Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4844

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/5701
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AwrArt. 8:88 AwbArt. 267 VWEUInvorderingswet 1990Art. 8:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake verrekening motorrijtuigenbelasting ongegrond

Belanghebbende stelde verzet in tegen de uitspraak van 21 november 2025, waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het beroep over de verrekening van een openstaand bedrag op de aanslag motorrijtuigenbelasting.

De rechtbank oordeelde dat het verzet ontvankelijk was, ondanks dat het verzetschrift te laat was ontvangen, omdat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat het tijdig was gepost vanuit Slowakije. Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over verrekeningen op grond van de Invorderingswet 1990, en dat de onbevoegdverklaring terecht was.

Belanghebbende verzocht om prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie en om een schadevergoeding wegens immateriële schade, maar de rechtbank wees deze verzoeken af. De rechtbank benadrukte dat belanghebbende een civiele rechtsgang heeft tegen de verrekening en dat de redelijke termijn voor bezwaar en beroep nog niet was verstreken.

De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en handhaafde de eerdere uitspraak, zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier W. Dekkers.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van de rechtbank inzake de verrekening motorrijtuigenbelasting is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5701

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] (Slowakije), belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van belanghebbende kennis te nemen. Het beroep ziet op de verrekening van een openstaand bedrag op de aanslag motorrijtuigbelasting met [aanslagnummer] Y.29.0001.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

Is het verzet ontvankelijk?
2. Voor het indienen van een verzetschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop de uitspraak is toegezonden.
2.1.
Een verzetschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het verzetschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [4] Die voorwaarden zijn dat het verzetschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
2.2.
Als iemand een verzetschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het verzetschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [5]
2.3.
Vast staat dat de rechtbank de uitspraak op 24 november 2025 aan partijen heeft verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde op 5 januari 2026.
2.4.
Belanghebbende heeft met dagtekening 2 januari 2026, ontvangen door de rechtbank op 15 januari 2026, een verzetschrift ingediend. De griffier heeft belanghebbende gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Belanghebbende voert aan dat aangetekende post vanuit Slowakije normaal gesproken binnen 3 tot 5 dagen in Nederland wordt bezorgd. Belanghebbende heeft track-and-trace gegevens van de aangetekende zending overgelegd.
2.5.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende met de track-and-trace gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat het verzetschrift op 2 januari 2026, en dus tijdig, ter post is bezorgd. Uit de gegevens blijkt dat de brief op 6 januari 2026 Slowaijke heeft verlaten en pas op 14 januari 2026 in Nederland is aangekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzet dan ook te laat ingediend als gevolg van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. Het verzet is ontvankelijk.
Gronden van verzet
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 21 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [6] is dat de rechtbank onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3.1.
Belanghebbende voert aan dat de verrekening plaatsvindt naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad [7] waarin werd geoordeeld dat een aan belanghebbende opgelegde dwangsom nooit had mogen worden opgelegd. Dit bedrag wordt verrekend met een aanslag motorrijtuigenbelasting. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de rechtbank wel bevoegd is om te oordelen over een beslissing van de ontvanger op een bezwaar over de verrekening van een aanslag. Een ander standpunt zou volgens belanghebbende in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces. Belanghebbende verzoekt om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie en een schadevergoeding.
3.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is overwogen dat tegen de verrekening van een openstaand bedrag op de aanslag motorrijtuigenbelasting geen beroep mogelijk is bij de belastingrechter. Het standpunt van belanghebbende, dat op een verrekening artikel 26 van Pro de Awr van toepassing is, berust op een onjuiste rechtsopvatting. De beslissing van de ontvanger valt onder de Invorderingswet 1990 en de belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990. [8] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen.
3.4.
Uit de in verzet bestreden uitspraak volgt duidelijk op welke gronden de rechtbank heeft geconcludeerd dat zij kennelijk onbevoegd is. Zoals overwogen in 3.3 heeft de rechtbank zich terecht kennelijk onbevoegd verklaard. Het onbevoegd verklaren door de rechtbank levert geen strijd op met het recht op een eerlijk proces. Daarbij merkt de rechtbank op dat belanghebbende een rechtsingang heeft bij de civiele rechter om op te komen tegen de verrekening van bedragen.
Prejudiciële vragen
4. Belanghebbende heeft verzocht om op de voet van artikel 267 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en gaat daarom voorbij aan het verzoek van belanghebbende.
Verzoek om schadevergoeding
5. Belanghebbende heeft onder verwijzing van artikel 8:88, eerste lid van de Awb verzocht om een schadevergoeding voor compensatie van tijd, administratieve kosten en psychische schade. De rechtbank overweegt dat het beroep ziet op een besluit waar zowel de bestuursrechter als de belastingrechter onbevoegd zijn om over te oordelen. In dat geval is de rechtbank ook niet bevoegd te oordelen over een verzoek tot schadevergoeding. [9]
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de door belanghebbende verzochte immateriële schade wegens spanning en frustratie evenmin voor toekenning in aanmerking komt. Belanghebbende is niet bezwaargerechtigd en om die reden kan er geen aanleiding zijn voor het toekennen van een dergelijke vergoeding. [10] Daarnaast is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure op de datum van de uitspraak niet verstreken. De rechtbank wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

6. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 21 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet ongegrond;
  • wijst het verzoek om een (immateriële)schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:9, tweede lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:8, eerste lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.
7.Hoge Raad 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785.
8.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
9.Dit volgt uit artikel 8:88, tweede lid van de Awb.
10.Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:2021:1660, r.o. 2.3.