ECLI:NL:RBZWB:2026:4985

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446348 / KG ZA 26-150
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming inschrijving kinderdagverblijf en verwijzing naar jeugd hulpverleningstraject

De vrouw vordert vervangende toestemming voor de inschrijving van haar kind bij een kinderdagverblijf, omdat de man zijn toestemming weigert. De man verzet zich tegen deze vordering en vraagt tevens aanpassing van de zorgregeling. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft vanwege haar re-integratie en het wegvallen van de opvang door de grootmoeder op donderdagen.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de vordering van de vrouw toe te wijzen, omdat het kinderdagverblijf een pedagogisch verantwoorde opvang biedt die bijdraagt aan de ontwikkeling van de minderjarige. De bezwaren van de man over afstand en extra wisselingen worden niet voldoende geacht om de vordering af te wijzen.

De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw toe en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De vorderingen van de man worden afgewezen. Daarnaast wordt een jeugd hulpverleningstraject ingezet om de communicatie en samenwerking tussen ouders te verbeteren, met een rapportage en mogelijke vervolgonderzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: Vervangende toestemming verleend voor inschrijving bij kinderdagverblijf en ouders verwezen naar jeugd hulpverleningstraject.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens: C/02/446348 / KG ZA 26-150
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Vonnis in kort geding tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de inschrijving bij een kinderdagverblijf
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. R.P.V.W. Willems te ‘s-Hertogenbosch,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. T. Ziai te Gorinchem,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 7 april 2026 betekende dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties, ontvangen op 20 april 2026;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met productie ontvangen op 22 april 2026.
1.2.
Op 23 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is er een vertegenwoordigster namens de Raad verschenen om de voorzieningenrechter over de vordering te adviseren. Bijzondere toegang werd verleend aan een rechter in opleiding.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie [minderjarige] is geboren.
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4.
De minderjarige verblijft bij de vrouw.

3.De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1.
De vrouw vordert in conventie, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw, ter vervanging van de toestemming door de man aan de vrouw, vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op [kinderdagverblijf] te [plaats 1] (gemeente Heusden);
II. de man te veroordelen in de kosten van onderhavig geding, de kosten van juridische bijstand daaronder begrepen.
3.2.
De man voert verweer tegen de vordering van de vrouw in conventie en concludeert tot ontzegging van de vorderingen van de vrouw, niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vordering dan wel tot afwijzing van die vordering. In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. primair: de zorgregeling aan te passen, in de zin dat [minderjarige] van maandagavond 19.00 uur tot en met donderdagavond 19.00 uur bij de man verblijft, in plaats van tot woensdagavond 19.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] donderdagavond na haar werk ophaalt bij opa (vz);
II. subsidiair: de zorgregeling aan te passen, in de zin dat opa (vz) [minderjarige] op donderdagochtend ophaalt bij de vrouw en dat de vrouw [minderjarige] na haar werk ophaalt bij opa (vz);
III. althans dusdanige beslissingen te nemen als de voorzieningenrechter in het belang van [minderjarige] geraden acht.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen in reconventie en concludeert tot afwijzing van de vorderingen althans deze vorderingen als ongegrond c.q. niet steunend op de Wet te ontzeggen, een en ander met veroordeling van de man in de proceskosten in reconventie, waaronder de kosten van juridische bijstand.
