Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4882

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/4401 en BRE 25/4402
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College Breda moet alsnog beslissen op pgb-aanvragen en dwangsom betalen

Eiseres diende op 2 mei 2025 aanvragen in voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor haar zoon en dochter bij het college van burgemeester en wethouders van Breda. Het college heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken een besluit genomen, ondanks ingebrekestellingen van eiseres.

De rechtbank verklaart de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond, omdat het college niet tijdig heeft beslist. Het college stelt zich op het standpunt dat het niet bevoegd is, maar dit is niet formeel vastgelegd in een besluit, zodat dit een inhoudelijk geschil kan zijn dat buiten deze procedure valt.

De rechtbank legt het college op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000, en wordt een bestuurlijke dwangsom vastgesteld van €1.442 wegens overschrijding van de beslistermijn. Daarnaast moet het college wettelijke rente betalen en het griffierecht van eiseres vergoeden.

Uitkomst: Het college moet binnen twee weken alsnog beslissen op de pgb-aanvragen en een dwangsom betalen wegens overschrijding van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/4401 en BRE 25/4402

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvragen van 2 mei 2025 om een persoonsgebonden budget (pgb) voor haar zoon (BRE 25/4401) en haar dochter (BRE 25/4402).
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk gegrond zijn doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Zijn de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvragen ingediend op 2 mei 2025. De rechtbank acht het aannemelijk dat het college de aanvragen heeft ontvangen, zoals het college inmiddels ook heeft bevestigd. Eiseres heeft de aanvragen namelijk naar hetzelfde e-mailadres ( [e-mailadres] ) gestuurd als haar ingebrekestellingen. De ontvangst van de ingebrekestellingen is door datzelfde e-mailadres bevestigd en ook het college heeft de ontvangst van de ingebrekestellingen bevestigd. Verder is de ontvangst van de aanvragen ook door dat e-mailadres bevestigd.
3.1.
Het college vermeldt in haar brief van 22 april 2026 enkel dat onderzoek heeft uitgewezen dat het verzoek (de aanvragen) niet zijn geregistreerd. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen het college op de aanvragen om een persoonsgebonden budget moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. [2] Het college had dus uiterlijk op 27 juni 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het college op 25 juli 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
3.2.
In de brief van 22 april 2026 meldt het college ook dat het onbevoegd zou zijn om een beslissing op de aanvragen te nemen. Het is de rechtbank niet gebleken dat het college dat standpunt al in een beslissing op de aanvragen heeft vastgelegd, zodat de rechtbank er ook vanuit gaat dat er nog geen beslissing is genomen op de aanvragen van eiseres.
De rechtbank laat in het midden of het college wel of niet bevoegd is. Voor zover het college op de aanvragen een beslissing van die strekking neemt, is dat mogelijk een onderwerp van een inhoudelijk geschil. Nu ligt slechts voor of het college niet tijdig op de aanvragen heeft beslist.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Het college heeft niet gevraagd om een langere termijn.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. Over de rechterlijke dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Aanvragen kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één rechterlijke dwangsom kan verbeuren. [3] De rechtbank is van mening dat de aanvragen in de zaken BRE 25/4401 en BRE 25/4402 zodanig met elkaar samenhangen dat het college slechts één rechterlijke dwangsom kan verbeuren. De rechtbank overweegt hierbij dat beide aanvragen in één bericht zijn gedaan en dat dezelfde aanvraag voor de zoon (van eiseres) en de dochter (van eiseres) is gedaan zodat zij met elkaar in contact kunnen blijven. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Verder geldt dat de dwangsom pas stopt met lopen als volledig op de aanvraag voor zowel de zoon als de dochter is beslist.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Eiseres heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [4]
6.1.
Het college heeft de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De rechtbank heeft al overwogen dat er sprake is van samenhangende zaken, waardoor er ook maar één bestuurlijke dwangsom verschuldigd is. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestellingen op 25 juli 2025 meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom dan ook vast op het maximale bedrag van € 1.442,-.
6.2.
Eiseres vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. Het college moest de dwangsom uiterlijk op 3 oktober 2025 vaststellen en uiterlijk op 14 november 2025 aan eiseres betalen. Omdat het college dit niet heeft gedaan, is het in verzuim en moet het vanaf 15 november 2025 tot de datum waarop alles is betaald wettelijke rente aan eiseres betalen.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het college al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 6.1. berekend.
8. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op beide aanvragen bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- stelt de door het college te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442;
- veroordeelt het college om de wettelijke rente over dit bedrag aan eiseres te betalen, vanaf 15 november 2025 tot de dag waarop het gehele bedrag is betaald;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 106,- (2x € 53,-) aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb.
3.Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624, onder rechtsoverweging 5.1. en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815, rechtsoverweging 4.2.3.
4.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.