ECLI:NL:RBZWB:2026:499

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C02/343229 / FA RK 18-1718
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek biologische vader om omgangsregeling na langdurige procedure

Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in Breda uitspraak gedaan in een zaak betreffende de vaststelling van een omgangsregeling tussen een biologische vader en zijn minderjarige dochter, hierna te noemen [minderjarige]. De biologische vader had verzocht om een omgangsregeling na een lange juridische strijd van ongeveer acht jaar. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, waarbij zij heeft overwogen dat de huidige situatie voor [minderjarige] beter is zonder contact met haar biologische vader. De rechtbank heeft vastgesteld dat de weerstand van [minderjarige] tegen omgang met haar vader zo groot is geworden dat gedwongen omgang ernstige nadelen zou opleveren voor haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat de resultaten van [minderjarige] op school zijn verbeterd sinds er geen omgang meer is. De rechtbank heeft benadrukt dat het de plicht van beide ouders is om zich in te spannen om de situatie te verbeteren, zodat er in de toekomst ruimte komt voor contact tussen [minderjarige] en haar biologische vader. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De uitspraak is gedaan door mr. van Leuven en is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, Van Dongen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/343229 / FA RK 18-1718
datum uitspraak: 29 januari 2026
Nadere beschikking van de rechtbank over vaststelling van een omgangsregeling
in de zaak van
[de biologische vader],
hierna te noemen: de biologische vader,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.V.C. van Sambeek te Eindhoven,
tegen
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal ,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als informanten in deze procedure aan:
[de juridische vader],
hierna te noemen: de juridische vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
[locatie] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de
Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 23 mei 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de F9-formulieren van mr. Teusink van 29 september 2025 met bijlagen, 19 oktober 2026, 20 januari 2026 met 6 producties en 21 januari 2026 met 1 productie;
- het F9-formulieren van mr. Van Sambeek van 17 oktober 2025, 21 januari 2026 met 4 producties en 23 januari 2026 met 1 productie.
1.2
Op 26 januari 2026 heeft de rechtbank de mondelinge behandeling van het verzoek met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de biologische vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de juridische vader;
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.
1.3
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 26 januari 2026 een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van de beschikking van 23 mei 2025.
Hierbij heeft de rechtbank bepaald dat de biologische vader en [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, in het kader van een omgangsregeling,
voorlopig, totdat definitief over de omgang is beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar gedurende één keer per maand een contactmoment van één uur, waarbij [zorgorganisatie] af en toe aansluit en een verslag maakt van het verloop van de contactmomenten.
De rechtbank heeft de verdere behandeling van het verzoek van de biologische vader aangehouden (tot 1 oktober 2025 pro forma), in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over de voortgang van de contactmomenten.
2.2.
De man heeft tegen de beschikking van 23 mei 2025 beroep aangetekend. Nog onbekend is wanneer het hoger beroep tijdens een mondelinge behandeling zal dienen.
2.3.
Bij beschikking van 5 november 2025 (in de zaak met kenmerk C/02/440309 / JE RK 25-1746) heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 10 november 2025 tot 10 november 2026.

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
Aan de orde is nog het verzoek van de biologische vader om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad
I. een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, waarbij hij en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar;
- gedurende de eerste maand eenmaal per twee weken op zaterdag van 13:00 uur tot 19:00 uur;
- en vervolgens gedurende eenmaal per twee weken van zaterdag 13:00 uur tot zondag 19:00 uur;
althans een zodanige regeling als de rechtbank vermeent te behoren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft dit keer met de rechter gesproken deels in aanwezigheid van haar moeder, deels alleen met de rechter en de griffier. [minderjarige] heeft in de kern verklaard, dat zij stopzetting wil van het traject naar contactherstel met haar (biologische) vader. Ook wil [minderjarige] dat haar vader stopt met het sturen van kaartjes. Volgens [minderjarige] bezorgt het gehele traject haar veel stress en buikpijn en kan zij op school merkbaar minder presteren wanneer er een omgangstraject loopt. Nu het traject stilligt, gaat het met [minderjarige] op school veel beter.
