ECLI:NL:RBZWB:2026:4986

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446406 / JE RK 26-503
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij grootouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 mei 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar grootouders. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag, maar vanwege haar persoonlijke problematiek en onvoorspelbaar gedrag is zij momenteel niet in staat voor de minderjarige te zorgen.

De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn noodzakelijk omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en vrijwillige hulpverlening onvoldoende effect heeft. De moeder heeft geen vaste woonplaats, kampt met verslavingsproblematiek en is onvoorspelbaar, wat leidt tot onveilige situaties voor de minderjarige. De grootouders bieden een stabiele en veilige opvoedsituatie.

De moeder heeft stappen gezet, waaronder reclasseringscontact en begeleiding door zorginstanties, maar de voortgang is beperkt. De rechtbank stelt duidelijke voorwaarden voor de moeder om toe te werken naar terugplaatsing, zoals het verkrijgen van een vaste woonplaats en behandeling van haar problematiek. De verlenging wordt vastgesteld voor acht maanden met een tussentijds toetsmoment, waarbij de situatie opnieuw wordt beoordeeld.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de grootouders voor acht maanden met een tussentijds toetsmoment.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446406 / JE RK 26-503
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming, locatie Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door mr. E.M.A. Leijser, advocaat in Tilburg,
[de grootouders],
grootouders moederszijde, tevens pleegouders,
hierna te noemen de grootouders,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de grootouders;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 25 maart 2024 is de moeder belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds eind januari 2025 (volledig) bij de grootouders.
2.3.
Bij beschikking van 9 mei 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 mei 2025 tot 9 mei 2026. Daarnaast is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders moederszijde, eveneens met ingang van 9 mei 2025 tot 9 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI samengevat aangegeven dat de bij de start van de ondertoezichtstelling gestelde doelen niet of slechts gedeeltelijk behaald zijn. Er is een schema opgesteld voor de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . Voor zowel de moeder als de grootouders bleek het lastig om zich aan dit schema te houden. In augustus 2025 heeft de moeder [minderjarige] meegenomen tijdens een winkeldiefstal, waarna is besloten tot begeleiding bij de contacten. Dit heeft even geduurd, maar sinds december 2025 is er tweemaal per week contact, begeleid door [hulpverlening 1] . Naast positieve elementen zijn er ook zorgen over die begeleide contactmomenten. Het lukt de moeder niet om zich structureel aan de afspraken te houden. Er is sprake van wederzijdse affectie en regelmatig prettig contact, maar bij [minderjarige] is ook spanning rondom het contact zichtbaar. Het contact met de moeder, waarvan zij wil dat dit via [zorgcentrum] of haar advocaat plaatsvindt, is zeer minimaal. De moeder reageert niet en is niet bereikbaar, de reactie van [zorgcentrum] ontbreekt vaak, waardoor het geven van een schriftelijke aanwijzing noodzakelijk was. Hierin zijn voorwaarden opgenomen, die met [zorgcentrum] en de advocaat van de moeder besproken zijn. Daarbij is kenbaar gemaakt dat de moeder buiten de afgesproken contactmomenten geen contact met [minderjarige] moet zoeken. De belangrijkste voorwaarden waaraan de moeder moet voldoen om te kunnen werken naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar zijn:
- het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats;
- behandeling van de persoonlijke problematiek en verslavingsproblematiek van de moeder en zicht krijgen op haar medicatiegebruik;
- de GI moet zicht krijgen op de interactie tussen de moeder en [minderjarige] en op de opvoedvaardigheden van de moeder.
[minderjarige] is aangemeld voor speltherapie. Zij wordt nog steeds belast met de strijd en de conflicten tussen de moeder en de grootouders. Pleegzorg vanuit Sterk Huis is betrokken om de pleegouders hierin te ondersteunen.
4.2.
