Verzoeker heeft tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2018 bezwaar gemaakt en beroep ingesteld bij de rechtbank. Hij verzocht om een voorlopige voorziening, waaronder schorsing van de aanslag, het verbod op verdere invorderingsmaatregelen, vergoeding van immateriële schade en restitutie van reeds betaalde bedragen.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat aan het vereiste van connexiteit is voldaan, maar dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag onmiskenbaar lichtvaardig of onrechtmatig is opgelegd. Verzoeker stelde dat hij in 2018 volledig in Brazilië werkte en dat het heffingsrecht aan Brazilië toekomt, maar dit is onvoldoende voor schorsing.
Ten aanzien van de invorderingsmaatregelen verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd, omdat hierover de burgerlijke rechter moet oordelen. Verzoeken tot vergoeding van immateriële schade en invorderingsrente worden eveneens naar de bodemprocedure verwezen. Het verzoek tot onmiddellijke afdoening van de hoofdzaak wordt afgewezen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af voor zover het ziet op schorsing, immateriële schade en onmiddellijke uitspraak, en verklaart zich onbevoegd voor zover het ziet op invorderingsmaatregelen.