4.2.
Door en namens de biologische vader wordt, samengevat, aangegeven dat hij het omgangstraject tijdelijk heeft stilgelegd, omdat hij bemerkte dat de omgang [minderjarige] teveel stress bezorgde. Daarbij verklaart de vader niet tevreden te zijn over de door [zorgorganisatie] geboden omgangsbegeleiding. Volgens de vader pakte de omgangsbegeleider onvoldoende de regie, leek zij zich door hem persoonlijk aangevallen te voelen en liet zij bepaalde waardevolle informatie weg, zoals dat de vader [minderjarige] wel kaartjes bleef sturen. Naar de mening van de vader dient er een professionele omgangsbegeleider aangesteld te worden, zoals [omgangsbegeleider] . De vader merkt voorts op dat hijzelf inmiddels EMDR-therapie heeft gevolgd en dat hij zich intussen ingelezen heeft over het gedrag dat kinderen kunnen laten zien die zich in eenzelfde situatie bevinden zoals [minderjarige] . De vader merkt tot slot op dat hij tegen de beschikking van 23 mei 2025 hoger beroep heeft ingesteld en dat dat hoger beroep ertoe strekt om een omgangsregeling te laten vaststellen tussen hem en [minderjarige] zonder de aanwezigheid van de moeder, maar wel in aanwezigheid van een professionele omgangsbegeleider. De vader staat voor dat op die manier een frisse start wordt gemaakt. Daarbij staat de vader voor dat bij de rechtbank deze procedure wordt aangehouden, temeer omdat [zorgorganisatie] niet heeft onderzocht waarom [minderjarige] geen contact met haar vader wil, terwijl daartoe in de beschikking van 23 mei 2025 een opdracht was geformuleerd.
4.3.
Door en namens de moeder is bezwaar gemaakt tegen de door de vader verzochte aanhouding. De moeder wijst er op dat deze procedure inmiddels lopende is vanaf 2018. De moeder wil dat hier een einde aan komt. De moeder verwijst naar het door [zorgorganisatie] opgemaakte verslag van 15 september 2025.Daarin valt te lezen dat er op dat moment positieve ontwikkelingen zichtbaar waren, maar dat deze ondermijnd worden door verdere juridisering van de vader door tegen de beschikking van 23 mei 2025 in hoger beroep te gaan en door aanhouding te verzoeken van deze zaak. Daarbij is niet gebleken dat de moeder voor de omgang tussen [minderjarige] en haar vader geen emotionele toestemming zou geven en zij zou tegenwerken. Volgens de moeder adviseert [zorgorganisatie] in het meest recente verslag ook om een eindbeschikking af te geven. De moeder ondersteunt dat. Verder doorgaan met deze procedure acht de moeder niet in het belang van [minderjarige] . Naar de mening van de moeder heeft [minderjarige] last van de huidige gang van zaken en voelt [minderjarige] zich tot nu toe onvoldoende gehoord. Sinds het omgangstraject met de vader stil is komen te liggen, doet [minderjarige] het op school merkbaar beter. De moeder concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vader. Daarbij verklaart de moeder zich bereid om de vader eenmaal per kwartaal over [minderjarige] te blijven informeren. Tot november 2026 is nog een ondertoezichtstelling lopende.
4.4.
De (juridische) vader ondersteunt de visie en het standpunt van de moeder.
Hij betreurt dat [minderjarige] dit zo allemaal moet doorstaan. Volgens de vader heeft hijzelf inmiddels al eventjes ook geen contact meer met [minderjarige] . Nadat de moeder en hijzelf een conflict met elkaar hadden zijn zij uit elkaar gegaan, maar inmiddels zijn zij wel weer op constructieve wijze met elkaar in gesprek. De vader verwacht van daaruit ook weer in contact te kunnen komen met [minderjarige] . De vader adviseert de (biologische) vader ook een daadwerkelijke stap achteruit te zetten, om uiteindelijk verder te kunnen komen.
