Belanghebbende, een in Nederland gevestigde onderneming met niet in Nederland wonende werknemers, kreeg een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd over 2019 vanwege terbeschikkingstelling van auto's aan werknemers. De inspecteur stelde dat de auto's ook voor privégebruik ter beschikking stonden, wat belanghebbende onvoldoende betwistte. De rechtbank oordeelde dat de auto's feitelijk ter beschikking stonden omdat werknemers de autosleutels hadden en er geen strikte controle was op het privégebruik.
Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat het privégebruik van de auto's minder dan 500 kilometer per jaar bedroeg, waardoor de naheffingsaanslag terecht was. De stelling dat het privégebruik niet bestond en dat dit een schending van het eigendomsrecht zou zijn, werd verworpen omdat dit niet was bewezen.
De opgelegde verzuimboete werd bevestigd omdat sprake was van een feitelijke discussie en geen pleitbaar standpunt. Wel werd de boete met 5% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn van drie maanden. De belastingrente bleef ongewijzigd. Het beroep werd ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag en belastingrente bleven in stand, en de boetebeschikking werd verminderd tot € 1.331,90.