ECLI:NL:RBZWB:2026:4990

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445751 / JE RK 26-384
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van der Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 798 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling moeder en minderjarigen vastgesteld, definitieve beslissing aangehouden

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen de moeder en haar twee minderjarige kinderen, die onder voogdij van de GI staan en in een gezinshuis verblijven. De kinderen vertonen na contactmomenten met hun ouders ernstig ontregeld gedrag, wat hun ontwikkeling schaadt en de stabiliteit van hun verblijf bedreigt.

De GI verzocht om een omgangsregeling van eens per acht weken onder professionele begeleiding, waarbij ook de oudere zus bij het contact met de moeder aanwezig kan zijn. De moeder en vader stelden dat frequenter contact wenselijk is, maar erkenden de complexe situatie en het ontregelde gedrag van de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte de noodzaak van deskundige evaluatie van de omgangsfrequentie en de impact op de kinderen.

De rechtbank oordeelde dat de vader geen belanghebbende is in deze procedure omdat het verzoek alleen de omgang tussen moeder en kinderen betreft en het recht van de vader op omgang niet wordt gewijzigd. De voorlopige omgangsregeling van eens per acht weken werd vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De definitieve beslissing wordt aangehouden in afwachting van aanvullende rapportages van betrokken hulpverleners over de belangen van de kinderen en de omgangsregeling.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast waarbij de moeder eens per acht weken begeleid contact heeft met de minderjarigen en houdt de definitieve beslissing aan voor nadere deskundige informatie.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/445751 / JE RK 26-384
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking betreffende vaststelling omgangsregeling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
in de hoedanigheid van voogdes over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R. Shabazi te Den Haag.
De rechtbank merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zuid-West-Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
- de berichten van de GI van 13 april 2026;
- het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 20 april 2026;
- de aanvullende informatie van de GI, ontvangen op 21 april 2026;
- de tussenbeschikking van 22 april 2026.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 22 april 2026. Bij die zitting is verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat via een online verbinding. Ook is verschenen de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en twee vertegenwoordigers van de GI. De gezinshuisouders zijn, alhoewel correct opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1
De ouders hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende, thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] .
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] .
2.2
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.3
Bij beschikking van 4 november 2020 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 4 november 2020 en tot 4 november 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.
2.4
Bij beschikking van 24 maart 2022 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 24 maart 2022 en tot 4 november 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.
2.5
Bij beschikking van 3 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 januari 2024 en tot 17 januari 2024. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.
2.6
Bij separate beschikkingen van 14 augustus 2024 zijn de verzoeken van de vader om mede met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast afgewezen en is bepaald dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot omgang, inhoudende dat er twee uur per week contact tussen hen plaatsvindt onder begeleiding en op het kantoor van [hulpverlening 1] in [plaats] (of onder begeleiding van een soortgelijke organisatie op neutraal terrein in de buurt van de minderjarigen), waarbij de regie over een eventuele wijziging in handen van de GI ligt, een en ander zoals overwogen in de beschikkingen.
2.7
Bij beschikking van 21 februari 2025 is de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen, zoals is vastgelegd bij beschikkingen van deze rechtbank van 14 augustus 2024, gewijzigd en is bepaald dat er geen contact plaatsvindt tussen de minderjarigen en de vader totdat de overplaatsing naar een vervolgplek is gerealiseerd en dat er na de overplaatsing zo snel als mogelijk en op geleide van hetgeen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dat moment aan kunnen wordt onderzocht of en zo ja op welke manier het contact tussen de vader en de minderjarigen kan worden hervat, waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsregeling in handen van de GI ligt.
2.8
Bij beschikking van 18 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) verleend met ingang van 18 april 2025 en tot 4 november 2025.
2.9
Bij beschikking van 21 oktober 2025 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 4 november 2025 en tot 4 januari 2026.
2.1
Bij beschikking van 4 november 2025 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.11
Bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 is de beschikking van 21 februari 2025 voor zover deze ziet op de omgang tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader tot heden bekrachtigd en voor zover deze ziet op de omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader vanaf heden vernietigd, waarbij de bij beschikking van 14 augustus 2024 vastgestelde omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader is gewijzigd en de volgende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is vastgesteld:
- de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben recht op begeleide omgang met elkaar eenmaal
per zes weken onder begeleiding van een professionele instantie;
- waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader in handen van de GI ligt.
