ECLI:NL:RBZWB:2026:4982

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447613 / JE RK 26-731
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigingen en veiligheidsoverwegingen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige voor drie maanden vanwege ernstige zorgen over de veiligheid van het kind en de moeder. De vader bedreigt de moeder sinds 2019 fors en is hiervoor eerder veroordeeld. De moeder woont bij haar ouders en weigert een veilige opvang, maar staat open voor vrijwillige hulpverlening.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de spoedbeslissing van 24 april 2026 niet hoeft te worden herroepen. Er is een ernstig vermoeden dat de grond voor ondertoezichtstelling is vervuld, mede door het patroon van bedreigingen en de detentie van de vader. De moeder moet meewerken aan het GIA-traject om weerbaarder te worden.

De vader is niet verschenen bij de zitting, waardoor de kinderrechter het resterende deel van het verzoek aanhoudt om hem alsnog te kunnen horen. De voorlopige ondertoezichtstelling wordt toegewezen voor de periode van 8 mei tot 8 juni 2026. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en hoger beroep is uitgesloten.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt toegewezen voor één maand, met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/447613 / JE RK 26-731
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRBANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof uit ’s Heer Arendskerke.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van 24 april 2026 en de daarin vermelde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 24 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 april 2026 en tot 8 mei 2026, zonder horen van de belanghebbenden en onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. Ook verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Bij voornoemde beschikking van 24 april 2026 heeft de kinderrechter reeds deels beslist op dit verzoek. Thans ligt ter beoordeling voor of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat de spoedbeslissing met ingang van heden moet worden herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek, strekkende tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van
8 mei 2026 en tot 24 juli 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing naar de overgelegde stukken. De Raad maakt zich grote zorgen over de geschiedenis van de ouders. De vader uit al jaren, sinds 2019, forse bedreigingen richting de moeder. Deze bedreigingen richten zich ook op de ouders van de moeder. De Raad betwijfelt of de moeder gezien de enorme druk van de vader voldoende weerstand kan bieden tegenover de vader. Dit maakt dat de veiligheid van [minderjarige] niet is gegarandeerd. De veilige opvang was een goede plek geweest voor de moeder en [minderjarige] om een plan te maken voor de komende periode. Dit heeft de moeder geweigerd. Het is belangrijk dat de samenwerking tussen de GI en de moeder tot stand komt. Voor nu handhaaft de Raad Jeugdbescherming west Zeeland als GI. Er kan in de toekomst overdracht plaatsvinden als een andere GI passender blijkt.
4.2.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder staat open voor hulpverlening in het vrijwillige kader, maar ervaart de druk die de ondertoezichtstelling met zich meebrengt als ondraaglijk. De moeder neemt de zorgen serieus en erkent dat vader forse bedreigingen uit richting haar, dat dit al jaren aan de gang is en dat hij eerder ook is veroordeeld voor onder meer belaging en ernstige bedreigingen richting de moeder. De moeder wil echter niet naar de veilige opvang. Dit is de reden dat de moeder terughoudend is in het delen van haar verhaal met de hulpverlening. De moeder is bang de regie over haar leven kwijt te raken. De moeder heeft voor nu de voorkeur om bij haar ouders in [woonplaats 1] te verblijven, maar wil wel meedenken over alternatieven als dit als onveilig wordt ingeschat. De moeder geeft aan niet meer samen te zijn met de vader. Dit gaat in de toekomst ook niet meer gebeuren, omdat ze de veiligheid van haar en de baby op nummer één zet. De vader zit nu ook vast tot in ieder geval volgende week donderdag. Uit de afgenomen DNA test blijkt inmiddels dat [minderjarige] daadwerkelijk de zoon is van de vader. Moeder staat open voor de voorgestelde hulpverlening, waaronder de inzet van het GIA(Geweld in afhankelijkheidsrelaties) -Team. Tot slot heeft de moeder de voorkeur voor Jeugdbescherming west Zeeland als GI, omdat de moeder een regulier IQ heeft en zij de primaire zorg voor [minderjarige] draagt.
4.3.
