij] om, gezien het verweer van [gedaagde partij 1] , nader te onderbouwen welke schade zij heeft geleden en op grond waarvan [gedaagde partij 1] daarvoor aansprakelijk is. Nu [eisende partij] dat niet heeft gedaan, heeft zij haar vordering onvoldoende onderbouwd.
Conclusie en proceskosten
5.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] niet zijn tekortgeschoten en evenmin onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eisende partij] . De overige verweren van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] behoeven geen bespreking. De vorderingen van [eisende partij] zullen dan ook worden afgewezen.
5.12.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [gedaagde partij 1] worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.856,00
De proceskosten van [gedaagde partij 2] worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.856,00

6.De beslissing

6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van [gedaagde partij 1] van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van [gedaagde partij 2] van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
verklaart de proceskostenveroordeling onder 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.