Standpunt van de vrouw
3.4.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het navolgende aangevoerd. De vrouw vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij wordt ingeschreven bij [kinderdagverblijf] . [minderjarige] is enig kind en het is goed voor de ontwikkeling van [minderjarige] als zij in contact komt met andere kinderen. Kinderopvang speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van kinderen door een stimulerende omgeving te bieden voor sociale, motorische en cognitieve vaardigheden. In het kader van de re-integratie met ingang van maart 2026 naar aanleiding van ziekte na een duikongeval, dient de vrouw daarnaast haar werkzaamheden op de donderdagen te hervatten. Gelet op de in onderling overleg overeengekomen zorgregeling, heeft de vrouw op de donderdagen de zorg voor [minderjarige] . [minderjarige] verblijft op basis van die regeling van maandagavond te 19.00 uur tot woensdagavond 19.00 uur en om de week in het weekend van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man. Op de donderdagen paste voorheen de grootmoeder (mz) op [minderjarige] . De grootmoeder (mz) is vanaf maart 2026 niet meer in de gelegenheid om [minderjarige] op de donderdagen op te vangen, omdat ook de grootmoeder (mz) op de donderdag moet werken. De man heeft tot op heden zonder enige (legitieme) reden geweigerd om zijn toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] bij het kinderdagverblijf. De man wordt met de opvang op de donderdag niet gekort in zijn tijd met [minderjarige] en het maakt voor [minderjarige] geen verschil of zij op de donderdagen bij de grootmoeder (mz) verblijft of bij [kinderdagverblijf] . Door de schoonmoeder van de vrouw is voor [minderjarige] daar een uitzondering gemaakt om [minderjarige] snel te kunnen plaatsen. De schoonmoeder heeft bovendien al een band met [minderjarige] en [minderjarige] zal daar dus worden opgevangen in een vertrouwde en voor haar veilige omgeving. Bovendien woont de huidige partner van de vrouw in [plaats 2] . De vrouw heeft de intentie om naar verwachting eind 2026 dan wel begin 2027 haar intrek bij haar partner te nemen. De grootvader (vz) vervult een andere rol dan een pedagogisch professional. Ook de kinderen bij het gastgezin bevinden zich in een andere fase van hun leven. Zij zijn tenminste 8 jaren ouder dan [minderjarige] .
Er is thans geen reden om te tornen aan de huidige zorgregeling. Na de beëindiging van de relatie tussen partijen en het vertrek van de vrouw met [minderjarige] naar de grootouders (mz) in [woonplaats 1] , hebben partijen met een mediator tevergeefs getracht om te komen tot een ouderschapsplan. De vrouw is voornemens om in een bodemprocedure te komen tot een wijziging van voormelde zorgregeling ten aanzien van het vervoer van [minderjarige] , de aanvang- en eindtijden en een vakantieregeling. Ook wenst de vrouw te komen tot het vaststellen van kinderalimentatie en wenst de vrouw [minderjarige] in te schrijven bij een huisarts in de regio [woonplaats 1] . De vrouw heeft bovendien tot op heden niet kunnen beschikken over een deel van haar (persoonlijke) goederen.
Standpunt van de man
3.5.
Ter onderbouwing van zijn verweer en vordering in reconventie voert de man, samengevat, onder meer het navolgende aan. De man betwist de noodzaak tot plaatsing van [minderjarige] op een kinderdagverblijf met klem. Voor de ontwikkeling van [minderjarige] en het aangaan van sociale contacten is een plaatsing op een kinderdagverblijf niet noodzakelijk. [minderjarige] heeft al veel opvangmomenten en heeft daarbij ook sociale contacten met bijvoorbeeld haar neefjes. Ook bij het gastgezin, waar [minderjarige] iedere woensdag naartoe gaat, komt [minderjarige] met andere kinderen in contact. De man acht het niet in het belang van [minderjarige] dat zij, gelet op haar jonge leeftijd van net twee jaar, geconfronteerd wordt met nog een extra opvoedomgeving met nieuwe gezichten. Het is van belang dat [minderjarige] opgroeit in een rustige, stabiele en vertrouwde omgeving waarbij zij zich kan hechten aan de ouders en de grootouders. De man verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBZWB:2025:1895). Het contact met andere kinderen is thans geen ontwikkelingstaak voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft al veel verandering meegemaakt, zoals onder meer verschillende verhuizingen en het uiteengaan van partijen. De re-integratie van de vrouw en de wijziging in de opvang vanuit de grootmoeder (mz) op donderdagen, zijn opnieuw veranderingen voor [minderjarige] . De man begrijpt verder niet waarom de re-integratiewerkzaamheden van de vrouw niet op een andere dag kunnen plaatsvinden, nu zij werkzaam is bij haar schoonvader. Bovendien is de reistijd naar het [kinderdagverblijf] zo’n 16 á 24 minuten, terwijl er meerdere kinderdagverblijven op kortere afstand zijn waar [minderjarige] ook op korte termijn terecht kan. De keuze voor dit kinderdagverblijf is door de vrouw niet toegelicht. Het betreft het kinderdagverblijf van de schoonmoeder en schoonzus van de vrouw. De man maakt zich daarbij zorgen om de prille relatie van de vrouw met haar huidige partner en de wens om te gaan samenwonen. Ook zou de huidige gastouder de opvang kunnen uitbreiden naar de donderdag. Daarnaast is de grootvader (vz) bereid om op de donderdagen op [minderjarige] te passen. Dit is in het belang van [minderjarige] . Dit biedt [minderjarige] continuïteit en een vertrouwde omgeving en brengt minder kosten met zich mee. Het ligt dan in de rede om de huidige in onderling overleg overeengekomen zorgregeling, waarbij [minderjarige] feitelijk in twee weken zes nachten bij de man verblijft en acht nachten bij de vrouw, te wijzigen in die zin dat [minderjarige] op woensdagavond bij de man blijft slapen dan wel dat de grootvader (vz) [minderjarige] op donderdagochtend bij de vrouw ophaalt en de vrouw [minderjarige] op donderdagavond bij de grootvader (mz) ophaalt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de man en de kosten van de procedure moeten worden gecompenseerd.
