ECLI:NL:RBZWB:2026:4994

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447755 FA RK  26-2265
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253r BWArt. 1:253q BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing tijdelijke voogdij na schorsing gezag vader over minderjarige

Na het overlijden van de moeder in 2019 kreeg de vader het ouderlijk gezag over de minderjarige. Sinds de zomer van 2024 verblijft het kind bij haar grootouders moederszijde. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om tijdelijke voogdij toe te wijzen aan een gecertificeerde instelling (GI) vanwege de onbereikbaarheid en het niet uitoefenen van het gezag door de vader.

De vader was niet verschenen bij de zittingen en was nauwelijks bereikbaar, ondanks meerdere pogingen van de Raad en de rechtbank om contact te leggen. Het contact tussen vader en kind is ernstig verstoord en de vader is niet betrokken bij opvoeding, hulpverlening of schoolzaken. De grootouders verzorgen het kind en ondersteunen haar bij hulpverlening en school.

De rechtbank oordeelt dat de vader tijdelijk niet in staat is het gezag uit te oefenen, waardoor het gezag van rechtswege is geschorst. De GI wordt benoemd tot tijdelijke voogd om de belangen van de minderjarige te behartigen en praktische zaken te regelen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit en rust voor het kind te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de tijdelijke voogdij toe aan Stichting Jeugdbescherming Brabant en schorst het gezag van de vader over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447755 FA RK 26-2265
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking over een tijdelijke voogdij
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende op een onbekend gebleven adres.
[de oma] ,
Hierna te noemen de oma,
wonende te [plaats 1] ,
en
[de opa]
Hierna te noemen de opa,
wonende te [plaats 1]
gezamenlijk te noemen: de grootouders,
JEUGDBESCHERMING BRABANT,hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI), gevestigd te Tilburg

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 14 april 2026;
- het verzoek van de Raad, ingekomen op 30 april 2026;
- de brief van de Raad eveneens ingekomen op 30 april 2026;
- de oproeping van de man van 20 april 2026, aan hem toegestuurd via e-mail tezamen met een begeleidende brief;
- de oproeping van de man in de Staatscourant van 22 april 2026;
1.2.
Op 1 mei 2026 heeft de rechtbank de zaak, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
- de grootouders (moederszijde) via een videoverbinding;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de man niet bij de mondelinge behandeling verschenen. In verband met zijn eerdere afwezigheid bij de zitting op 14 april 2026 en het moeizame contact met de man heeft de griffier van deze rechtbank een e-mail aan de man verzonden waarin hij, naast de oproep in de Staatscourant, is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Tevens is de man erop gewezen dat hij advocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens kon benaderen voor rechtsbijstand als hij met haar contact zou opnemen. Dit heeft hij niet gedaan. Er was volgens de vertegenwoordigster van de Raad op 30 april 2026 nog contact met de man waarbij hem is verteld welk verzoek de Raad heeft ingediend en dat er op 1 mei 2026 om 9.00 uur een zitting hierover zou plaatsvinden. De man was dan ook op de hoogte van de zitting en is desondanks niet verschenen. De rechtbank heeft besloten de mondelinge behandeling voort te zetten in afwezigheid van de man.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige] uitgenodigd om haar mening te geven. [minderjarige] heeft niet van die gelegenheid gebruik gemaakt en geen gesprek gevoerd met de rechtbank.

2.De feiten

2.1.
De man is na het overlijden van de moeder in 2019 belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds de zomer van 2024 bij de grootouders(mz).

