ECLI:NL:RBZWB:2026:484

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
C/02/442310 / JE RK 25-2092
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens contactbreuk met moeder

De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om twee minderjarige kinderen onder toezicht te stellen wegens een ernstige contactbreuk met hun moeder sinds februari 2025. De kinderen wonen bij hun vader en hebben sinds het contactverlies geen contact meer met hun moeder, die het contact zelf heeft verbroken vanwege spanningen tussen de ouders.

De Raad stelt dat de kinderen sociaal-emotioneel vastlopen en dat hulpverlening noodzakelijk is, maar dat de moeder geen toestemming geeft voor gedwongen hulpverlening. De moeder verzet zich tegen het verzoek en wil geen gedwongen hulpverlening, terwijl de vader het verzoek steunt en hoopt op herstel van het contact.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan, gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en het ontbreken van samenwerking tussen de ouders. De beschikking legt een toezicht van negen maanden op met als doel laagdrempelige hulpverlening en het herstellen van het contact en vertrouwen tussen ouders en kinderen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige kinderen onder toezicht voor negen maanden vanwege contactbreuk met de moeder en noodzaak van hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442310 / JE RK 25-2092
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.A.P. Kolsteren-van Heijst uit Hulten,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.C. Hissink uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 november 2025.
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 9 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang is deze zaak gelijktijdig behandeld met het verzoek van de vader in de zaak met kenmerk: C/02/415268 / FA RK 23-4996. In die zaak wordt bij aparte beschikking beslist.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De Raad
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn acht jaar geleden uit elkaar gegaan. Sinds februari 2025 is er een contactbreuk ontstaan tussen de kinderen en hun moeder; er is sindsdien geen enkel contact meer geweest. Tijdens het laatste contactmoment in februari 2025 heeft de moeder een brief voorgelezen aan de kinderen waarin zij aangeeft dat ze geen contact meer met hen kan hebben. Al eerder, in september 2023, heeft de moeder het contact met de kinderen verbroken vanwege spanningen en stress tussen de ouders die haar gesteldheid negatief beïnvloedden. De kinderen worstelen met het gemis van hun moeder, vooral met de manier waarop het contact abrupt is verbroken. Zij zitten klem tussen hun ouders. [minderjarige 1] praat liever niet over zijn moeder en geeft aan hier geen behoefte aan te hebben. Het lijkt alsof hij gevoelens van boosheid en verdriet probeert te vermijden. Voorlopig voelt hij geen ruimte om na te denken over het herstel van het contact. Pas na afloop van het schooljaar, rond de zomervakantie, wil hij hierover eventueel nadenken. [minderjarige 2] wil het liefst niet stilstaan bij de situatie met zijn moeder. Hij wil geen contact meer met haar en praat er met niemand over. Het lijkt erop dat hij veel opgekropte woede met zich meedraagt en hij heeft al langere tijd weinig vertrouwen in vrouwen. Op school gaat het met [minderjarige 2] goed, maar zijn leerkracht geeft aan dat het voor hem fijn zou zijn als hij meer sociale contacten zou hebben en actiever zou deelnemen aan het sociale leven op school en in afspraken buiten school met vriendjes. Nu trekt hij zich vooral terug in huis.
4.2.
Er is geen samenwerking tussen de ouders en er is geen onbelast contact tussen hen. De moeder lijkt zich niet bewust van de schadelijke gevolgen die haar besluit om het contact volledig te verbreken en dit zonder hulpverlening voort te zetten heeft voor de ontwikkeling van de kinderen. Zij staat nog steeds achter deze keuze. Hoewel ze aangeeft de kinderen te missen en co-ouderschap te willen, wenst ze dit zonder inmenging van de vader. Ze realiseert wel dat dit waarschijnlijk niet haalbaar is, zeker nu de kinderen al ruim negen maanden alleen contact hebben met hun vader. Daarnaast staat zij niet achter het inzetten van laagdrempelige hulpverlening voor de kinderen. De Raad is van mening dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Er zijn zorgen over beide jongens op sociaal-emotioneel gebied. De zorg van de Raad is dat als er niets veranderd aan de huidige situatie, de kinderen meer vastlopen in hun (identiteits)ontwikkeling. Hoewel de kinderen zelf niet openstaan voor persoonlijke hulpverlening, is dit wel nodig. Hulpverlening kan echter niet gestart worden zonder toestemming van de moeder, die deze weigert te geven. De ouders zijn momenteel onvoldoende in staat de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen, omdat het vertrouwen tussen hen volledig is verdwenen en er geen enkele vorm van communicatie meer plaatsvindt. Gelet op het voorgaande verzoekt de Raad om een ondertoezichtstelling voor de duur van negen maanden.
De moeder
