ECLI:NL:RBZWB:2026:4921

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446743 / JE RK 26-585
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Brussel II-ter VerordeningArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige met nadruk op zorgcontinuïteit en regievoering

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die sinds 8 mei 2025 onder toezicht staat. De minderjarige woont bij de moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag uitoefent. De vader was niet aanwezig bij de zitting, ondanks juiste oproeping.

De GI wil de ondertoezichtstelling met drie maanden verlengen om de hulpverlening geleidelijk over te dragen aan het vrijwillig kader. De ouders werken mee en hebben een ouderschapsplan opgesteld, maar er blijven zorgen over de opvoedsituatie, met name over het zicht op de thuissituatie van de vader en de naleving van contactafspraken. De moeder gebruikt 's avonds cannabis, maar dit baart de hulpverlening geen zorgen.

De kinderrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 1:255 BW Pro is verlenging mogelijk indien de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en de zorg niet voldoende wordt geaccepteerd. De kinderrechter oordeelt dat aan deze voorwaarden is voldaan, mede vanwege het ontbreken van voldoende zicht op de vader en de noodzaak van regievoering.

De ondertoezichtstelling wordt verlengd van 8 mei 2026 tot 8 augustus 2026, met onmiddellijke werking, ook bij hoger beroep. De verlenging is bedoeld om een warm overdrachtsplan op te stellen en de zorgregeling te monitoren, zodat de hulpverlening verantwoord kan worden voortgezet binnen het vrijwillig kader.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met drie maanden en de beschikking wordt direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446743 / JE RK 26-585
Datum uitspraak: 4 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Helmond,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 2 april 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. Bij aanvang van de zitting vertelt de moeder dat de vader bij haar heeft aangegeven dat hij toestemming zou hebben gekregen voor digitale aanwezigheid bij de zitting. Een verzoek vanuit de vader om digitaal bij de zitting te mogen aansluiten, heeft de griffie van de rechtbank echter nimmer ontvangen en de kinderrechter beslist om de zitting bij afwezigheid van de vader voort te zetten.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 8 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 8 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De GI is van plan om de hulpverlening binnen drie maanden over te hevelen naar het vrijwillig kader. De ouders werken mee en er is inmiddels een ouderschapsplan. De ouders hebben over en weer nog wel zorgen. De zorg van de moeder is erin gelegen dat de vader de afspraken afzegt of dat [minderjarige] in plaats van door de vader, bijvoorbeeld door de grootmoeder (vaderszijde) wordt opgevangen. De moeder vindt het belangrijk dat de vader een stabiele band opbouwt met [minderjarige] en dat [minderjarige] weet waar hij aan toe is in zijn contact met de vader. Anderzijds heeft de vader zorgen over het cannabisgebruik van de moeder. Vanuit [hulpverlening] zijn er geen zorgen over de opvoedsituatie van de moeder. [hulpverlening] heeft geen zicht op de thuissituatie van de vader. De GI vindt het belangrijk dat er een regievoerder betrokken blijft binnen het vrijwillig kader en dat de ingezette hulpverlening wordt voortgezet. De regievoering zal ook nodig zijn wanneer de vader zijn toestemming moet geven voor beslissingen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Daarnaast moet bij de vader nog aan dingen worden gewerkt en de GI wil onderzoeken of het mogelijk is om de hulpverlening bij de vader uit te breiden. De GI ziet bij de moeder een veilige en gezonde basis voor [minderjarige] . De afsluiting van de ondertoezichtstelling dient ook als signaal van vertrouwen naar de moeder.
4.2.
De moeder licht toe dat zij dubbele gevoelens heeft ten aanzien het voortduren dan wel afsluiten van de ondertoezichtstelling. Het liefst wil de moeder de hulpverlening vanuit het vrijwillig kader voortzetten. De moeder wordt ondersteund door [hulpverlening] . Vanuit [hulpverlening] zijn er geen zorgen over de thuissituatie van de moeder. [hulpverlening] is ermee bekend dat de moeder in de avond cannabis gebruikt voor het slapen, wanneer [minderjarige] op bed ligt. Bij de vader is er daarentegen geen zicht op de thuissituatie. Dit vindt de moeder wel belangrijk en dit is ook opgenomen in het ouderschapsplan dat ouders recentelijk hebben ondertekend. Het lukt de vader niet altijd om de afspraken goed na te komen. Dit geldt ook voor zijn contactmomenten met [minderjarige] . De vader heeft soms andere prioriteiten. Eerder heeft de moeder de bemiddeling vanuit de GI nodig gehad om de toestemming van de vader te bewerkstelligen. Nu heeft de moeder al langere tijd geen toestemming nodig gehad, behoudens de inschrijving op een basisschool. De ouders hebben onderling amper contact met elkaar. Wanneer de ouders elkaar zien is er wel een gespannen sfeer, maar er is geen ruzie of woordenwisseling. Wanneer er onvoldoende zicht is bij de vader, kan de ondertoezichtstelling nog helpend zijn. Als er zicht kan worden gecreëerd met de inzet van een casusregisseur, is de moeder het eens met een overdracht naar het vrijwillig kader.

5.De beoordeling

Internationaal privaatrecht
5.1.
Vanwege het feit dat de vader in Venezuela is geboren en de Spaanse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de kinderrechter ambtshalve vast te stellen of de kinderrechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
5.2.
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om van het verzoek kennis te nemen aangezien [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek in Nederland woonde en daar ook zijn gewone verblijfplaats heeft (artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter Verordening). Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Wettelijk kader
5.3.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel
1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.4.
Ingevolge artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.6.
Vooropstaat dat de kinderrechter ziet dat de ouders de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet. Vanuit de ingezette hulpverlening van [hulpverlening] komt naar voren dat de moeder aansluit bij de behoeftes van [minderjarige] en dat er geen zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. Daarnaast is er tussen de ouders een ouderschapsplan opgesteld, waarin afspraken zijn gemaakt over het gezamenlijk ouderschap van de ouders over [minderjarige] .
5.7.
Ondanks deze positieve ontwikkeling maakt de kinderrechter zich ook nog steeds zorgen over [minderjarige] . De ouders uiten nog immer zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder en er is tot op heden geen zicht verkregen op de thuissituatie bij de vader. Ook de uitvoering van de zorgregeling leidt met momenten nog tot onzekerheid en onduidelijkheid bij [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] belangrijk dat hij erop kan vertrouwen dat de afspraken over het contact tussen hem en de vader worden nagekomen en dat het ook de vader is die dan de zorg voor hem draagt. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI ook de komende periode onder meer zicht houdt op zijn welbevinden en regie blijft voeren over de ingezette hulpverlening.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van drie maanden, met ingang van 8 mei 2026 en tot 8 augustus 2026. De ondertoezichtstelling is op dit moment nog noodzakelijk om zodoende toe te werken naar een afronding van de ondertoezichtstelling. Voor de beoogde afronding van de ondertoezichtstelling is nog enige tijd nodig. De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat er een goed en duidelijk borgingsplan wordt opgesteld, waar alle partijen zich in kunnen vinden. Een warme overdracht van de ingezette hulpverlening naar het vrijwillige kader dient onderdeel van dat plan te zijn. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de komende maanden aandacht wordt besteed aan het monitoren van de uitvoering van de zorgregeling en het verkrijgen van zicht op de opvoedsituatie van de vader. Dit is tot op heden nog onvoldoende gelukt.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 8 mei 2026 tot 8 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.