Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden en de daarop gebaseerde aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor 27 garageboxen in de gemeente Woensdrecht. De heffingsambtenaar had de waarden per 1 januari 2024 vastgesteld met de vergelijkingsmethode, ondersteund door een taxatiematrix opgesteld door een taxateur.
De rechtbank beoordeelde of de waarden te hoog waren vastgesteld. Belanghebbende stelde dat de waardering onjuist was, onder meer omdat de huurwaardekapitalisatiemethode had moeten worden toegepast en onvoldoende rekening was gehouden met verschillen in gebruikersoppervlakte en achterstallig onderhoud. De rechtbank oordeelde dat de vergelijkingsmethode passend was en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de garageboxen en referentieobjecten, waaronder correcties voor onderhoudstoestand.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen sprake was van een toezegging die nakoming rechtvaardigde. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarden en de aanslagen OZB niet te hoog waren vastgesteld en verklaarde de beroepen ongegrond. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht en proceskosten.