Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4936

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
26/243
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 1 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding

Eiser ontving een AOW-pensioen als ongehuwde, maar na inschrijving van een partner op zijn adres wijzigde de SVB dit in een gehuwdenpensioen. Eiser maakte bezwaar en vroeg later om herziening, maar de SVB handhaafde haar besluit. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelde dat de SVB terecht geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) had vastgesteld die aanleiding gaven om het eerdere besluit te herzien. De ontbinding van de samenlevingsovereenkomst was al bekend en meegenomen in eerdere besluiten. De beslissing van de Dienst Toeslagen over zorgtoeslag, hoewel nieuw, was niet relevant vanwege een ander partnerbegrip.

Verder concludeerde de rechtbank dat er feitelijk nog steeds sprake is van een gezamenlijke huishouding, zoals wettelijk gedefinieerd, en dat de SVB voldoende onderzoek had verricht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat het AOW-pensioen niet wordt gewijzigd en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot herziening van het AOW-pensioen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/243

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Oversluizen),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht (SVB).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door de SVB van het verzoek van eiser om aan hem weer een AOW-ongehuwdenpensioen toe te kennen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB het verzoek van eiser mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het bestreden besluit en procesverloop

2. Eiser ontving een AOW-pensioen als ongehuwde. In augustus 2024 is mevrouw [persoon] ingeschreven op zijn adres.
2.1.
Met een besluit van 19 november 2024 heeft de SVB het AOW-pensioen van eiser met ingang van 1 september 2024 gewijzigd in een gehuwdenpensioen, omdat hij een gezamenlijke huishouding vormt met mevrouw [persoon] . Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar de SVB heeft dit bezwaar ongegrond verklaard in een besluit van 23 juni 2025. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
2.2.
Op 31 juli 2025 heeft eiser aan de SVB gevraagd om een ‘nieuwe procedure’. In een besluit van 22 augustus 2025 (primair besluit) heeft de SVB besloten dat dit niet leidt tot een wijziging van het AOW-pensioen.
2.3.
Met het besluit van 17 november 2025 (bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de SVB bij dat besluit gebleven. [1]
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. P.C.A. Buskens namens de SVB.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt SVB
3. De SVB stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat de eerdere beslissing ook niet onmiskenbaar onjuist is. De ontbinding van de samenlevingsovereenkomst op 20 maart 2025 ziet de SVB niet als een nieuw feit of omstandigheid. Omdat er nog steeds sprake is van een gezamenlijke huishouding wijzigt de AOW niet, ook niet voor de toekomst.
Gronden van beroep
4. Eiser heeft aangevoerd dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, maar van een commerciële relatie. Het is nooit de bedoeling geweest om een gezamenlijke huishouding te vormen en financieel verantwoordelijkheid voor elkaar te dragen. Om alles goed te regelen is destijds bij de notaris een samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarbij is hij onvolledig of onjuist voorgelicht. Toen bleek dat dit ook consequenties had voor hun AOW-uitkering is die overeenkomst weer ontbonden. Wellicht is hij tekortgeschoten om een en ander juridisch correct vast te leggen, maar dat is een vorm van overmacht wegens onvoldoende kennis van de wet- en regelgeving. Verder is aangevoerd dat de SVB onvoldoende onderzoek heeft verricht. Er is geen sprake van financiële verstrengeling anders dan alleen het delen van de woning met de daarbij behorende lasten. Eiser verwijst ook naar een beslissing van de Dienst Toeslagen, die eiser wel als alleenstaande beschouwt.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
De rechtbank constateert dat de SVB al eerder heeft beslist over de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding, en dat dat besluit ook definitief vast staat, aangezien daartegen geen beroep is ingesteld. Hieruit volgt dat het verzoek van eiser van 31 juli 2026 een herhaalde aanvraag is, als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het bestreden besluit en de toelichting ter zitting blijkt dat de SVB ook toepassing heeft gegeven aan dit artikel.