De overige onderwerpen maken geen deel uit van dit geschil en kunnen in het kader van de aanhangig te maken bodemprocedure worden besproken.
3.6.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vorderingen in conventie en in reconventie vast. Het is de voorzieningenrechter gebleken dat de vrouw met ingang van maart 2026 haar re-integratie werkzaamheden op de donderdagen dient te hervatten én dat de grootmoeder (mz) op de donderdagen ook niet langer op [minderjarige] kan passen. Dit leidt ertoe dat de vrouw op de donderdagen, wanneer zij de zorg heeft voor [minderjarige] , geen oppas meer heeft voor [minderjarige] . Dit maakt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vordering in conventie. Nu de vordering van de man in reconventie verband houdt met ditzelfde onderwerp, zal de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij deze vordering eveneens aannemen.
4.2.
Namens de Raad is tijdens de zitting, samengevat, onder meer geadviseerd om de vordering van de vrouw in conventie strekkende tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op het [kinderdagverblijf] toe te wijzen. De Raad ziet geen bezwaren ten aanzien van deze inschrijving. Partijen hebben in onderling overleg een zorgregeling afgestemd, waarbij de donderdagen zorgdagen van de vrouw zijn. Het is dan ook aan de vrouw om de opvang van [minderjarige] op die dagen te regelen zoals zij geraden acht. Dit is anders wanneer de wijze van opvang indruist tegen de belangen van [minderjarige] . Hiervan is geen sprake. Een kinderdagverblijf heeft een pedagogisch beleid en biedt een andere setting dan opvang door de familie of een gastgezin. Het kinderdagverblijf is meer gericht op de cognitieve ontwikkeling van het kind en de voorbereiding op de schoolgang. Wanneer een kind van twee enkel wordt opgevangen door de familie, wordt bovendien geadviseerd om het kind naar de peuterspeelzaal te laten gaan. De praktische bezwaren van de man ten aanzien van de afstand zijn niet van dien aard dat de opvang niet in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. De afstand is te overzien en er is juist rekening gehouden met het voorkomen van een extra wisseling wanneer de vrouw op termijn zal verhuizen. De gewenste wijzigingen van de afspraken betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dient tussen partijen te worden gerealiseerd in een bodemprocedure al dan niet met de inzet van een traject via het Uniform Hulpaanbod. Een lichte interventie kan daarin volstaan.
4.3.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Vervangende toestemming inschrijving kinderdagverblijf
4.4.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Na het uiteengaan van partijen zijn zij in onderling overleg een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] iedere maandagavond vanaf 19.00 uur tot woensdagavond om 19.00 uur én om de week van vrijdagavond om 19:00 uur tot zondagavond om 19:00 uur bij de man verblijft. De overige tijd brengt [minderjarige] door bij de vrouw. De voorzieningenrechter zal deze tussen partijen overeengekomen zorgregeling dan ook als uitgangspunt nemen voor de vraag of de rechtbank vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op het [kinderdagverblijf] zal verlenen.
4.5.
Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aan de vrouw is om te bepalen hoe zij het ontbreken van de opvang voor [minderjarige] op de donderdagen wenst op te lossen. Dit is immers volgens de tussen partijen gemaakte afspraken een dag waarop [minderjarige] bij de vrouw verblijft. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de inschrijving van [minderjarige] bij het door de vrouw beoogde kinderdagverblijf indruist tegen de belangen van [minderjarige] . Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de opvang door een kinderdagverblijf ook zal bijdragen aan een goede ontwikkeling van [minderjarige] . Anders dan bij de opvang door familie, wordt bij een kinderdagverblijf een pedagogische opvoedomgeving geboden, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] en op termijn de voorbereiding van [minderjarige] op de schoolgang. Door de Raad wordt overigens bij kinderen van twee jaar oud die enkel worden opgevangen door de familie, geadviseerd om het kind naar de peuterspeelzaal te laten gaan. Met de opvang van [minderjarige] door het kinderdagverblijf wordt hetzelfde bereikt. De (praktische) bezwaren van de man, dienen naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin te leiden tot een ander oordeel. Nu de grootmoeder (mz) op de donderdagen niet langer op [minderjarige] kan passen, zal dit hoe dan ook een verandering met zich meebrengen voor [minderjarige] . De voorzieningenrechter heeft daarbij geen aanleiding om aan te nemen dat [minderjarige] door het verblijf bij het kinderdagverblijf op de donderdagen zal worden overvraagd. Bovendien is de afstand tussen de woning van de vrouw en het kinderdagverblijf te overzien en de vrouw heeft hiermee voorzien in het voorkomen van een extra wisseling op het moment dat de vrouw, zoals zij voornemens is, met haar nieuwe partner zal gaan samenwonen.
4.6.
Dat de wens van de vrouw om [minderjarige] in te schrijven op een kinderdagverblijf ertoe leidt dat de man de huidige zorgregeling wenst te wijzigen, maakt dit evenmin anders. Hiertoe ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding. De huidige zorgregeling wordt door partijen naar behoren uitgevoerd en de voorzieningenrechter ziet geen reden om op dit moment wijzigingen aan te brengen in deze regeling.
4.7.
Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter tot de conclusie komt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vordering in conventie van de vrouw wordt toegewezen. De vorderingen van de man in reconventie zal de voorzieningenrechter afwijzen.
4.8.
De voorzieningenrechter zal deze beslissing, gelet op de aard daarvan en omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
Uniform hulpaanbod
4.9.
Voorts is het de voorzieningenrechter op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken gebleken dat de verstandhouding en communicatie tussen partijen dringend verbetering behoeft. De ouders zijn met elkaar in discussie geraakt waardoor het overleg over belangrijke onderwerpen stagneert. Het lukt ouders vanwege de verstoorde verstandhouding tussen hen beide onvoldoende om het ouderschap voor [minderjarige] gezamenlijk vorm te geven en gezamenlijk de beslissingen te nemen die het meest in het belang van [minderjarige] moeten worden geacht.
4.10.
De voorzieningenrechter vindt het daarom nodig dat voor deze ouders en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben – na een onderbreking van de behandeling - tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio [plaats 3] (gemeente Maasdriel). De verwijzing heeft op 28 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.11.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.12.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).
4.13.
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd.
4.14.
Namens de vrouw is toegezegd binnen een aantal weken een bodemprocedure aanhangig te zullen maken bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. De voorzieningenrechter verzoekt de vrouw bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van de vermelding
UHA in KG met zaaknummer C/02/446348 / KG ZA 26-150én onder bijvoeging van dit vonnis.
4.15.
Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de in 4.14. genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.16.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .
4.17.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.18.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.19.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de nog aanhangig te maken bodemprocedure bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- in hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
-welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.20.
Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.21.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.22.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacyaspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Proceskosten
4.23.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.24.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
4.25.
Tot slot constateert de voorzieningenrechter dat partijen thans op een kruispunt staan voor wat betreft hun houding jegens elkaar. De voorzieningenrechter geeft de ouders mee om met de inzet van het Uniform Hulpaanbod vanaf nu een andere weg in te slaan en ervoor te kiezen om elkaar, hoe moeilijk soms ook, als ouders te ondersteunen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het is immers het meest in het belang van [minderjarige] wanneer haar ouders op een goede manier met elkaar kunnen samenwerken en gezamenlijk tot beslissingen kunnen komen over haar verzorging en opvoeding.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de toestemming van de man – vervangende toestemming om [minderjarige] voor opvang op de donderdagen in te schrijven op [kinderdagverblijf] te Nieuwkuijk;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
verwijst ouders en de minderjarige voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio [plaats 3] (gemeente Maasdriel). Het loket zal ouders en minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige (bij de vrouw) verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.4.
verzoekt het loket om uiterlijk
10 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
5.5.
verzoekt de vrouw bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding
UHA in KG met zaaknummer C/02/446348 / KG ZA 26-150én onder bijvoeging van dit vonnis.
5.6.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.7.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.8.
verzoekt de Raad wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.19 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.9.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
5.10.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leuven, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.