ECLI:NL:RBZWB:2026:4922

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446847 / JE RK 26-598
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens blijvende ontwikkelingsbedreiging

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds 8 mei 2025 onder toezicht staat. De minderjarige en zijn moeder gaven aan dat het goed gaat in de thuissituatie en dat de hulpverlening stress veroorzaakt. De minderjarige ervaart weerstand tegen de hulpverlening en wil deze niet voortzetten.

De kinderrechter constateert dat de moeder haar ouderrol beter oppakt en er meer structuur is, maar blijft bezorgd over de emotionele en fysieke ontwikkeling van de minderjarige. Het zelfbepalende gedrag en de boosheid zijn toegenomen, mede door de therapie die weerstand oproept. Het diagnostisch onderzoek is nog niet afgerond, waardoor onduidelijkheid bestaat over de benodigde behandeling.

De kinderrechter acht verlenging noodzakelijk om de GI zicht te laten houden op het welbevinden van de minderjarige en regie te voeren over hulpverlening en diagnostiek. Tevens wordt geadviseerd een buddy te onderzoeken als extra ondersteuning. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige met zes maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446847 / JE RK 26-598
Datum uitspraak: 4 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels uit Zevenbergen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 8 mei 2025 en tot 8 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat hij het niet eens is met het verzoek. Het gaat goed met [minderjarige] in de thuissituatie. Ook op school en met het eetgedrag van [minderjarige] gaat het nu goed. Hoewel [minderjarige] geen bezwaar heeft tegen de betrokkenheid van de jeugdbeschermer, duurt de ondertoezichtstelling al lang en zorgt de inzet van [hulpverlening] voor stress bij [minderjarige] en de moeder. Er wordt door de hulpverlening veel van [minderjarige] gevraagd en hij vindt het vervelend dat er veel wisselingen zijn geweest. Dit heeft zijn uitwerking op het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] wil dan ook de begeleiding en behandeling vanuit [hulpverlening] niet langer voortzetten. Bij [hulpverlening] wordt er niet naar hem geluisterd. Er worden hem enkel dingen opgelegd, waarbij hij niet wordt gehoord. Daarbij vertelt [minderjarige] dat er zich een incident heeft voorgedaan waarbij hij naar aanleiding van een voorval op school bij [hulpverlening] heeft aangegeven dat hij niet wilde gaan sporten. [hulpverlening] is vervolgens alsnog naar het huis van [minderjarige] gekomen, waarna er een discussie is ontstaan en [minderjarige] boos is geworden. Daarvan wordt door [hulpverlening] nu gezegd dat [minderjarige] zelfbepalend gedrag vertoont. Ook benoemt [minderjarige] dat [hulpverlening] van hem en de moeder verwacht dat zij nu voor elke afspraak naar het kantoor van [hulpverlening] komen. Dit is niet haalbaar vanwege de reiskosten die zij dan moeten maken.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De GI was voornemens om de hulpverlening over te dragen naar het vrijwillig kader. Hiertoe had de GI de Raad verzocht om een advies uit te brengen. Toch zijn de zorgen over [minderjarige] de laatste tijd teruggekomen. De hulpverlening van [hulpverlening] zet erop in dat [minderjarige] aan zichzelf werkt. Dit zorgt voor weerstand bij [minderjarige] . Het is lastig dat [minderjarige] de problematiek niet inziet en daarom geen hulp wil. De GI vindt het jammer dat er bij [hulpverlening] veel wisselingen zijn geweest. Het diagnostisch onderzoek dat [hulpverlening] zou uitvoeren is nog niet afgerond. Op basis daarvan moet worden bekeken wat [minderjarige] nodig heeft. De IQ-test is afgenomen bij [minderjarige] . De vragenlijsten die door [minderjarige] en de moeder zijn ingevuld liggen ver uit elkaar, wat maakt dat er gesprekken nodig zijn om het diagnostisch onderzoek te verrichten. Het is nog altijd de bedoeling dat er de komende zes maanden wordt toegewerkt naar een afronding van de ondertoezichtstelling. Ook hoopt de GI dat er met [minderjarige] verder gewerkt kan worden aan zijn problematiek. Er zit nog altijd veel boosheid bij [minderjarige] . De GI vindt het nodig dat [minderjarige] van zijn boosheid afkomt. Dit gunt de GI [minderjarige] ook. [minderjarige] kan nu nog verbaal agressief zijn naar de moeder. Hoewel de moeder haar ouderrol goed heeft verbeterd, lukt het de moeder niet om daarboven te staan. Dit is niet enkel het geval wanneer [hulpverlening] langskomt.