2.12
Bij beschikking van 24 februari 2026 is de bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 vastgestelde omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader gewijzigd en is met ingang van de datum van deze beschikking de volgende omgangsregeling vastgesteld tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader, waarbij:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader recht hebben op begeleide omgang met elkaar eenmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie;
- de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader in handen van de GI ligt.
2.13
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 1:377a lid 2 BW een omgangsregeling vast te stellen, in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens in de acht weken begeleide omgang hebben met hun moeder en hun oudere zus [minderjarige 3] , dan wel een regeling zoals in goede justitie vast te stellen.

4.De standpunten

4.1
De GI handhaaft het verzoek. De GI acht het van belang dat er een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en hun oudere zus [minderjarige 3] ) wordt vastgesteld, zodat daar duidelijkheid over komt. De omgang tussen de moeder en de minderjarigen is de afgelopen tijd heel wisselend verlopen. De moeder was lange tijd niet bereikbaar voor de GI en gedurende die tijd was er geen contact tussen de moeder en de minderjarigen. Daarna vond het contact tussen de moeder en de minderjarigen eenmaal per zes weken plaats onder begeleiding voor de duur van een uur. Vervolgens heeft het contact tweemaal eens per acht weken plaatsgevonden onder begeleiding voor de duur van een uur. Bij het derde contactmoment is de moeder op het laatste moment niet verschenen, omdat zij problemen had met vervoer. De minderjarigen hebben daar erg veel last van gehad. Tijdens de contacten wordt gezien dat de moeder erg chaotisch is en veel sturing nodig heeft, maar ook dat de minderjarigen erg blij zijn om haar te zien. Het contact tussen de minderjarigen en hun vader vindt ook eens per acht weken plaats en op dezelfde dag als het contact tussen de minderjarigen en de moeder, om zo de belasting van de contacten voor de minderjarigen te beperken en hun hersteltijd erna te vergroten. Om deze redenen sluit de zus van de minderjarigen ook aan bij het contact tussen de minderjarigen en de moeder. Deze manier van het vormgeven van de contacten de afgelopen tijd positief verlopen. Het nadeel hiervan is dat niet precies duidelijk wordt hoe de minderjarigen reageren op het contact met elk van hun ouders, maar dat vindt de GI in dit geval van ondergeschikt belang. Meer contactmomenten kunnen de minderjarigen op dit moment namelijk niet dragen. Zij krijgen zodanig veel prikkels tijdens de contacten dat zij deze op dit moment, ook als het gaat om positieve prikkels, niet goed verwerkt krijgen. Zo vertonen de minderjarigen na afloop van de contacten fors ontregeld gedrag, waarbij zij verhoogde spanningen en angst laten zien, moeite hebben om hun emoties te reguleren, slaapproblemen ervaren en snel prikkelbaar zijn. Er is dan sprake van zodanig veel onrust dat de minderjarigen nauwelijks tot ontwikkeling komen en voortdurend één-op-één-begeleiding nodig hebben. De ontregeling begint ongeveer een week na de contacten en duurt gemiddeld zo’n vijf weken voort en trekt een zware wissel op de minderjarigen zelf en op het gezinshuis, dat zorgdraagt voor hun stabiliteit, veiligheid en emotionele welzijn. De GI acht het gelet op de vele overplaatsingen van de minderjarigen van groot belang dat hun plaatsing in het gezinshuis behouden blijft. Daarom hebben de minderjarigen op dit moment al elk een eigen logeergezin om het gezinshuis te ontlasten. De minderjarigen hebben bovendien voldoende rust en herstelmomenten nodig voor de intensieve behandeling (traumatherapie) die zij volgen. Vanwege al het voorgaande is het noodzakelijk om een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen vast te stellen op basis waarvan zij contact hebben eens per acht weken onder begeleiding, voor de duur van een uur. De zus kan dan ook bij deze contacten aansluiten. Deze omgangsregeling biedt de minderjarigen ruimte