ECLI:NL:RBZWB:2026:4978

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445894 / JE RK 26-410
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling door ouderconflict

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 mei 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2023 en 2024, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De ouders zijn belast met het gezag over de kinderen, waarbij de moeder het eenhoofdig gezag heeft over de jongste. De omgang tussen vader en kinderen is meerdere malen door de moeder stopgezet, wat heeft geleid tot ernstige zorgen over de sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van de kinderen.

De Raad heeft een onderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat de dynamiek tussen de ouders gekenmerkt wordt door wantrouwen, hoog oplopende emoties en conflicten, waardoor het niet lukt om gezamenlijk ouderschap duurzaam vorm te geven. Ondanks eerdere hulpverleningstrajecten en een ouderschapsplan is het contact tussen vader en kinderen sinds april 2026 opnieuw volledig opgeschort door de moeder.

De kinderrechter oordeelt dat de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen ernstig is en niet voldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Daarom is een ondertoezichtstelling noodzakelijk om verdere hulpverlening te faciliteren die gericht is op het herstellen van vertrouwen en het verbeteren van de communicatie tussen ouders. De beschikking is direct uitvoerbaar en geldt voor de duur van twaalf maanden.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige kinderen onder toezicht van de gecertificeerde instelling wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door conflicten tussen ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445894 / JE RK 26-410
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
gevestigd te Breda,
hierna te noemen: Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.C.G. Voogt uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. T. Van Riel uit Breda.
De kinderrechter merkt als informante aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2026.
1.2
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI (op afstand, via een audiovisuele verbinding).
1.3
Gelet op hun onderlinge samenhang, is deze zaak gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de zaaknummers C/02/446788 / KG ZA 26-177 en C/02/422607 / FA RK 24-2326.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2
Nadat de rechtbank hem daartoe vervangende toestemming had verleend, heeft de vader [minderjarige 2] erkend. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] .
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij moeder.
2.4
De vader heeft de rechtbank onder meer verzocht om ouders te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en om een zorg- c.q. omgangsregeling en informatieregeling vast te stellen. In die procedure, die bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer C/02/422607 / FA RK 24-2326, heeft de rechtbank bij beschikking van 12 november 2024 de ouders naar hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) verwezen. Uit het UHA-rapport van 7 oktober 2025 blijkt dat het ingezette (jeugd)hulptraject tot onvoldoende resultaat heeft geleid. De Raad heeft vervolgens besloten om een gezags- en omgangsonderzoek en een beschermingsonderzoek uit te voeren (hierna: het raadsonderzoek).
2.5
Nadat de moeder de omgang tussen de vader en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 1 december 2025 bepaald dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact/omgang met elkaar twee dagen per week van 09.00 uur tot 17.00 uur.
2.6
Begin april 2026 heeft de moeder haar medewerking aan de uitvoering van de voorlopige omgangsregeling opgeschort. Zij vordert in kort geding dat de voorzieningenrechter die voorlopige regeling schorst. Die kortgedingprocedure is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer C/02/446788 / KG ZA 26-177.
2.7
Ná de mondelinge uitspraak in deze zaak waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht van de GI zijn gesteld, maar vóór de schriftelijke uitwerking daarvan, heeft de rechtbank in de hiervoor onder 2.4. genoemde procedure bij beschikking van 21 mei 2026 de vader, samen met de moeder, belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] . Tevens heeft de rechtbank een definitieve zorg- en informatieregeling bepaald. Gelet daarop heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank eveneens bij beschikking van 21 mei 2026 de vorderingen van de moeder in kort geding afgewezen wegens gebrek aan belang.
3 Het verzoek
3.1
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1
De Raad voert aan dat hij in het raadsonderzoek heeft gemerkt dat moeder een grote mate van onveiligheid blijft voelen bij vader. De zorgen van moeder kunnen niet nader worden geduid (bevestigd met/door andere informatie), maar volgens de Raad kan daaraan ook niet worden voorbijgegaan. Haar zorgen blijven onverminderd groot en dat heeft effect op de omgang tussen de kinderen en de vader. Moeder heeft de omgang al verschillende malen stopgezet: in maart 2024, november 2024, augustus 2025 en meest recent in april 2026. De Raad ziet een patroon tussen ouders dat lastig te doorbreken is. De ingewikkelde dynamiek tussen ouders lijkt te maken dat er beslissingen worden genomen vanuit emoties en zonder constructief overleg. Beslissingen van de één, roepen weer emoties/weerstand op bij de ander. Er is een periode geweest dat het beter ging, wat erg waardevol was voor de kinderen. Maar een negatieve gebeurtenis zorgt ervoor dat de positieve stappen die zijn gezet, teniet worden gedaan en partijen terugvallen in conflict. Daarvan zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de dupe.
De Raad maakt zich ernstige zorgen over de sociaal/emotionele en identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het lukt ouders niet om te komen tot het duurzaam vormgeven van gezamenlijk ouderschap, ondanks de inzet van hulpverlening en positieve stappen die zij hebben gezet. Vader kan zich fors uiten richting moeder en belemmert met momenten gezagsbeslissingen. Een zorg is dat dit moeder (emotioneel) belast, iets wat van invloed is op de opvoeding en verzorging van de kinderen. Het is belangrijk dat er naar een situatie wordt gegaan waar ouders zich zo comfortabel mogelijk bij voelen, waarin zij dat kunnen uitdragen naar de kinderen en waarbij zij dat weten vast te houden. Het stoppen van de omgang (door moeder) heeft gevolgen voor het opbouwen en onderhouden van een veilige hechtingsrelatie tussen vader en de kinderen. Daarnaast is het verwarrend voor de kinderen om geen duidelijkheid te ervaren in het contact met hun vader.
De Raad vindt het belangrijk dat er opnieuw hulpverlening wordt betrokken bij ouders, specifiek gericht op (het vormgeven van) het ouderschap. Van belang is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erop kunnen vertrouwen dat het contact met hun vader niet weer opnieuw gaat worden verbroken. Om daartoe te komen is het belangrijk dat moeder er vertrouwen in gaat krijgen dat het voor de kinderen veilig is om naar vader te gaan en dat vader kan tonen dat de kinderen op een fijne, veilige manier bij hem kunnen zijn. Voor beide ouders geldt dat het vertrouwen in elkaar zal moeten groeien. Dat kan alleen wanneer ouders onder begeleiding van hulpverlening met elkaar spreken over de zorgen die zij hebben, wat deze betekenen voor de kinderen en hoe deze zorgen weggenomen kunnen worden. Maar ook over wat goed gaat en welke positieve punten gezien worden. De Raad vindt het van belang dat ouders ondersteund worden in het leren verdragen van bepaalde dingen. De Raad heeft niet de illusie dat het wantrouwen helemaal weggenomen kan worden, maar wenst ouders toe dat zij een modus vinden waarin ze uitgaan van elkaars goede intenties, naar elkaar kunnen luisteren en elkaar leren bevragen in plaats van aannames te doen over de ander (op basis van informatie die zij via-via hebben verkregen).
4.2
Hoewel het verzoek om een ondertoezichtstelling bij moeder in eerste instantie tot spanning heeft geleid, ondersteunt zij het verzoek van de Raad. Moeder ervaart dat het ouders niet lukt om op een passende wijze met elkaar te communiceren. Die impasse moet worden doorbroken. Het is van belang dat er iemand gaat meekijken.
4.3
Ook de vader staat achter het verzoek om een ondertoezichtstelling. Hij ziet daarin een mogelijkheid om de communicatie tussen ouders te verbeteren. Dat is voor vader van belang omdat hij de kinderen wil blijven zien. Voor vader is belangrijk dat ouders zich bemoeien met de eigen opvoedsituatie en niet met elkaar. De opvoedsituatie bij vader zal anders zijn dan bij moeder. Vader weet dat moeder goed is voor de kinderen. Ze doet alles voor ze, de kinderen zien er altijd netjes en verzorgd uit. Vader maakt zich daar geen zorgen over. Het zit puur in de dynamiek tussen ouders en het is voor vader belangrijk dat daar verandering in komt.