3.De verzoeken

C/02/445667 / JE RK 26-363
3.1.
De Raad heeft verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen tot haar achttiende verjaardag op 23 december 2026. Ook heeft de Raad verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders(mz) te verlenen tot 23 december 2026.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft bij brief van 30 april 2026 verzocht het verzoek te wijzigen naar primair benoeming van de GI tot tijdelijke voogdij over [minderjarige] en subsidiair om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders (mz).
C/02/447755 FA RK 26-2265
3.2.
Daarnaast is een verzoek gekomen met primair een verzoek benoeming van de GI tot tijdelijke voogdij over [minderjarige] en subsidiair een verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders(mz). De Raad heeft ter zitting laten weten dat dit als een nieuw verzoek kan worden beschouwd en dat de begeleidende brief als onderbouwing van dit verzoek kan worden gezien. Het nieuwe verzoek is geregistreerd onder nummer C/02/447755 FA RK 26-265.
3.3.
Beide verzoeken en zijn gelijktijdig behandeld bij de mondelinge behandeling van 1 mei 2026.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad, samengevat, aangevoerd dat de man al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om zijn gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Het lukt de Raad niet of nauwelijks om met de man in contact te komen. Hij heeft geen bij de Raad bekend adres, reageert niet op telefoon, e-mail en ook niet op Whatsapp-berichten terwijl deze laatste berichten wel gelezen lijken te worden. De enige manier om met de man in contact te komen is via de ex-partner van de man die vervolgens de man kan aansporen tot contact leggen met de Raad. Maar dat lukt niet altijd. De man heeft eerder gezegd dat hij beter bereikbaar zou zijn en geeft zelf aan dat hij ook bereikbaar is. Hij heeft naar eigen zeggen geen oproepen ontvangen. De man kan niet uitleggen waarom hij niet bereikbaar is. De Raad twijfelt hierdoor aan de bereidheid van de man om bereikbaar te willen zijn. De man is volgens de Raad dan ook onvoldoende bereikbaar om zijn gezag over [minderjarige] uit te oefenen.
4.2.
Daarnaast is er sprake van dreigend contactverlies tussen [minderjarige] en de man. [minderjarige] woont al ruim twee jaar volledig bij haar grootouders(mz) en het contact met de man is sinds de zomer van 2024 ernstig verstoord. [minderjarige] heeft slechts sporadisch contact gehad met de man en er was in de afgelopen periode maar éénmaal een afspraak waarbij zij elkaar fysiek hebben gezien. Het contact via de telefoon of met WhatsAppberichten is wisselend. De man zegt hierover dat het juist [minderjarige] is die hem negeert, wat bij [minderjarige] weer voor boosheid en onbegrip zorgt.
4.3.
De man is niet betrokken bij de opvoeding, bij de hulpverleningsinstanties en bij de school van [minderjarige] . Hij is dan ook niet op de hoogte van hoe het met haar gaat en wat zij nodig heeft. [minderjarige] wordt in december 2026 achttien jaar en het is van belang dat er zaken geregeld kunnen worden waaronder ook de pleegzorg van de grootouders(mz). Er is nog maar weinig tijd en [minderjarige] ervaart frustratie en spanning over de gezagskwesties. Zo is er eerder vervangende toestemming bij de rechtbank gevraagd voor een schoolreis naar Praag en is de vrees dat er vaker naar de rechtbank moet worden gestapt voor vergelijkbare situaties als [minderjarige] toestemming nodig heeft van de man.
4.4.
De Raad acht een tijdelijke voogdijmaatregel voor nu het meest passend. Inzet op het behalen van doelen die bij een ondertoezichtstelling zullen worden opgenomen, zoals bereikbaarheid en beschikbaarheid van de man zullen momenteel mogelijk alleen voor extra onrust zorgen bij [minderjarige] .
4.5.
Subsidiair verzoekt de Raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing af te geven bij het netwerkgezin (de grootouders mz) tot haar achttiende verjaardag. De Raad verwijst voor de onderbouwing naar het verzoek van 2 maart 2026.

