ECLI:NL:RBZWB:2026:4837
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning in Tilburg
Belanghebbende is eigenaar van een bovenwoning in Tilburg waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2024 is vastgesteld op €235.000. Hij maakte bezwaar tegen deze waardebepaling en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting 2025, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.
De rechtbank behandelde het beroep op 1 april 2026 en heropende het onderzoek op 13 april 2026 vanwege twijfel over de juiste uitnodiging van belanghebbende. Belanghebbende verscheen niet op de zittingen, ondanks tijdige uitnodiging. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat belanghebbende pas na de uitspraak op bezwaar verzocht om gehoord te worden.
De waardebepaling is gebaseerd op de vergelijkingsmethode met referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar en uitstraling vergelijkbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft rekening gehouden met verschillen in onderhoud en woonoppervlakte door neerwaartse correcties. Belanghebbende stelde dat de woning leegstaat en vervallen is, maar bracht geen objectieve onderbouwing of bewijsstukken in.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde op juiste wijze heeft vastgesteld volgens de wettelijke normen en dat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat de waarde te hoog is. Ook de aanspraken op terugbetaling van belastingen over voorgaande jaren worden afgewezen omdat deze procedure alleen betrekking heeft op het belastingjaar 2025.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt het betaalde griffierecht niet terug. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard en de waarde is niet te hoog vastgesteld.