voor rust, stabiliteit en verwerking, en sluit aan bij hun huidige emotionele en psychische draagkracht. Deze omgangsregeling is ook passend gelet op de forse instabiliteit in het leven van de moeder. Het lukt de moeder niet om afspraken na te komen en met de GI in contact te blijven. De GI zal de komende tijd blijven onderzoeken welke andere wijzigingen er kunnen worden aangebracht om de ontregelingen van de minderjarigen te verminderen. Er zijn immers ook andere triggers die de ontregelingen kunnen veroorzaken. Er zal daarnaast worden gekeken of er per minderjarige een andere omgangsregeling kan gelden gelet op het verschil in levensloop van de minderjarigen en hun mogelijk verschillende behoeftes. Daarbij benoemt de GI desgevraagd dat de traumabehandelaar van de minderjarigen expliciet is gevraagd om zich uit te laten over het verzoek van de GI om een omgangsregeling vast te stellen, maar dat de traumabehandelaar heeft aangegeven dat zij daar op dit moment geen advies over wil en kan geven, omdat zij zich nu niet richt op het contact. Tot slot benoemt de GI dat er al wekelijks een gedragsdeskundige bij het gezinshuis aanwezig is om het gedrag van de minderjarigen te observeren.
4.2
Namens de moeder wordt allereerst opgemerkt dat de vader in deze procedure terecht als informant is aangemerkt, net zoals de moeder in de procedure waarin de omgang tussen de vader en de minderjarigen is gewijzigd, als informant werd aangemerkt. Hier dient geen verandering in te worden aangebracht.
Vervolgens wordt door en namens de moeder verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder wil graag dat het contact met de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en hun zus [minderjarige 3] , frequenter plaatsvindt. Eens per acht weken is te weinig. De focus ligt nu ook alleen op het verminderen van het contact, terwijl de GI aangeeft dat er meer triggers zijn die maken dat de minderjarigen zo fors ontregelen na het contact met de ouders en dat er aan diverse knoppen wordt gedraaid om de minderjarigen zo snel mogelijk te stabiliseren. Mogelijk vertonen de minderjarigen zodanig ontregeld gedrag, omdat zij hun moeder en hun zus missen. In dat geval moet er juist worden overgegaan tot frequenter contact. Nu de bij de minderjarigen betrokken professionals zich niet hebben uitgelaten over welke frequentie van de contacten in het belang van de minderjarigen is, althans daarover geen stukken zijn ingediend, dient het verzoek voor enkele weken te worden aangehouden, zodat deze informatie alsnog kan worden opgevraagd en kan worden ingebracht in de procedure.
In aanvulling op de advocaat benoemt de moeder dat zij het heel erg vindt dat de minderjarigen telkens zo ontregelen na afloop van een contactmoment. Dit komt volgens de moeder omdat de minderjarigen haar missen. Zij gaat hier zelf ook aan ten onder en valt daardoor terug in middelengebruik. De moeder zou de minderjarigen daarom liever vaker zien en, als dat niet wordt toegestaan, maar één keer per jaar contact willen hebben. Volgens de moeder weten de minderjarigen dan waar zij aan toe zijn en kunnen zij zich verder focussen op hun leven in het gezinshuis. De moeder zal de minderjarigen dan tijdens het volgende contactmoment vertellen dat zij daarna lange tijd niet meer komt. Zij kan dan aan zichzelf gaan werken en haar leven op orde brengen. Zus [minderjarige 3] kan het overige contact met de minderjarigen dan op zich nemen. Tot slot benadrukt de moeder dat het contact niet op dezelfde dag als het contact tusssen de vader en de minderjarigen dient plaats te vinden, ook gelet op de grote angst die [minderjarige 3] nog steeds voor de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft.
4.3
Namens de vader wordt allereerst naar voren gebracht dat hij als belanghebbende dient te worden aangemerkt in deze procedure, net zoals in de procedure bij het Hof thans het geval is. Er is eerder vastgesteld dat er sprake is van family life tussen de minderjarigen en de vader. Bovendien raakt het contact tussen de moeder en de minderjarigen de vader rechtstreeks in zijn belangen door de wijze waarop de GI het contact met beide ouders vormgeeft.