Door en namens de moeder is samengevat naar voren gebracht dat er veel gebeurd is in het afgelopen jaar. Er zijn de nodige stappen gezet. In het kader van de strafzaak in verband met de winkeldiefstal in augustus 2025 is de moeder verplicht reclasseringscontact opgelegd, waarna [zorgcentrum] betrokken is geraakt. De moeder wordt nu wekelijks gemiddeld vijftien uur door [zorgcentrum] begeleid. Daarnaast is de moeder onder bewind gesteld en is zij aangemeld bij [jeugdzorg] . Er zal worden ingezet op emotieregulatie en er zal diagnostiek moeten plaatsvinden. Vanwege een wachtlijst kan de behandeling pas over vier à vijf maanden starten. Verder is de moeder aangemeld bij [hulpverlening 2] in [plaats 1] , maar als ze daar gaat verblijven zal de begeleiding vanuit [zorgcentrum] moeten stoppen in verband met de financiering door de gemeente. De moeder wil daarom graag terug naar [hulpverlening 2] in [plaats 2] . Op 24 april 2026 vindt over dit alles een gesprek plaats. Dan zal ook besproken worden wat de GI nodig heeft van de moeder, want dat is de moeder nu niet duidelijk. De moeder vindt het prettig als haar begeleidster bij de contacten met [minderjarige] aanwezig kan zijn, zodat zij het verloop van de contacten achteraf kunnen bespreken. [zorgcentrum] ziet dat de moeder graag wil maar dat zij onmachtig is. Met de hulpverlening die nu wordt ingezet zal de moeder verdere stappen kunnen zetten maar zij had gehoopt dat er al grotere stappen gezet zouden zijn. De moeder is wel blij en gerust dat [minderjarige] bij de grootouders is, zij heeft het daar goed. De moeder vindt het dan ook in het belang van haar ontwikkeling dat zij bij de grootouders kan blijven. De moeder verzoekt echter om de duur van de verlenging van de maatregelen te beperken tot zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. Zo ontstaat er voor de moeder een stok achter de deur en kan zij goed doorpakken met de hulpverlening. De moeder betwist dat zij en/of [zorgcentrum] niet bereikbaar is/zijn. Er wordt door de GI geen contact met haar opgenomen.
4.3.
De grootmoeder heeft samengevat aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] . De speltherapie zal binnenkort van start gaan. [minderjarige] slaapt nu goed maar zij is wel bang dat de moeder onverwacht aan de deur verschijnt. [minderjarige] is gebaat bij rust, regelmaat en structuur. De moeder heeft hulp nodig. Het lukt haar niet zelf om haar leven op de rit te krijgen. Zij maakt vaak niet de goede keuzes en zij heeft hulp nodig om de juiste keuzes te maken voor zichzelf en voor [minderjarige] . [minderjarige] en de moeder houden heel veel van elkaar en [minderjarige] vindt het fijn om haar mama te zien. Zij wil graag meer met de moeder samen zijn maar gezien de gebeurtenissen in het afgelopen half jaar is dat nog niet mogelijk. De grootouders willen graag voor [minderjarige] blijven zorgen zo lang dat nodig is. De grootmoeder hoopt dat de situatie drastisch zal veranderen voor de moeder zodat de contacten tussen haar en [minderjarige] kunnen worden uitgebreid. Het doet de grootmoeder pijn om het verdriet van de moeder te zien.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, kort gezegd, dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling steeds verlengen met maximaal een jaar als nog aan artikel 1:255 lid 1 BW Pro wordt voldaan.
5.3.
In artikel 1:265b lid 1 BW is, kort gezegd, bepaald dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige kan verlenen als dat in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing steeds verlengen met maximaal een jaar.
5.5.
De kinderrechter is, gelet op de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek is besproken, van oordeel dat nog aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Zij legt hieronder uit waarom.
5.6.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Door de persoonlijke problematiek van de moeder is zij nu niet in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Er zijn zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en haar middelengebruik. Ook heeft zij op dit moment geen eigen woonruimte die geschikt is om [minderjarige] te kunnen laten verblijven. De moeder is onvoorspelbaar in haar handelen, waardoor zij [minderjarige] in situaties brengt die onveilig voor haar zijn. Zo heeft de moeder in aanwezigheid van [minderjarige] twee keer een winkeldiefstal gepleegd. Het is enerzijds moeilijk om met de moeder te komen tot afspraken die de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] waarborgen omdat de moeder enkel via [zorgcentrum] of haar advocaat met de GI wil communiceren en anderzijds is het lastig voor de moeder om, als er afspraken zijn gemaakt, deze goed en structureel na te komen. De grootouders bevinden zich in een ingewikkelde situatie omdat zij momenteel de opvoeders van [minderjarige] zijn, maar daarnaast zijn zij ook haar grootouders en ouders van de moeder. Er ontstaan regelmatig conflicten en dit is belastend voor [minderjarige] .