4.3.
Door en namens de moeder is aangegeven dat, hoewel aan de juridische grondslag voor verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan, de moeder het liefst zou zien dat de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd. De moeder vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig. Het gaat goed in de thuissituatie en de moeder kan de zorg voor [minderjarige] aan. [minderjarige] heeft ook stappen gezet. De GI en [hulpverlening] hebben hier minder zicht op, omdat zij [minderjarige] niet dagelijks zien. De boosheid van [minderjarige] naar de moeder is verminderd. Dit is enkel anders op het moment dat de hulpverlening vanuit [hulpverlening] langskomt. Dit zorgt voor weerstand en boosheid bij [minderjarige] en dat richt zich dan ook op de moeder. De moeder vindt de hulpverlening vanuit [hulpverlening] niet passend voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft geen hulpverlening nodig. De moeder verwacht dat [minderjarige] met de jaren toekomt aan de verwerking van de gebeurtenissen in het verleden. Het maakt het lastig dat er nog geen conclusies zijn uit het diagnostische onderzoek en dat er dus nog geen duidelijkheid is of er in het verlengde daarvan behandeling nodig is.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel
1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter ziet dat er de afgelopen periode positieve stappen zijn gezet. Zo lukt het de moeder steeds beter om haar ouderrol te pakken, wat leidt tot meer structuur in de thuissituatie en het feit dat [minderjarige] beter naar haar luistert. Dit stemt de kinderrechter positief. Tegelijkertijd heeft de kinderrechter nog altijd zorgen over zowel de fysieke als de emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] de afgelopen periode opnieuw lijkt te zijn toegenomen. [minderjarige] heeft nog moeite met het adequaat reguleren van zijn emoties en functioneert met momenten nog op volwassen- of ouderniveau, wat belastend is voor zijn ontwikkeling. Ook zijn er ook nog altijd zorgen over de leefstijlproblematiek van [minderjarige] . Daarnaast lukt het de moeder nog niet altijd om het rollenpatroon in de thuissituatie volledig om te draaien.
5.5.
Het opnieuw toenemen van de zorgen rondom [minderjarige] lijkt het gevolg te zijn van de gestarte therapie bij [hulpverlening] , waarbij van [minderjarige] wordt verwacht dat hij actief aan de slag gaat met zijn problematiek. De kinderrechter betreurt het dat de ingezette hulpverlening van [hulpverlening] niet het gewenste effect lijkt te hebben op [minderjarige] en juist leidt tot een toename van boosheid en agressie. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat de hulpverlening veel van [minderjarige] vraagt en dat [minderjarige] veel weerstand ervaart daartegen, maakt dit de behandeling en het beoogde diagnostisch onderzoek niet minder belangrijk. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel meegemaakt en het is belangrijk dat er zicht komt op hetgeen [minderjarige] nodig heeft om deze ingrijpende gebeurtenissen te verwerken en adequaat met zijn emoties te kunnen omgaan. Het nut en de noodzaak hiervan lijkt door [minderjarige] en de moeder niet te worden ingezien. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI ook de komende periode zicht houdt op zijn welbevinden en regie blijft voeren over de hulpverlening, waaronder de ingezette diagnostiek, de benodigde behandeling van [minderjarige] en de ondersteuning van de moeder.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden, met ingang van 8 mei 2026 en tot 8 november 2026. De komende periode zal de GI alsnog proberen om samen met de moeder en met [minderjarige] toe te werken naar de afronding van de ondertoezichtstelling. Daarvoor is het eerst van belang dat het diagnostisch onderzoek wordt afgerond en er duidelijkheid komt over wat [minderjarige] nodig heeft. De kinderrechter geeft de GI daarnaast nog mee om op korte termijn te onderzoeken of de begeleiding van een buddy voor [minderjarige] mogelijk passend en helpend kan zijn. De kinderrechter vindt het namelijk belangrijk dat er iemand naast [minderjarige] komt te staan en dat hij bij een onafhankelijke derde in vertrouwen zijn verhaal kan doen.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 8 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.