5.Het standpunt van de andere belanghebbenden

5.1.
De man heeft geen mening bij de rechtbank gegeven. Uit de brief van de Raad van 30 april 2026 blijkt dat een raadsonderzoeker de man op 23 april 2026 telefonisch heeft gesproken. In dit gesprek heeft de man aangegeven dat hij dacht dat hij het gezag over [minderjarige] al kwijt was. De man heeft in dit gesprek eveneens gezegd dat hij het liefst zelf het gezag over [minderjarige] wil houden.
5.2.
[minderjarige] heeft geen kindgesprek gevoerd of haar mening op een andere wijze aan de rechtbank gegeven. Bij de Raad heeft [minderjarige] laten weten dat zij niet met de Raad in gesprek wil. De grootouders(mz) hebben aangevoerd dat zij denken dat het [minderjarige] zal helpen om meer rust te ervaren als er geen gedoe meer is omtrent belangrijke zaken. Zeker met het oog op het aanstaande eindexamen is deze rust voor [minderjarige] van groot belang. Het huidige gebrek aan contact met de man levert [minderjarige] verdriet en frustratie op, al zegt zij ook te vrezen dat de man voor of tijdens de eindexamenperiode contact met haar zal opnemen waarna ze weer van slag zal zijn. [minderjarige] wil volgens de grootouders(mz) de man wel blijven zien, maar het is wenselijk als het contact niet meer nodig is om gezagskwesties met hem te hoeven regelen. [minderjarige] heeft inmiddels hulpverlening kunnen aanvragen voor nader diagnostisch onderzoek. De grootouders(mz) geven desgevraagd aan een voorkeur te hebben voor een tijdelijk voogdij bij de GI, boven een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing bij hen, omdat [minderjarige] dan niet meer verplicht met de man in contact hoeft te worden gebracht.
5.3.
Namens de GI is aangevoerd dat zij zowel achter de gevraagde tijdelijke voogdij als achter de subsidiair verzochte ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing staan. De vertegenwoordiger van de GI geeft aan dat zij - indien gevraagd - willen meewerken aan het op zich nemen van de tijdelijke voogdij over [minderjarige] .