5.De beoordeling

5.1
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. Hoewel beide ouders veel liefde voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben en zich betrokken tonen, vormt de dynamiek tussen ouders een bron van escalatie en conflict. Daardoor bestaan er zorgen over de sociaal/emotionele en identiteitsontwikkeling van de kinderen. Er is sprake van wantrouwen tussen ouders, hoog oplopende emoties en invloed van buitenaf, waardoor het ouders telkens niet lukt open te communiceren en vast te houden aan gemaakte afspraken of verder te bouwen op positieve momenten. Dat zorgt ervoor dat een stabiele basis waarin de kinderen centraal staan, ontbreekt. Voor de kinderen is de huidige situatie verwarrend en emotioneel belastend. Ze hebben een periode gehad waarin ze hun vader regelmatig zagen. Die omgang verliep goed, er was ruimte voor contact en flexibiliteit, en moeder was zelfs betrokken bij momenten rondom het nieuwe gezin van vader. Dat gaf de kinderen de kans om beide ouders te ervaren in een veilige setting. Nu is dat contact opnieuw abrupt gestopt. Voor jonge kinderen, die nog volop bezig zijn met het vormen van vertrouwen en veiligheid in relaties, is zo’n breuk met een hechtingsfiguur moeilijk te begrijpen. Dat raakt aan hun basisgevoel van veiligheid. Kinderen hebben beide ouders nodig om te begrijpen wie ze zijn. Als één ouder langdurig afwezig is, of als er alleen negatieve verhalen worden verteld, kan dat leiden tot verwarring, onzekerheid en een gevoel van verdeeldheid. Ze kunnen het gevoel krijgen dat ze moeten kiezen, of dat ze loyaal moeten zijn aan één kant, terwijl ze van beide ouders houden. Dat kan (op latere leeftijd) gevolgen hebben voor hoe ze zichzelf gaan zien, hoe zij omgaan met emoties en hoe ze relaties met anderen aangaan.
5.3
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ouders hebben via het UHA een vrijwillig hulpverleningstraject doorlopen. Hoewel zij daarin positieve stappen hebben gezet en zelfs een ouderschapsplan hebben opgesteld, is het hen niet gelukt om de positieve ontwikkeling vast te houden. Sinds begin april 2026 is het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op initiatief van de moeder opnieuw volledig opgeschort. Het is nodig dat partijen in het belang van de kinderen verdere hulpverlening krijgen om te werken aan onderling vertrouwen en een passende wijze van communiceren. In het bijzonder zullen zij met hulpverlening moeten werken aan de volgende doelen:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een positief, veilig en onbelast contact met vader volgens een vaste regeling;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen openlijk loyaal zijn aan beide ouders;
- ouders weten vorm te geven aan gezamenlijk ouderschap.
5.4
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van twaalf maanden.
5.5
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 7 mei 2026 tot 7 mei 2027;
6.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mrs. Vos en Van Ham als griffiers, en op schrift gesteld op 21 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.