Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4929

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/320
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13bis Wet LBArt. 67c AwirArt. 1 Eerste Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag loonheffingen en boetebeschikking terbeschikkingstelling auto's

Belanghebbende, een in Nederland gevestigde onderneming met niet in Nederland wonende werknemers, kreeg een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd over 2019 vanwege terbeschikkingstelling van auto's aan werknemers. De inspecteur stelde dat de auto's ook voor privégebruik ter beschikking stonden, wat belanghebbende onvoldoende betwistte. De rechtbank oordeelde dat de auto's feitelijk ter beschikking stonden omdat werknemers de autosleutels hadden en er geen strikte controle was op het privégebruik.

Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat het privégebruik van de auto's minder dan 500 kilometer per jaar bedroeg, waardoor de naheffingsaanslag terecht was. De stelling dat het privégebruik niet bestond en dat dit een schending van het eigendomsrecht zou zijn, werd verworpen omdat dit niet was bewezen.

De opgelegde verzuimboete werd bevestigd omdat sprake was van een feitelijke discussie en geen pleitbaar standpunt. Wel werd de boete met 5% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn van drie maanden. De belastingrente bleef ongewijzigd. Het beroep werd ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag en belastingrente bleven in stand, en de boetebeschikking werd verminderd tot € 1.331,90.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag en belastingrente blijven in stand, en de boetebeschikking wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/320

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. H.J.S.M. Nuijten),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een te betalen bedrag van € 14.025.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.565 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 1.402 opgelegd (de boetebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag loonheffingen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het geschil ziet niet op de niet verhaalde loonheffing.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag loonheffingen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is een in [plaats 2] gevestigde onderneming die met haar werknemers werkzaamheden in Nederland verricht. De werknemers wonen niet in Nederland. Belanghebbende is een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).
4.1.
Gedurende het verblijf in Nederland door de werknemers regelt belanghebbende de huisvesting en het vervoer binnen Nederland. Voor het vervoer maken de werknemers gebruik van de auto's van belanghebbende. De werknemers hebben de autosleutels in hun bezit.