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Ingevolge artikel 1:253r lid 1 BW juncto artikel 1:253q BW benoemt de rechtbank een voogd indien één of beide ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen of indien het bestaan of de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is. Gelet op lid 2 van artikel 1:253r BW is het gezag, dat aan één of beide ouders toekomt, geschorst gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet. Ingevolge artikel 1:253q lid 3 BW kan de rechtbank een voogd benoemen indien het gezag van de gezaghebbende ouder geschorst is.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken is vast komen te staan dat het contact tussen [minderjarige] en de man uiterst moeizaam verloopt. Kort na het overlijden van de moeder van [minderjarige] woonde zij nog (gedeeltelijk) bij de man, maar sinds de zomer van 2024 woont zij hoofdzakelijk bij de grootouders(mz). De grootouders(mz) verzorgen [minderjarige] , brengen haar groot, zij steunen haar ook bij hulpverlening en schoolkeuzes. [minderjarige] staat ook ingeschreven bij hen en zij valt onder hun zorgverzekering, omdat er door de man niets voor haar was geregeld. De opvoeding van [minderjarige] is soms pittig maar zij wordt door haar grootouders(mz) goed verzorgd. De grootouders(mz) verdienen een compliment dat zij na het overlijden van hun dochter, hun kleinkind in huis hebben opgenomen en haar goed hebben verzorgd. Daarover bestaan bij de rechtbank en de Raad geen twijfels. De man is afwezig gebleken in zowel het contact met [minderjarige] , de grootouders(mz), de hulpverlening en de school. Hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij staat sinds 10 april 2024 ingeschreven in de BRP als niet-ingezetene en zijn feitelijke adres is onbekend. Er is geen adres bekend waarop de man post kan ontvangen. De man geeft aan te verblijven op een camping in [plaats 2] . Het heeft de Raad veel moeite gekost om, via zijn ex-partner, met hem in contact te komen. Van de eerdere uitspraak van de man dat hij voortaan beter bereikbaar zou zijn, is op geen enkele wijze gebleken. Dat de man vervolgens aangeeft dat hij niet onbereikbaar is en dat voor hem onduidelijk is waarom dat idee ontstaan is, acht de rechtbank dan ook onbegrijpelijk. De man is tegen het verblijf van [minderjarige] bij de grootouders(mz), maar zorgt ook niet voor haar en geeft op geen enkele wijze vorm aan zijn gezag. De man is bij de eerste noch bij de tweede mondelinge behandeling verschenen, terwijl er ook vanuit de rechtbank veel moeite is gedaan om hem hierbij aanwezig te laten zijn, zoals uiteengezet in rechtsoverweging 1.3. De rechtbank stelt dan ook op basis van het dossier, hetgeen ter zitting naar voren is gebracht én de eigen bevindingen vast dat de man niet, dan wel uiterst slecht, bereikbaar is en dat hij al bijna twee jaar geen (opvoed)beslissingen over [minderjarige] neemt.
6.3.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank, met de Raad, van oordeel dat het vrijwel onmogelijk is om snel en op korte termijn met de man in contact te komen om beslissingen over [minderjarige] te nemen. Dit brengt grote zorgen met zich mee als zich bijvoorbeeld een noodsituatie voordoet, maar belemmert [minderjarige] ook in de dagelijkse gang van zaken. Door zowel de grootouders(mz) als de Raad is aangevoerd dat [minderjarige] last heeft van de afwezigheid van de man in haar leven. [minderjarige] heeft volgens de oma nog meermalen (tevergeefs) geprobeerd om contact te leggen met de man. Ook de rechtbank gunt het [minderjarige] dat zij een soepeler contact heeft met de man. De GI heeft in dat kader laten weten dat zij zich ook bij een tijdelijke voogdijschap willen inspannen voor het contactherstel tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank vindt het spijtig dat er pas nu een regeling is gevraagd waar [minderjarige] , die al in december 18 jaar wordt, baat bij heeft. Gelet op de huidige omstandigheden ziet zij thans geen andere optie dan de man tijdelijk te schorsen in het gezag. De rechtbank spreekt hierbij de hoop uit dat deze beslissing [minderjarige] rust en ruimte geeft en dat zij op deze manier zonder extra spanning haar eindexamen tot een (succesvol) einde kan gaan brengen in de komende periode.
6.4.
Op grond van voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de man (al dan niet tijdelijk) in de onmogelijkheid verkeert om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Derhalve is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:253r, eerste lid, onderdeel a, BW. Daarmee is op de voet van het bepaalde in artikel 1:253r, tweede lid, BW het gezag van de man van rechtswege geschorst.
6.5.
De Raad heeft geadviseerd om de tijdelijke voogdij over de minderjarige op te dragen aan de GI. De GI heeft zich blijkens de toelichtende brief van 30 april 2026 (waarin mw. [persoon] van de GI is bevraagd) en de mondelinge verklaring van de zittingsvertegenwoordiger van de GI tijdens de zitting, bereid verklaard om met de tijdelijke voogdij over [minderjarige] te worden belast.
6.6.
De schorsing van de man in de uitoefening van het gezag brengt mee dat [minderjarige] niet onder het wettelijk vereiste gezag staat. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de GI belast wordt met de voogdij over haar. De rechtbank begrijpt dat de hulpverlening inmiddels is aangevraagd voor [minderjarige] en dat zij ook voor een eventuele vervolgopleiding geen toestemming nodig heeft van de man aangezien zij ouder is dan zestien jaar. Voor (medische) noodgevallen, vakanties in het buitenland of andere reisjes met de grootouders(mz) of vrienden en vriendinnen en bijvoorbeeld voor het aanvragen van legitimatie voordat zij achttien jaar is, is echter de toestemming van de man of een andere gezagsdrager nodig.
Door de GI met de tijdelijke voogdij te belasten kan [minderjarige] rust krijgen en zich vooral bezig houden met zaken die passen bij een zeventienjarig meisje dat in haar eindexamenjaar zit. De GI is daarbij als professionele neutrale instantie het meest geschikt om te handelen in het belang van [minderjarige] en daarbij voortvarend praktische zaken voor haar te regelen. De grootouders(mz) kunnen na deze beschikking pleegzorgbegeleiding en een pleegzorgvergoeding ontvangen en deze pleegzorg kan ook nog doorlopen na de achttiende verjaardag van [minderjarige] .
6.7.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de Raad om de GI te benoemen tot tijdelijke voogdes over [minderjarige] toewijzen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de GI zich daartoe bereid heeft verklaard.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.8.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen uitgevoerd kan worden.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
benoemt Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, tot tijdelijke
voogdes over:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2028 te [geboorteplaats] ;
7.2.
bepaalt dat aan Stichting Jeugdbescherming Brabant alle bevoegdheden ten
aanzien van de persoon en het vermogen van [minderjarige] , die in het belang van
[minderjarige] noodzakelijk zijn, worden toegekend;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van de beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. Maandag, rechtbank, in aanwezigheid van Joosen als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.