De vader is verder net als de moeder van mening dat het contact tussen de minderjarigen en de ouders niet op dezelfde dag dient plaats te vinden, met name omdat er, ingeval van contact op verschillende dagen, meer zicht kan komen op hoe de minderjarigen reageren op het contact met elk van hun ouders. Volgens de vader zorgt het verminderen van het contact, gelet op de hechte band die de minderjarigen met hun ouders hebben, mogelijk voor de ontregeling bij de kinderen en de weerslag daarvan op hun gedrag. Zij missen hun ouders nu twee maanden en dat is wellicht problematischer voor hen dan wanneer zij vaker contact met hun ouders hebben. Het is belangrijk dat de bij de minderjarigen betrokken deskundigen zich daar over gaan uitlaten, zodat er een wetenschappelijke afweging kan worden gemaakt over de in het belang van de minderjarigen zijnde frequentie en vorm van de omgang. Daaruit zal blijken of het echt in het belang van de minderjarigen is om het contact met de ouders steeds verder te beperken. In afwachting daarvan dient het verzoek te worden aangehouden. De advocaat merkt voorts op dat er in het verzoekschrift is opgenomen dat er sprake is van een piek in het ontregelde gedrag van de minderjarigen na het contact met de ouders, terwijl er ook staat dat het ontregelde gedrag zo’n vijf weken voortduurt. Dit is in strijd met elkaar. Het lijkt de vader voorts goed om per minderjarige te bekijken welke frequentie in de omgang passend is voor hen. De vader vindt het verzoek tot slot vreemd ingestoken; de zus [minderjarige 3] heeft geen rol in deze procedure en het kan niet zo zijn dat het contact tussen de moeder en de minderjarigen alleen maar doorgang vindt als [minderjarige 3] daarbij aanwezig is. Dit moet daarom van elkaar worden losgekoppeld.
In aanvulling op de advocaat benoemt de vader dat de minderjarigen heel heftig hebben gereageerd toen de moeder tijdens het laatste contactmoment niet is verschenen. Zij waren hierdoor ook tijdens het contact met de vader, dat daarna plaatsvindt, erg van slag. Dit vond de vader enorm verdrietig voor de minderjarigen. Hij vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met allebei hun ouders contact kunnen hebben, maar hij vindt het ook zorgelijk dat het de moeder niet lukt om ervoor te zorgen dat het contact door kan gaan.
4.4
De Raad benoemt dat er sprake is van een heel complexe en verdrietige situatie met veel gemis, zowel bij de minderjarigen als bij de ouders. De minderjarigen hebben een zeer belast verleden en beschikken over een zeer beperkte draagkracht. Het ontregelde gedrag dat de minderjarigen na afloop van de contacten met de ouders vertonen kan echter ook voortkomen uit het gemis van hun ouders. Daarom acht de Raad het van belang dat de bij de minderjarigen betrokken deskundigen zich uitlaten over het contact met de ouders, over de vraag of de minderjarigen het aan kunnen dat hun zus bij het contact met de moeder aansluit, en over hoe dit wordt onderzocht en of dit wordt geëvalueerd. De Raad vraagt zich eveneens af of er afstemming plaatsvindt tussen de bij [minderjarige 1] betrokken instantie [hulpverlening 2] en het bij [minderjarige 2] betrokken medisch kinderdagverblijf. Het lijkt de Raad voorts nogal veel voor de minderjarigen om het contact met hun beide ouders op dezelfde dag te laten plaatsvinden en dit lijkt evenmin passend vanwege de zeer verstoorde verhouding van de ouders. Zo kan bovendien niet worden onderzocht hoe de minderjarigen reageren op elk van de ouders. Op welke manier het contact dan wel zou moeten worden vormgegeven is voor de Raad thans niet duidelijk; daar is de informatie van de deskundigen voor nodig. Het lijkt de Raad goed als hiervoor observaties plaatsvinden tijdens de contactmomenten met de beide ouders en nadien in het gezinshuis. De Raad vindt het verder nodig dat er per minderjarige wordt gekeken naar welke omgang met de ouders passend is. Tot slot merkt de Raad op dat de visie van de moeder zeer schokkend is. Het zou traumatisch en opnieuw een verlieservaring voor de minderjarigen zijn als de moeder hen vertelt dat zij hen een lange periode niet gaat zien. De Raad juicht het wel toe dat de moeder aan zichzelf wil werken en haar leven weer op orde wil krijgen.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de procespositie van de vader
5.1
In artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat – voor zover hier van belang – onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Een belanghebbende in de zin van dit artikel heeft specifieke processuele rechten en bevoegdheden, zoals het recht om het verzoekschrift en de beschikking toegezonden te krijgen, (in principe) alle stukken in te kunnen zien, opgeroepen te worden voor en toegang te krijgen tot de zitting en hoger beroep in te stellen.