5.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of de SVB zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (zogeheten ‘nova’) zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin, aan de hand van de beroepsgronden, tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.4.
Als er geen sprake is van nova, mag de SVB de aanvraag om die reden afwijzen. Als er wél sprake is van nova, moet de SVB beoordelen of die aanleiding vormen tot inwilliging van de herhaalde aanvraag of om terug te komen van het eerdere besluit.
5.5.
Nova moeten op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb bij de aanvraag worden vermeld. Met nova die pas in de fase van beroep naar voren worden gebracht, kan bij de rechterlijke toetsing geen rekening worden gehouden.
5.6.
Vervolgens moet nog worden beoordeeld of de weigering van de SVB om terug te komen van het besluiten van 23 juni 2025 niet evident onredelijk is.
5.7.
Naast de beoordeling aan de hand van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft de SVB, omdat het gaat om een zogeheten duuraanspraak, ook beoordeeld of er reden is om de AOW van eiser te wijzigen voor de toekomst.
Nieuwe feiten of omstandigheden
6. De rechtbank stelt vast dat eiser twee nieuwe dingen heeft aangedragen: de notariële akte van ontbinding van de samenlevingsovereenkomst en een beslissing van de Dienst Toeslagen over zijn zorgtoeslag.
6.1.
De notariële akte van ontbinding van de samenlevingsovereenkomst dateert van 20 maart 2025 en is al overgelegd in de bezwaarprocedure tegen het eerdere besluit over de gezamenlijke huishouding. Bij de beslissing op bezwaar van 23 juni 2025 heeft de SVB hier dus al rekening mee gehouden. De SVB heeft dit dan ook terecht niet aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.
6.2.
De beslissing van de Dienst Toeslagen dateert van 9 februari 2026, dus van na het bestreden besluit. Dit betekent dat de SVB in het bestreden besluit daar geen rekening mee kon en hoefde te houden. De rechtbank zal dit toch bij de beoordeling betrekken, omdat de SVB zich daar niet tegen heeft verzet.
6.3.
Zoals de SVB ter zitting terecht heeft aangevoerd geldt in het kader van de zorgtoeslag een ander partnerbegrip dan in de AOW. Reeds om die reden kan aan de beslissing van Dienst Toeslagen niet de betekenis toekomen die eiser eraan hecht. De beslissing van Dienst Toeslagen hoefde de SVB dan ook geen aanleiding te geven om eiser weer aan te merken als ongehuwd.
6.4.
De rechtbank ziet in wat is aangevoerd ook geen aanleiding om te oordelen dat de weigering van de SVB om terug te komen van het eerdere besluit evident onredelijk is.
6.5.
Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van de SVB om niet terug te komen op het eerdere besluit tot toekenning van een gehuwdenpensioen de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Duuraanspraak
7. De rechtbank is van oordeel dat de SVB in het ontbinden van de samenlevingsovereenkomst en de beslissing van de Dienst Toeslagen ook geen aanleiding hoefde te zien om de AOW voor de toekomst te wijzigen. In de eerste plaats brengt deze ontbinding geen wijziging in de feitelijke situatie. Bovendien is in artikel 1, lid 5, van de AOW bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht als de personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij eerder voor de toepassing van de AOW zijn aangemerkt als gehuwd. Daarvan is in dit geval sprake.
7.1.
De rechtbank volgt eiser ook niet in de stelling dat sprake zou zijn van onvoldoende onderzoek door de SVB. Bij een verzoek om wijziging, zoals waar het hier om gaat, is het aan eiser om stukken over te leggen waaruit de onjuistheid van de toegekende AOW blijkt. De SVB heeft alle door eiser overgelegde stukken bij haar besluitvorming betrokken en is naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden tot de conclusie gekomen dat daaruit die onjuistheid niet blijkt. Op de SVB rustte dan ook plicht tot nader onderzoek.
7.2.
Uit het voorgaande volgt dat ook de weigering van de SVB om de AOW voor de toekomst te wijzigen de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 4 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Algemene Ouderdomswet
Artikel 1
[…]
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
ls gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
[...]
4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
[...];
zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.

Voetnoten

1.Ter zitting heeft de SVB desgevraagd erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte is verwezen naar een besluit van 16 juli 2025 in plaats van het primaire besluit van 22 augustus 2025.