ECLI:NL:RBZWB:2026:4856

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
11536212 CV EXPL 25-490 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • van Spronssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande factuur na beëindiging overeenkomst van opdracht

Partijen sloten op 24 juli 2024 een overeenkomst van opdracht waarbij eiser juridische diensten zou verrichten tegen een uurtarief. Gedaagden zegden de overeenkomst op 23 augustus 2024 op en betaalden niet de openstaande factuur van €10.994,77. Eiser stelde dat zij haar inspanningsverplichting was nagekomen en dat de factuur betrekking had op daadwerkelijk verrichte werkzaamheden.

Gedaagden betwistten de betalingsverplichting en voerden aan dat eiser tekort was geschoten omdat een overeengekomen strategische rapportage niet was geleverd. De kantonrechter oordeelde dat partijen geen termijn voor de rapportage hadden afgesproken en dat de factuur betrekking had op verrichte uren, die niet werden betwist.

De kantonrechter wees het verweer van gedaagden af en veroordeelde hen tot betaling van de factuur, de overeengekomen rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van de openstaande factuur met rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
zaak/rolnr.: 11536212 / CV EXPL 25-490
vonnis d.d. 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [plaats 2] ,

2. [gedaagde 2] B.V.,

gevestigd te [plaats 2] ,

3. [gedaagde 3] B.V.,

gevestigd te [plaats 2] ,

4. [gedaagde 4] ,

wonende te [plaats 2] ,

5. [gedaagde 5] B.V.,

gevestigd te [plaats 2] ,

6. [gedaagde 6] ,

wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het tussenvonnis in deze zaak van 13 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken;
b. het bericht van 11 februari 2025 met producties van [eiser] ;
c. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling van 24 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 24 juli 2024 een overeenkomst van opdracht met elkaar gesloten. Partijen zijn een uurtarief van € 244,00 exclusief 7% kantoorkosten en 21% btw overeengekomen voor het verrichten van juridische dienstverlening voor een geschil met de Rabobank.
2.2.
[eiser] heeft haar algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
2.3.
Op 7 augustus 2024 heeft [eiser] een factuur van € 12.710,72 aan [gedaagden] verstuurd. Deze hebben [gedaagden] onbetaald gelaten. Met de factuur van 4 september 2024 heeft [eiser] het reeds door [gedaagden] betaalde voorschot verrekend met de openstaande factuur waardoor nog een bedrag van € 10.994,77 openstaat.
2.4.
[gedaagden] hebben de overeenkomst op 23 augustus 2024 opgezegd.
2.5.
Op 13 september en 1 oktober 2024 heeft [eiser] [gedaagden] gesommeerd tot betaling, maar tot op heden hebben [gedaagden] het openstaande bedrag onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert samengevat om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. Primair: [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.994,77, te vermeerderen met een vertragingsrente van 1% per maand vanaf de vervaldag van de overeengekomen betalingstermijn tot de dag der algehele voldoening;
2. Subsidiair: [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.994,77, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex 6:119a BW vanaf de vervaldag van de overeengekomen betalingstermijn tot de dag der algehele voldoening;
3. Meer subsidiair: [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.994,77, te vermeerderen met de wettelijke rente ex 6:119 BW vanaf de vervaldag van de overeengekomen betalingstermijn tot de dag der algehele voldoening;
4. [gedaagden] te veroordelen tot betaling een bedrag van € 1.649,22 aan buitengerechtelijke incassokosten conform artikel 4.1 van de algemene voorwaarden van [eiser] , althans een bedrag van € 884,95 conform de staffel BIK, te vermeerderen met de wettelijke rente ex 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis indien niet tijdig wordt betaald tot de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, datum en rentevergoeding;
5. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente ex 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis indien niet tijdig wordt betaald tot de dag der algehele voldoening.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht doordat ze het openstaande geldbedrag niet binnen de gestelde termijn aan [eiser] hebben voldaan.
3.3.
[gedaagden] betwisten dat zij hun betaalverplichting jegens [eiser] niet zijn nagekomen. [gedaagden] voeren aan dat zij de factuur niet hoeven te betalen, omdat zij klachten hebben over de dienstverlening door [eiser] . [gedaagden] vinden dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat de behandeld advocaat de overeengekomen strategische rapportage en positionering niet heeft aangeleverd.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagden] een overeenkomst van opdracht is in de zin van artikel 7:400 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Op de advocaat die een opdracht aanneemt, rust een inspanningsverplichting: hij moet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen en daarbij de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht ten opzichte van degene wiens belangen hij behartigt.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting en overweegt daartoe het volgende. [gedaagden] stellen primair dat [eiser] de kernprestatie niet heeft geleverd omdat zij geen strategische rapportage heeft opgesteld en aangeleverd. Partijen zijn echter in de opdrachtovereenkomst geen termijn voor het opstellen van de strategische rapportage overeengekomen. Als [gedaagden] de opdracht niet had opgezegd had [eiser] deze rapportage nog kunnen aanleveren. [eiser] is hierin niet in verzuim.
4.3.
Ook zijn partijen niet overeengekomen dat [eiser] bijvoorbeeld enkel een strategische rapportage zou opstellen of dat [gedaagden] een bepaald totaalbedrag voor de opdracht zou betalen. Partijen zijn een uurtarief overeengekomen voor het verrichten van juridische dienstverlening en daar vallen allerlei werkzaamheden onder. Onderhavige factuur ziet niet op het opstellen van de strategische rapportage, maar op alle uren die de behandelend advocaat tot op dat moment had besteed aan het dossier van [gedaagden] , welke zijn gespecificeerd in de factuur. [gedaagden] betwisten ook niet dat de werkzaamheden waarvoor de factuur is verstuurd ook daadwerkelijk zijn verricht door [eiser] . [gedaagden] hebben verder nog gesteld dat [eiser] niet alle stukken had hoeven te bestuderen en dat de kosten dus deels nodeloos zijn gemaakt. Dat verweer faalt omdat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat wordt verwacht dat deze alle stukken bestudeert teneinde een goed beeld van een dossier te krijgen en niet slechts het gedeelte dat volgens de opdrachtgever van belang is. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er geen reden is om de hoofdsom te matigen.
Conclusie
4.4.
Het feit dat [eiser] de strategische rapportage niet heeft aangeleverd op het moment dat [gedaagden] dat wilden, betekent niet dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst of dat [gedaagden] niet hoeven te betalen voor de werkzaamheden die door [eiser] zijn verricht. [gedaagden] moeten de nog openstaande factuur van € 10.994,77 aan [eiser] betalen. De gevorderde hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
Rente
4.5.
Tegen de door [eiser] (primair) gevorderde contractuele rente over de hoofdsom hebben [gedaagden] geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat deze eveneens toegewezen zal worden.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). In het onderhavige geval zijn partijen - gedaagde of beide partijen daarbij handelend in de uitoefening van beroep of bedrijf - echter een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. De vordering zal dan ook worden getoetst aan het rapport Voor-werk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen, nu [gedaagden] de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst niet hebben betwist en geen termen aanwezig zijn om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding van € 1.649,22 over te gaan.
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.
Proceskosten
4.8.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 126,11
- griffierecht € 1.409,00
- salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x tarief € 432,00)
- nakosten
€ 144,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.543,11
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.643,99, te vermeerderen met:
- de overeengekomen rente van 1% per maand over een bedrag van € 10.994,77 vanaf de vervaldag van de overeengekomen betalingstermijn tot de dag van volledige betaling, en;
- de wettelijke rente over een bedrag van € 1.649,22 vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis indien niet tijdig wordt betaald tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten van € 2.543,11, te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. van Spronssen, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.