5.2
Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt een ouder zonder gezag die de minderjarigen niet verzorgt en opvoedt als informant aangemerkt, tenzij er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat een (kinderbeschermings)procedure leidt tot de inmenging in zijn familie- en gezinsleven.
5.3
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vader niet is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen en dat de minderjarigen niet bij de vader woonachtig zijn. Voorts stelt de rechtbank vast dat het verzoek van de GI alleen ziet op de vaststelling van een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen. Het recht van de vader op omgang met de minderjarigen wordt hierdoor niet aangetast en er wordt geen wijziging aangebracht in de reeds eerder vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen. De vader heeft geen omstandigheden aangevoerd, die maken dat het verzoek van de GI tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen een – in dit verband relevante – inmenging vormt in zijn gezinsleven met de minderjarigen of dat deze verzochte omgangsregeling kan leiden tot een rechterlijke beslissing die het recht op gezinsleven van de vader rechtstreeks raakt. Gelet hierop kan de vader niet als belanghebbende worden aangemerkt. Om die reden zal de rechtbank daar niet toe overgaan.
Ten aanzien van het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling
5.4
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat – onder andere – dat de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een omgangsregeling kan vaststellen of wijzigen. Dit artikel moet blijkens vaste rechtspraak zo worden uitgelegd dat de daarin aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling over de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen, dan wel het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen, mede aan de gecertificeerde instelling toekomt die de voogdij uitoefent. [1] Tot de taak van de voogd behoort immers – mede – het in acht nemen van het recht van de betrokken minderjarige op omgang met de niet met het gezag belaste ouder, evenals het recht op en de verplichting tot omgang van die ouder met zijn of haar kind, voor zover dit niet onverenigbaar is met de belangen van het kind.
5.5
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.6
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat beide minderjarigen al erg veel hebben meegemaakt in hun jonge levens en dat zij al veelvuldig van verblijfplaats zijn gewisseld, waardoor zij ontzettend kwetsbaar zijn. De minderjarigen verblijven in een gezinshuis waar hen een gespecialiseerde verzorging en opvoeding wordt geboden die aansluit bij wat zij nodig hebben. Daarnaast worden beide minderjarigen intensief behandeld voor onder meer hun trauma’s en hechtingsproblematiek.
5.7
De rechtbank begrijpt voorts uit de uitgebreide informatie van de GI dat de minderjarigen met name na een omgangsmoment met de ouders zeer ontregeld gedrag vertonen, waarbij zij verhoogde spanningen en angst laten zien, moeite hebben om hun emoties te reguleren, slaapproblemen ervaren en snel prikkelbaar zijn. Er is dan sprake van zodanig veel onrust dat de minderjarigen nauwelijks tot ontwikkeling komen en voortdurend één-op-één-begeleiding nodig hebben. Deze ontregeling duurt gemiddeld zo’n vijf weken voort. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van de minderjarigen hierdoor ernstig geschaad. Het risico bestaat dat de minderjarigen als gevolg van deze langdurige ontregelingen niet toekomen aan voldoende rust en herstelmomenten, terwijl zij die herstelmomenten juist zo hard nodig hebben. Ook blijkt uit de overgelegde stukken dat de voortzetting van het verblijf van de minderjarigen in het gezinshuis door de ontregelingen onder druk komt te staan, terwijl deze plaatsing noodzakelijk is voor de stabiliteit, de veiligheid en het emotionele welzijn van de minderjarigen. De rechtbank acht het dan ook van belang dat deze plaatsing behouden blijft. Het perspectief van de minderjarigen ligt immers ook in het gezinshuis.