De GI geeft aan achter het verzoek van de Raad te staan. De GI ziet een liefdevolle, maar gespannen moeder. Er is voor nu gekozen om de moeder bij haar ouders te laten verblijven, mits de moeder zich houdt aan de gemaakte veiligheidsafspraken. De GI maakt zich zorgen over de weerbaarheid van de moeder. Bovendien heeft de GI het idee dat de moeder de zorgen bagatelliseert. De GI wil met spoed het GIA -team van [hulpverlening] inzetten. De huidige GI, Jeugdbescherming west Zeeland, vindt vanwege het lage IQ van de vader dat de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering passender is als uitvoerende GI.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Bij voornoemde beschikking van 24 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van twee weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn thans in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. De kinderrechter dient in de eerste plaats te beoordelen of er feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 24 april 2026 zou moeten worden herroepen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat hiervan geen sprake is. Dat betekent dat de spoedbeslissing niet wordt herroepen.
5.2.
Voorts dient het resterende deel van het onderhavige verzoek beoordeeld te worden. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat er ernstige zorgen zijn over [minderjarige] . Sinds 2019 is er sprake van politiemeldingen en incidenten in het gezin. Al jaren is de vader dreigend naar de moeder. De moeder heeft ook meerdere aangiftes gedaan van fysieke mishandeling, verkrachting en stalking, waarvoor hij is veroordeeld. Er is sprake van een patroon waarbij de moeder de relatie verbreekt, maar door druk vanuit de vader toch terug keert naar de vader. Op dit moment zit de vader in detentie. Er zijn grote zorgen dat de vader bij vrijlating een aanhoudende dreiging is voor zowel de moeder als [minderjarige] . Het is sterk de vraag of een contact- of locatieverbond de vader tegen gaat houden om contact te leggen met de moeder. Aan de andere kant zijn er twijfels of de moeder er zich van kan weerhouden om geen contact op te nemen met de vader. De kinderrechter oordeelt dat het van groot belang is dat een jeugdbeschermer betrokken is die ten alle tijd het belang en de veiligheid van [minderjarige] vooropstelt. Daarnaast is het belangrijk dat de moeder gaat starten met het GIA-traject van [hulpverlening] , om zo weerbaarder te worden en zich los te maken van de vader. Het streven is een stabiele en veilige situatie voor de moeder en [minderjarige] . De kinderrechter begrijpt de angst van de moeder, maar benadrukt dat de moeder zich moet richten op het aangaan van een goede samenwerking met de GI. Dit is in het belang van [minderjarige] . Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. [1] De kinderrechter heeft echter moeten vaststellen dat de vader niet ter zitting is verschenen. Het is voor de kinderrechter onduidelijk of de vader de intentie had om naar de zitting te komen en zijn vervoer vanuit de penitentiaire inrichting niet goed was geregeld of dat hij er zelf vanaf heeft te zien om te komen, zoals de advocaat van de moeder ter zitting aangaf. Om de vader alsnog in de gelegenheid te stellen om gehoord te worden over het verzoek zal de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling toewijzen voor één maand en het resterende deel van het verzoek aanhouden tot de zitting van
[datum] 2026. Ter zitting is weliswaar gesproken over de datum 2 juni 2026, echter de advocaat van de moeder heeft na de zitting kenbaar gemaakt dat zij dan verhinderd is
5.3.
Het verzoek van de Raad om de beslissing op het verzoek uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wijst de kinderrechter af, gelet op het bepaalde in artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 8 mei 2026 en tot 8 juni 2026;
6.2.
houdt het resterende deel van het verzoek om een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlenen aan tot de mondelinge behandeling op
[datum] 2026 om [uur] ,bij mr. Borm als kinderrechter voor de duur van 45 minuten, in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan de Kousteensedijk 2, 4331 JE, met het verzoek aan de Raad om haar indien mogelijk voorafgaand aan die mondelinge behandeling schriftelijk te informeren en haar standpunt te geven over het resterende deel van het verzoek.
6.3.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor die nadere mondelinge behandeling voor de Raad, de moeder (en haar advocaat), de vader en de GI.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 21 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [2]

Voetnoten

1.Artikel 1:257 lid 1 en Pro artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek
2.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).