ECLI:NL:RBZWB:2026:4971

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
C/02/440530 / FA RK 25-5140
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgregeling waarbij minderjarige zelf contact met moeder bepaalt vanwege behoefte aan rust

In deze zaak over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 mei 2026 een beschikking gegeven waarbij het initiatief voor contact tussen de minderjarige en zijn moeder bij de minderjarige zelf ligt. Dit besluit is genomen na overleg en instemming van beide ouders en in het licht van de hulpverlening die loopt.

De rechtbank baseert haar beslissing op het feit dat de minderjarige worstelt met diverse problemen, waaronder de spanningen tussen zijn ouders. De rechtbank benadrukt dat verwijten tussen ouders schadelijk zijn voor de ontwikkeling van het kind en dat het belangrijk is hem zoveel mogelijk te ontzorgen. De behoefte aan rust en de eerder geuite eigen wens van de minderjarige zijn hierbij doorslaggevend.

De rechtbank acht een gedwongen zorgregeling niet passend omdat dit druk op het kind kan leggen. De ouders zijn het eens met deze benadering en de rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. Hiermee wordt beoogd de ontwikkeling van het kind te beschermen en het contact met beide ouders vrij en onbelast te laten verlopen.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat de minderjarige zelf contact met zijn moeder mag opnemen wanneer hij dat wil, met instemming van beide ouders en direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Enkelvoudige Kamer
Zaaknummer: C/02/440530 / FA RK 25-5140
datum uitspraak: 6 mei 2026
beschikking betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1]
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. F. Hoogeveen te Middelburg.
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Krijger te Middelburg.
betreffende de minderjarige:
[minderjarige]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad.
1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de navolgende stukken:
  • de beschikking van 6 november 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • F9-formulier met bijlagen van mr. Hoogeveen van 23 februari 2026;
  • F9-formulier met bijlagen van mr. Krijger van 10 maart 2026.

2.De (verdere) beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 6 november 2025. In deze beschikking is onder meer en voor zover hier van belang bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de man heeft en dat de vrouw en [minderjarige] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact op initiatief van [minderjarige] . De definitieve beslissing ten aanzien van de zorgregeling is aangehouden in afwachting van verder bericht van de (advocaten van de) ouders over het verloop van de hulpverlening en de manier waarop zij deze zaak afgedaan willen hebben.
2.2
Bij bericht van zijn advocaat van 23 februari 2026 heeft de man laten weten dat de het hulpverleningstraject lopende is. De laatste weken gaat het wat beter met [minderjarige] en het contact tussen [minderjarige] en de vrouw. De volgende stap van de hulpverlening is de contacten verder op te volgen, afspraken tussen de ouders op papier te zetten en hierin overeenstemming te bereiken. De man verwacht dat dit traject makkelijker zal verlopen als er tussen partijen geen gerechtelijke procedure meer aanhangig is. Hij verzoekt daarom om definitief te bepalen dat het initiatief van het contact tussen [minderjarige] en de vrouw bij [minderjarige] ligt. Met behulp van de kindbehartiger zullen partijen en [minderjarige] met elkaar afspraken maken over het contact. De man verzoekt om zonder zitting een eindbeschikking te wijzen danwel de procedure voor vier maanden aanhouden in afwachting van het verdere hulpverleningstraject.
2.3
Bij bericht van haar advocaat van 10 maart 2026 heeft de vrouw laten weten dat zij zich neerlegt bij de beslissing over het hoofdverblijf. Haar zorgen over [minderjarige] zijn onverminderd aanwezig. De vrouw zal het hulpverleningstraject voortzetten en zal zich blijven inzetten voor behoud en verbetering van het contact met [minderjarige] . Verzocht wordt om in de overwegingen op te nemen dat [minderjarige] bij de vrouw en haar partner altijd een thuis zal hebben. Ook wordt verzocht op te nemen dat het van belang is dat de man het contact tussen [minderjarige] en de vrouw ondersteunt en dat beide ouders zich ervoor in zullen (blijven) zetten om ervoor te zorgen dat [minderjarige] alle hulp krijgt die hij nodig heeft.
2.4
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en met name uit de door de man bij zijn bericht toegevoegde tussenevaluatie van de hulpverlening blijkt dat [minderjarige] met diverse zaken worstelt. Eén daarvan is het feit dat de ouders elkaar de schuld geven. Ook komt duidelijk naar voren dat [minderjarige] behoefte heeft aan rust en steun bij zijn problematiek.
2.5
[minderjarige] heeft twee ouders die veel van hem houden. [minderjarige] bestaat voor een deel uit de man en voor een deel uit de vrouw. Iedere keer dat een van de ouders een verwijt over de andere ouder maakt, is dit een persoonlijke aanval op dat deel van [minderjarige] wat verbonden is met deze andere ouder. Dat is schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . En gelet op het feit dat [minderjarige] een kind is dat veel nadenkt en zich over veel dingen zorgen maakt, is het juist van belang om hem zoveel als mogelijk te ontzorgen.
2.6
Het is daarom voor [minderjarige] van groot belang dat de ouders de ingezette hulpverlening doorzetten. De verwijten onderling moeten stoppen. Dat er zorgen zijn over [minderjarige] ziet ook de rechtbank. Op basis van de stukken deelt de rechtbank deze zorgen ook. En juist daarom is het van belang dat de hulpverlening wordt doorgezet en de kindbehartiger haar werk kan (blijven) doen.
2.7
De rechtbank vindt het, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] en op zijn eerder geuite eigen wensen, maar ook gelet op het gegeven dat [minderjarige] behoefte heeft aan rust, van belang dat [minderjarige] zelf bepaalt wanneer hij contact heeft met zijn moeder. Het vastleggen van een (gedwongen) zorgregeling vindt de rechtbank in deze situatie niet passend. Ook omdat dit mogelijk druk legt op [minderjarige] . Beide ouders hebben aangegeven dat zij ook akkoord gaan met deze beslissing. De rechtbank zal dan ook een zorgregeling bepalen waarbij het aan [minderjarige] wordt overgelaten om contact met zijn moeder op te nemen, indien hij hier behoefte aan heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat de man, in het belang van [minderjarige] , het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder zal (blijven) steunen. De rechtbank gunt het [minderjarige] dat hij vrij en onbelast contact kan hebben met zijn beide ouders.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.8
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht.
Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
bepaalt dat de vrouw en [minderjarige] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact, in die zin dat [minderjarige] zelf contact met zijn moeder opneemt indien hij hier behoefte aan heeft;
3.2
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.