5.8
Vanwege het voorgaande en gelet op de thans beschikbare informatie is de rechtbank van oordeel dat de thans uitgevoerde omgangsregeling op basis waarvan de minderjarigen en de moeder contact hebben eens per acht weken onder begeleiding op dit moment en gelet op de thans beschikbare informatie het meest in het belang van de minderjarigen lijkt. Deze omgangsfrequentie komt overeen met de omgangsfrequentie tussen de minderjarigen en de vader en zal de minderjarigen naar verwachting ruimte bieden voor rust, stabiliteit en verwerking, en aansluiten bij hun huidige emotionele en psychische draagkracht. Dit acht de rechtbank gelet op het zeer verontrustende gedrag en de forse ontregelingen van de minderjarigen na afloop van de omgangsmomenten op dit moment in hun belang noodzakelijk. Tegelijkertijd vindt de rechtbank het met de Raad en de ouders van groot belang dat de bij de minderjarigen betrokken deskundigen zich over de omgang gaan uitlaten, zodat duidelijk wordt of de belangen van de beide minderjarigen daadwerkelijk worden gediend met de huidige omgangsfrequentie van eens per acht weken voor de duur van een uur.
5.9
De rechtbank zal daarom een
voorlopigeomgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen bepalen inhoudende dat zij contact met elkaar hebben eenmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie voor de duur van een uur. De rechtbank zal geen omgangsregeling bepalen tussen de minderjarigen en hun oudere zus [minderjarige 3] , nu [minderjarige 3] vanwege haar leeftijd niet in deze procedure is betrokken en de regie over deze contacten bij de GI, die in de hoedanigheid van voogdes over zowel [minderjarige 1] , [minderjarige 2] als [minderjarige 3] bij hen is betrokken, behoort te liggen. De rechtbank zal de definitieve beslissing op het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling aanhouden, in afwachting van een door de GI in te dienen korte briefrapportage met daarbij gevoegd informatie van zowel de bij [minderjarige 1] betrokken instantie [hulpverlening 2] als het bij [minderjarige 2] betrokken medisch kinderdagverblijf. In deze briefrapportages dient in ieder geval antwoord te worden gegeven op de volgende vragen;
  • Wat is de visie van [hulpverlening 2] en het medisch kinderdagverblijf op de verzochte omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen, op basis waarvan zij eens per acht weken contact hebben met elkaar? Wordt deze omgangsfrequentie het meest in het belang van de minderjarigen geacht?
  • Wat zien zij als voornaamste reden van de ontregeling?
  • Wordt het in het belang van de minderjarigen geacht dat het contact met hun beide ouders op dezelfde dag plaatsvindt?
  • Kunnen de minderjaringen het aan dat hun oudere zus [minderjarige 3] bij de contactmomenten met de moeder aansluit? Hoe wordt dit onderzocht en wordt dit geëvalueerd?
  • Vindt er afstemming plaats over de minderjarigen tussen [hulpverlening 2] en het medisch kinderdagverblijf (en de GI)?
Indien mogelijk dienen deze vragen (mede) te worden beantwoord aan de hand van het verrichten van observaties van de minderjarigen tijdens de contactmomenten en nadien in het gezinshuis. De GI dient de briefrapportages
uiterlijk één week voor de hierna te noemen nadere zittingin te dienen bij de rechtbank, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de (advocaat van de) moeder.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.1
De rechtbank zal de voorlopige omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5.11
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
bepaalt dat de moeder en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
voorlopiggerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar éénmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie;
6.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de Raad, de moeder en haar advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, op
[datum] 2026 te [uur], ten overstaan van de rechter mr. Van de Merbel voor de duur van ongeveer 60 minuten, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.4
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor genoemde zitting voor de GI, de Raad, de moeder en haar advocaat;
6.5
bepaalt dat de vader en zijn advocaat en de gezinshuisouders per aparte brief zullen worden opgeroepen voor de genoemde zitting;
6.6
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Merbel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:943