Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
1.Het verdere verloop van de procedure
2.De feiten
- Er is een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen zorgregeling) bepaald - na overeenstemming van partijen - tussen de vrouw en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , kort gezegd: eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot maandag naar school en een ‘één-op-één’ contact doordeweeks, in die zin in de ene week op donderdag na school tot vrijdag naar school met [minderjarige 2] en in de andere week op donderdag na school tot vrijdag naar school met [minderjarige 1] , alsmede een verdeling van de zomervakantie 2024.
- De behandeling van de zaak is aangehouden tot 10 december 2024 pro forma, in afwachting van bericht van partijen over de verzoeken inzake de zorgregeling, met toezending van het rapport van Sterk Huis aan de rechtbank.
- In hoeverre komt een wijziging van de zorgregeling door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Welke vorm van contact met de vrouw komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor een zorgregeling en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
3.De nog voorliggende verzoeken
- nadere vaststelling van een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarigen;
- de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
- de vrouw en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar op initiatief van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
- waarbij de GI de verdere regie heeft over de invulling en eventuele uitbreiding van de contactmomenten;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.