5.7.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De gestelde doelen binnen het gedwongen kader zijn nog niet of slechts gedeeltelijk behaald. Behalve het in het kader van de strafzaak inzetten van reclasseringsbegeleiding, de aanmelding voor hulpverlening bij [jeugdzorg] en de begeleiding door [zorgcentrum] , is de situatie van de moeder nagenoeg onveranderd. De moeder heeft (het voortzetten van) hulpverlening in een verplicht kader nodig om de voor haar noodzakelijke stappen te kunnen zetten en haar situatie positief te kunnen keren. Van daaruit kan worden gekeken of er kan worden toegewerkt naar een situatie waarbij een overdracht naar vrijwillige hulpverlening kan plaatsvinden.
5.8.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. In de komende periode moet verder gewerkt worden aan de doelen zoals deze eerder bij de start van de ondertoezichtstelling gesteld zijn.
5.9.
Het moet voor de moeder duidelijk zijn aan welke voorwaarden zij moet voldoen om te kunnen gaan werken aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar. Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek zijn door de GI de belangrijkste voorwaarden genoemd, namelijk:
- het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats;
- behandeling van de persoonlijke problematiek en verslavingsproblematiek van de moeder en zicht krijgen op haar medicatiegebruik;
- de GI moet zicht krijgen op de interactie tussen de moeder en [minderjarige] en op de opvoedvaardigheden van de moeder.
De kinderrechter wijst de moeder erop dat zij nu echt stappen vooruit moet gaan zetten. Zolang zij die stappen niet zet kan niet worden gewerkt aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Het is voor [minderjarige] van groot belang, gelet op haar leeftijd en de periode die zij al bij de grootouders verblijft, dat duidelijk gaat worden waar [minderjarige] gaat opgroeien. Het is dan ook noodzakelijk dat de moeder hulpverlening accepteert en stappen gaat zetten om aan de voorwaarden te voldoen. Voorts merkt de kinderrechter op dat de moeder zich goed aan de afgesproken contactmomenten moet houden. Dit betekent ook, hoe moeilijk dat ook voor haar is, niet onaangekondigd buiten de afgesproken contactmomenten om verschijnen bij de grootouders aan de deur, bij de school van [minderjarige] of bij haar sportactiviteiten. De moeder belast daar niet alleen de grootouders, maar met name [minderjarige] mee. Dit is niet in haar belang.
5.10.
Gebleken is dat [minderjarige] zich bij de grootouders goed ontwikkelt. Bij de grootouders wordt [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedsituatie geboden. Zij doet het ook goed op school. Verder zal er speltherapie starten. Zoals hiervoor al is overwogen is de situatie van de moeder op dit moment zodanig dat zij niet in staat is zelf voor [minderjarige] te zorgen. De moeder heeft aangegeven blij te zijn dat [minderjarige] bij de grootouders kan verblijven en dat zij goed voor haar zorgen. [minderjarige] kan volgens de moeder nu bij de grootouders blijven. De grootouders hebben aangegeven dat zij de zorg voor [minderjarige] op zich willen blijven nemen.
5.11.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen. De moeder heeft verzocht om de duur van de verlenging van de maatregelen te beperken tot zes maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. Gezien de ernst van de problematiek en de stappen die nog gezet moeten worden, acht de kinderrechter een verlenging van zes maanden te kort. Wel wordt aanleiding gezien beide maatregelen te verlengen voor de duur van acht maanden, onder aanhouding van het resterende verzoek, teneinde een tussentijds toetsmoment te creëren.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk op de in het dictum vermelde PRO FORMA datum een schriftelijk verslag bij de rechtbank in te dienen over het verloop en de resultaten van de lopende en de nog in te zetten hulpverlening, alsmede te berichten of het resterende verzoek al dan niet gehandhaafd wordt, onder toezending van een afschrift van dat verslag aan (de advocaat van) de moeder en aan de grootouders. In geval het resterende verzoek wordt gehandhaafd zal een nadere zitting worden gepland, waarvoor ook de Raad voor de Kinderbescherming zal worden uitgenodigd om de kinderrechter over het resterende verzoek te adviseren.
5.12.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 9 mei 2026 tot 9 januari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders moederszijde, met ingang van 9 mei 2026 tot 9 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot
1 december 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.11. is weergegeven;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven door mr. Pellikaan, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 in aanwezigheid van Dekkers als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.