Motivering

Is de naheffingsaanslag loonheffingen terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?
Heeft de werkgever de auto’s ter beschikking gesteld aan de werknemers?
5. Indien een auto door een werkgever ook voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld aan een werknemer, dan wordt als uitgangspunt een voordeel als loon in aanmerking genomen (de bijtelling privégebruik). [1] Een auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt (het wettelijk vermoeden van privégebruik). Dit vermoeden houdt stand tenzij belanghebbende overtuigend aantoont dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Dit kan aan de hand van een rittenregistratie, maar bewijs mag ook op een andere manier worden geleverd. [2] Het is aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de auto’s ter beschikking worden gesteld aan de werknemers. Belanghebbende kan gemotiveerd betwisten dat dit het geval is.
5.1.
De inspecteur stelt dat de beschikkingsmacht over de auto's bij de werknemers ligt omdat de autosleutels bij de werknemers blijven en er geen strikt toezicht is op de gereden kilometers. Belanghebbende stelt dat de feitelijke beschikkingsmacht niet bij de werknemers ligt. Zo bevinden de autosleutels zich in de accommodatie zodat de werkgever op elk gewenst moment kan bepalen welke werknemer een bepaalde auto dient te gebruiken. Een projectmanager of coördinator van belanghebbende, die beiden toegang hebben tot het GPS-volgsysteem, nemen rechtstreeks contact op met werknemers om ritten te controleren.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de auto’s door belanghebbende ter beschikking zijn gesteld aan de werknemers. Zo zijn de autosleutels in het bezit van de werknemers waardoor zij feitelijk altijd gebruik kunnen maken van de auto’s. Verder is het zo dat belanghebbende in de praktijk pas een controle uitvoert naar welke ritten er zijn gemaakt als duidelijk wordt dat er een overschrijding is van meer dan 10% ten opzichte van de zakelijk te rijden kilometers. [3] Belanghebbende heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de auto’s ter beschikking zijn gesteld aan de werknemers. De stellingen van belanghebbende komen er op neer dat de regelingen van belanghebbende volgens haar goed in elkaar zitten en dat iedere zelfstandige beschikkingsmogelijkheid over de auto’s daarmee is uitgesloten. Hoe de uitvoering van de regelingen in de praktijk plaatsvond, blijft echter onduidelijk. De specifieke instructies van belanghebbende aan de werknemers ontbreken. Daarnaast blijft de feitelijke uitvoering rondom het houden van de autosleutels, ook na de vragen die gesteld zijn ter zitting, onduidelijk. Hoewel uit de stukken volgt dat de werknemers huur moeten betalen als zij een auto privé gebruiken, is er geen bewijs dat dit feitelijk ook gebeurde. Gelet op de omstandigheid dat (bepaalde aangewezen) werknemers zelf de sleutel van de auto hadden en de ruimte hadden om bovenop het aantal zakelijke kilometers nog kilometers met de auto te rijden alvorens er een controle door belanghebbende plaatsvindt naar het gebruik, acht de rechtbank aannemelijk dat auto’s ter beschikking zijn gesteld aan de werknemers. Het argument van belanghebbende dat omdat sprake is van uitgezonden werknemers iedere vervoersbeweging die zij in Nederland maken als zakelijk is te beschouwen, leidt niet tot de conclusie dat de auto’s niet ter beschikking staan. De rechtbank acht niet op voorhand aannemelijk dat iedere vervoersbeweging een zakelijk doeleind heeft, temeer niet nu er geen inzicht is in de gemaakte ritten.
Zijn de auto’s niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden gebruikt?
5.3.
Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de auto’s niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt. Belanghebbende heeft hiervoor geen stukken overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende daardoor niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s niet meer dan 500 kilometer privé zijn gebruikt en heeft de inspecteur terecht een correctie voor privégebruik auto’s vastgesteld.
Is sprake van strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM)?
5.4.
Belanghebbende stelt dat de opgelegde naheffingsaanslag een schending van het recht op ongestoord genot van eigendom vormt. Belanghebbende wordt namelijk aangeslagen voor een voordeel wat de werknemers feitelijk niet genieten, terwijl dit in vergelijkbare situaties niet zo is.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van artikel 1 van Pro het EP EVRM. De argumentatie van belanghebbende berust de veronderstelling dat de werknemers van belanghebbende geen voordeel van privégebruik van de auto’s hebben. Belanghebbende heeft echter niet bewezen dat dit zo is. De stelling van belanghebbende stuit dan ook af op de feitelijke onvergelijkbaarheid met de situatie waar belanghebbende mee vergelijkt.
Is de boetebeschikking terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?
6. De inspecteur heeft aan belanghebbende bij de naheffingsaanslag loonheffingen een verzuimboete opgelegd van € 1.402, oftewel 10% van de nageheven belasting, omdat belanghebbende te weinig belasting heeft aangegeven en afgedragen. Op grond van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen [4] kan de inspecteur een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 opleggen. Een verzuimboete dient achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld of wanneer sprake is van een pleitbaar standpunt. De rechtbank overweegt dat – gelet op haar voorgaande oordelen – er sprake is van een betaalverzuim waarvoor een boete opgelegd kan worden. Van afwezigheid van alle schuld is niet gebleken.
6.1.
Belanghebbende stelt dat de verzuimboete verminderd moet worden tot nihil omdat sprake is van een pleitbaar standpunt.
6.2.
Van een pleitbaar standpunt is naar het oordeel van rechtbank geen sprake. In geschil is niet de uitlegging van het recht maar een discussie over de feiten. De verzuimboete is daarom terecht opgelegd. Daarnaast acht de rechtbank de verzuimboete ook passend en geboden.
Undue delay
6.3.
De rechtbank constateert ambtshalve dat op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, 4 juni 2026, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie met afgerond 3 maanden. De verzuimboete moet daarom met 5% verminderd worden. [5]
Belastingrente
7. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag loonheffingen en de belastingrentebeschikking in stand blijven. De boetebeschikking wordt in verband met undue delay verminderd tot € 1.331,90. [6] Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking;
  • vermindert de boetebeschikking tot € 1.331,90.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 13bis, eerste lid, eerste volzin, van de Wet LB.
2.Artikel 13bis, derde lid van de Wet LB.
3.Zie bijlage 7 van het verweerschrift.
4.Wettekst 1 januari 2019.
5.Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
6.De ambtshalve vermindering van de boete in verband met undue delay leidt niet tot een gegrond beroep (Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053).