4.5.
De GI brengt naar voren dat sprake is van een schrijnende situatie. Tijdens de vorige mondelinge behandeling leek het er op dat wat betreft contactherstel tussen [minderjarige] en haar (biologische) vader nog een en ander bereikt kon gaan worden. De GI betreurt het dat die verwachting niet uit is gekomen. Naar de mening van de GI is het (te) lastig om te kunnen bepalen hoe lang een time-out van de omgang zou moeten voortduren om weer vooruit te kunnen komen. Alles overwegende sluit de GI zich aan bij het advies van [zorgorganisatie] en acht zij het het meest in het belang van [minderjarige] , indien de rechtbank in deze een eindbeschikking zal afgeven, omdat deze gehele kwestie de ouders, maar met name [minderjarige] teveel onrust bezorgt.
4.6.
De Raad brengt naar voren dat het een ingewikkelde kwestie betreft en dat het lastig is om in deze te bepalen wat wijsheid is. De Raad kan zich voorstellen dat [minderjarige] er klaar mee is. De Raad ziet ook dat er weinig terecht is gekomen van de opdracht die de rechtbank in haar beschikking van 23 mei 2025 had neergelegd om te onderzoeken waar de weerstand van [minderjarige] vandaan komt en waarom [minderjarige] zich zo sterk aan de aanwezigheid van haar moeder vastklampt. Naar de mening van de Raad wordt er teveel naar de (biologische) vader gekeken. Alles overwegende verklaart de Raad zich aan te sluiten bij het standpunt van de (biologische) vader.

5.De (nadere) beoordeling

5.10.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,
d. indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.11.
Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gebracht, dat het hoger beroep van de (biologische) vader tegen de tussenbeschikking van deze rechtbank van 23 mei 2025 gericht is tegen de wijze waarop de omgangsbegeleiding daarin door de rechtbank is ingericht. De vader opteert voor een professionele omgangsbegeleider in plaats van de persoon die via [zorgorganisatie] de omgang heeft begeleid.
5.12
Uit de stukken en de mondelinge behandeling is verder duidelijk geworden dat de door de rechtbank voorziene omgang, te weten een maandelijks contact van [minderjarige] met de vader, bij voorkeur, zeker in aanvang, in aanwezigheid van de moeder en regelmatig begeleid door [zorgorganisatie] maar een kort leven heeft geleid. De momenten waarop ouders samen met [minderjarige] zijn geweest worden door de ouders als rustig omschreven, met name waar het betreft de contacten tussen ouders onderling. Van [minderjarige] heeft de rechter tijdens het gesprek met haar vernomen dat het uur voor haar niet zo prettig was, omdat er steeds werd afgesproken op een plek in een restaurant waar [minderjarige] geen mogelijkheid had om zich even uit de setting terug te trekken door zich bijvoorbeeld aan spel over te kunnen geven. Op enig moment is de aanwezigheid van de moeder bij de contactmomenten verdwenen en enige tijd later heeft de vader de contactmomenten onder begeleiding van [zorgorganisatie] stilgelegd, omdat hij de spanningen bij [minderjarige] zag toenemen. Door het verloop, zoals hier beschreven, is er geen situatie ontstaan waarin in alle rust geobserveerd kon worden hoe [minderjarige] op de contacten met haar vader zou gaan reageren en op welke wijze daar mogelijk invloed op uit te oefenen zou zijn. Ook de vraag naar de betrekkingen tussen de moeder en [minderjarige] is onbeantwoord gebleven. Gelet ook op de inbreng van de juridische vader acht de rechtbank het niet uitgesloten dat de moeder, bedoeld of onbedoeld, bijdraagt tot de weerstand van [minderjarige] tegen haar biologische vader. Tijdens de volledige stillegging van de omgang, zoals nu aan de orde, is de weerstand van [minderjarige] tegen omgang met haar vader alleen maar toegenomen. De rechtbank heeft dit zo zelf in het gesprek met [minderjarige] kunnen vaststellen.