4.3.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij niet instemt met het verzoek van de Raad. De kinderen hebben meerdere keren aangegeven dat ze verder willen met hun leven zonder hulpverlening, en de moeder steunt dit. De moeder heeft het contact in februari verbroken omdat zij van mening is dat contact met beide ouders, gezien de jarenlange strijd tussen hen die nog voortduurt, schadelijker is voor de ontwikkeling van de kinderen dan helemaal geen contact. Ze zou haar kinderen graag zien, bijvoorbeeld in de vorm van parallel solo (co-)ouderschap, maar het is belangrijk dat er voorkomen wordt dat oude patronen terugkeren, zoals de extreme controle die de vader vroeger uitoefende. Momenteel ervaren de kinderen rust en stabiliteit, en de moeder gunt het de kinderen dat zij deze rust kunnen behouden zonder te worden gedwongen om over zaken te praten. Zij staat niet achter een gedwongen kader; voor vrijwillige hulpverlening geeft zij toestemming, maar zij wil niet meewerken aan een gedwongen vorm van hulpverlening. Gelet op het voorgaande verzoekt de moeder het verzoek van de Raad af te wijzen.
De vader
4.4.
Door en namens de vader is, samengevat, aangegeven dat hij achter het verzoek van de Raad staat. De vader wil graag dat de situatie verandert en hoopt dat het contact tussen de moeder en de kinderen weer wordt opgebouwd. Hij benadrukt dat bij hem de deur altijd openstaat en dat de kinderen vrij zijn om te gaan en staan waar ze willen. De stap om zelf bij de moeder aan te kloppen is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment te groot. De vader stemt in met de ondertoezichtstelling. Hij hoopt dat dit op een rustige en stapsgewijze manier kan bijdragen aan het herstel van het contact en ervoor kan zorgen dat de kinderen op een laagdrempelige wijze de hulpverlening krijgen die ze nodig hebben.
De GI
4.5.
De GI geeft aan veel zorgen te hebben over de situatie. Voor de kinderen zou het heel helpend zijn als er laagdrempelige hulpverlening komt. Ook is het belangrijk dat er hulpverlening voor de ouders wordt ingezet. Naar mening van de GI is een ondertoezichtstelling noodzakelijk. Als deze wordt uitgesproken, zal het gezin op de monitoringslijst van het Provinciaal Instroomteam (PIT) worden geplaatst.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende. De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn acht jaar geleden uit elkaar gegaan. Sinds februari 2025 is het contact tussen de kinderen en hun moeder verbroken, nadat de moeder in een brief aan de kinderen heeft laten weten geen contact meer te willen. Eerder, in 2023 is het contact tussen de moeder en de kinderen ook al eens verbroken. De kinderen hebben veel moeite met het verlies van hun moeder, vooral door de plotselinge en abrupte beëindiging van het contact. Zij hebben een manier gevonden om hiermee om te gaan, namelijk door er helemaal niet over te praten. Tijdens het gesprek met de kinderrechter hebben ze verteld dat het nu aan de ene kant rustig is zonder contact, maar dat ze aan de andere kant graag een vorm van contact willen met hun moeder. [minderjarige 1] zou openstaan voor bijvoorbeeld een keer per week lunchen of avondeten. Verder willen ze graag hun moeder via whatsapp kunnen bereiken. Dat kan nu niet omdat de moeder hen heeft geblokkeerd.
5.4.
De situatie rondom het contact is zorgelijk. Als er niets verandert, bestaat het risico dat de kinderen steeds meer vastlopen in hun (identiteits)ontwikkeling. Het is nu echt vijf voor twaalf. Er is nog een opening bij de kinderen, maar straks kan het ook zijn dat ze het contact helemaal afwijzen. Hoewel de kinderen zelf geen persoonlijke hulp willen, is dat wel nodig. De kinderrechter vindt dat er laagdrempelige hulp moet komen, waarbij ze niet het idee hebben dat het echte (gedwongen) hulpverlening is.
5.5.
Het is daarnaast belangrijk dat de ouders ondersteuning krijgen bij hun onderlinge contact. Op dit moment hebben zij geen contact met elkaar, en de kinderen hebben ook geen onbelast contact met beide ouders. Het is belangrijk dat het vertrouwen tussen de ouders op een manier terugkomt, zodat ze in ieder geval over het hoognodige kunnen overleggen.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. De kinderrechter zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van negen maanden.
5.7.
De komende periode dient er aan de volgende doelen gewerkt te worden:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden gevolgd en in samenwerking met ouders en school wordt laagdrempelige hulp ingezet te denken valt aan de organisatie SELF.
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geven aan wat er wel of niet voor hen mogelijk is in het contactherstel met moeder. De kinderen worden hierin begeleid door hulpverlening.
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren dat ouders werken aan het versterken van het onderlinge vertrouwen en een vorm van samenwerking bewerkstelligen.
  • Er wordt psycho educatie ingezet, waarbij wordt uitgezocht wat de contactbreuk voor de kinderen betekent.
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 9 januari 2026 tot 9 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.