Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4868

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/2630
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 18 Wet WOZArt. 2 Uitvoeringsregeling Wet WOZArt. 220d Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging WOZ-beschikkingen 2021 en 2022 wegens onterecht niet toepassen kerkenvrijstelling

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de WOZ-waarderingen en aanslagen onroerendezaakbelasting over de jaren 2021, 2022 en 2023 voor een voormalige kerk die in 2018 werd gekocht en in juni 2022 gesloopt. De heffingsambtenaar stelde de waarde telkens op €145.000 en wees de bezwaren af. De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat de kerkenvrijstelling op grond van de Wet WOZ en Gemeentewet van toepassing is op onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor openbare eredienst.

De rechtbank oordeelde dat de onroerende zaak in 2021 en 2022 nog werd gebruikt voor religieuze activiteiten en dat de heffingsambtenaar ten onrechte de kerkenvrijstelling niet toepaste. Daarom vernietigde de rechtbank de uitspraken op bezwaar, beschikkingen en aanslagen over deze jaren. Voor 2023 was de kerkenvrijstelling terecht niet toegepast vanwege de sloop in juni 2022, en deze aanslag bleef in stand.

De rechtbank bepaalde dat de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden, maar wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de WOZ-beschikkingen en aanslagen over 2021 en 2022 wegens onterecht niet toepassen van de kerkenvrijstelling, maar verklaart het beroep ongegrond voor 2023.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2630

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 februari 2024 en 16 april 2024.
1.1.
Met betrekking tot het jaar 2021 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de onroerende zaak) op waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 145.000 (de beschikking over 2021). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Reimerswaal voor het jaar 2021 opgelegd (de aanslag over 2021).
1.2.
Met betrekking tot het jaar 2022 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 145.000 (de beschikking over 2022). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Reimerswaal voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag over 2022).
1.3.
Met betrekking tot het jaar 2023 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 145.000 (de beschikking over 2023). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Reimerswaal voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag over 2023).
1.4.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [gemachtigde] en namens de heffingsambtenaar mr. B. de Smit.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat de zaak wordt aangehouden om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen alsnog de uitspraken op bezwaar over de jaren 2021 en 2022 over te leggen.
1.7.
Op 23 februari 2026 heeft de heffingsambtenaar de uitspraken op bezwaar over 2021 en 2022 overgelegd. Hierop heeft belanghebbende op 26 februari 2026 gereageerd.
1.8.
De rechtbank heeft met toestemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten. De rechtbank heeft het onderzoek op 28 april 2026 gesloten.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een voormalige kerk, die belanghebbende in 2018 heeft gekocht en die in juni 2022 is gesloopt.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
3. Op 31 maart 2023 heeft de heffingsambtenaar de aanslagen over de jaren 2021, 2022 en 2023 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen in één bezwaarschrift bezwaar gemaakt.
3.1.
Aanvankelijk had de heffingsambtenaar op 6 februari 2024 alleen een uitspraak op bezwaar gedaan over het jaar 2023. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Tijdens dit beroep heeft de heffingsambtenaar op 16 april 2024 alsnog uitspraken op bezwaar gedaan over 2021 en 2022. Op 5 mei 2024 heeft belanghebbende hierop gereageerd in een aanvulling op zijn beroepschrift. Deze twee uitspraken op bezwaar worden daarom meegenomen in dit beroep.
Inhoudelijke beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de WOZ-beschikkingen over 2021, 2022 en 2023 terecht de zogenoemde kerkenvrijstelling niet heeft toegepast. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de WOZ-beschikkingen over 2021 en 2022 ten onrechte de kerkenvrijstelling niet heeft toegepast. Bij het vaststellen van de WOZ-beschikking over 2023 is de kerkenvrijstelling terecht niet toegepast. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader kerkenvrijstelling
4.2.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ in verbinding met artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
4.3.
Artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Gemeentewet bepaalt:
In afwijking in zoverre van artikel 220c wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
De beschikkingen over 2021 en 2022
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor de jaren 2021 en 2022 de kerkenvrijstelling van toepassing is, omdat in de jaren na de aankoop in 2018 de onroerende zaak nog steeds werd gebruikt als kerkgebouw. Het gebouw werd gedurende deze jaren door verschillende kerkgemeenschappen gebruikt voor religieuze activiteiten en samenkomsten.
4.5.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar niet gemotiveerd heeft betwist dat de onroerende zaak in 2021 en 2022 werd gebruikt voor de door belanghebbende genoemde religieuze activiteiten en bijeenkomsten. De enkele vermelding van ‘een bericht in de media uit 2018’ is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de stelling van belanghebbende te twijfelen, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Dat betekent dat de onroerende zaak in de jaren 2021 en 2022 (tot de sloop in juni 2022) naar het oordeel van de rechtbank in hoofdzaak bestemd was voor de openbare eredienst of het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard. De heffingsambtenaar heeft dan ook voor de jaren 2021 en 2022 ten onrechte de kerkenvrijstelling niet toegepast en dus de beschikkingen over 2021 en 2022 ten onrechte vastgesteld. Ook heeft de heffingsambtenaar de aanslagen over 2021 en 2022 ten onrechte opgelegd.
De beschikking over 2023
4.6.
Belanghebbende heeft erkend dat vanwege de sloop van de onroerende zaak in juni 2022 bij de vaststelling van de waarde over 2023 de kerkenvrijstelling niet meer van toepassing is. Belanghebbende heeft de waardering van de onroerende zaak op zichzelf ook niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voor het jaar 2023 de waarde van de onroerende zaak en de aanslag dan ook terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond ten aanzien van de jaren 2021 en 2022. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar, de beschikkingen en de aanslagen over 2021 en 2022. Het beroep ten aanzien van 2023 is ongegrond, zodat de uitspraak op bezwaar, beschikking en aanslag over 2023 in stand blijven.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat er geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraken op bezwaar over 2021 en 2022;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar over 2021;
  • vernietigt de beschikking over 2021;
  • vernietigt de aanslag over 2021;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar over 2022;
  • vernietigt de beschikking over 2022;
  • vernietigt de aanslag over 2022;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar over 2023;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 371,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.