5.13.
De (biologische) vader bepleit thans een aanhouding van de zaak, in afwachting van de procedure bij het Hof. De moeder hecht aan een eindbeschikking van de rechtbank in de zin dat er rust voor [minderjarige] komt. De GI sluit zich aan bij het advies van [zorgorganisatie] , dat ook in de richting gaat van rust voor [minderjarige] . Naar de mening van de GI moet [minderjarige] aan haar verdere ontwikkeling kunnen gaan toekomen, zonder de belasting van deze zaak waarin er binnen afzienbare termijn geen enkele verbetering te verwachting valt. De Raad ziet ook het belang van rust voor [minderjarige] . De Raad wijst er tegelijkertijd op dat in de afgelopen periode niet is gewerkt aan de opdracht van de rechtbank om uit te zoeken waar de weerstand van [minderjarige] vandaan komt. De (juridische) vader heeft vanuit zijn positie als informant verteld, dat hij na het uiteengaan van hem en de moeder geen contact meer heeft gehad met [minderjarige] . De verhoudingen tussen hem en de moeder zijn een tijdlang ernstig verstoord geweest. Inmiddels is de (juridische) vader weer in constructief gesprek met de moeder. De (juridische) vader verwacht van daaruit ook weer in contact te kunnen komen met [minderjarige] . De (juridische) vader adviseert de (biologische) vader ook deze werkwijze te volgen.
5.14.
De rechtbank komt op basis van het bovenstaande tot een eindoordeel: Het verzoek van de (biologische) vader tot het vaststellen van een concrete omgangsregeling dient onder de gegeven omstandigheden te worden afgewezen. Zij overweegt hierbij dat de ouders er in de afgelopen periode onder begeleiding van de GI en met behulp van [zorgorganisatie] niet in zijn geslaagd om de door de rechtbank vastgestelde omgangslijn vast te houden. Doordat de omgang niet op de voorziene wijze heeft kunnen voortgaan, heeft de rechtbank ook geen verslag meer gekregen van de wijze waarop die omgangsmomenten zouden hebben kunnen verlopen. Met name de bedoelde aanwezigheid van beide ouders daarbij heeft niet meer tot een door de rechtbank nader te beoordelen ontwikkeling kunnen leiden. Inmiddels staat ook vast dat de weerstand van [minderjarige] tegen omgang met haar (biologische) vader zo groot is geworden, dat een gedwongen kader tot herstel van het contact met de vader averechts zal uitwerken. Naar het oordeel van de rechtbank zal verdere verplichte omgang ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Zij betrekt hierbij dat sinds er geen sprake meer is van omgang, de resultaten van [minderjarige] op school aanzienlijk zijn verbeterd. [minderjarige] ervaart de situatie op dit moment als rustig en voor haar beter dan de situatie in het verleden. De rechtbank benadrukt dat er geen sprake is van ontzegging van het recht op omgang: het is de plicht van beide ouders om zich te blijven inspannen de situatie zodanig te veranderen dat er voor [minderjarige] ruimte komt om haar biologische vader in haar leven toe te laten. Het advies van de juridische vader zouden de moeder en de biologische vader serieus moeten nemen.
5.15.
De rechtbank heeft zich nog afgevraagd of deze zaak in verband met het lopende hoger beroep zou moeten worden aangehouden. Echter is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat aanhouding niet bijdraagt aan het welzijn van [minderjarige] en de ouders. Nu deze eindbeslissing er ligt, kan de biologische vader overwegen daarvan in hoger beroep te gaan.
Het ligt dan voor de hand de lopende zaak bij het Hof te laten samengaan met een eventueel hoger beroep in deze zaak. Op die wijze kan het Hof de regie nemen, dan wel “ook” een definitieve (eind)beschikking nemen. De rechtbank is er zich van bewust dat zij afwijkt van het advies van de Raad.
5.16.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
5.17
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst het verzoek van de (biologische) vader af;
6.2.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. van Leuven, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.