ECLI:NL:RBZWB:2026:5004

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447527 / FA RK 26-2149
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Gremmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking rechterlijke machtiging opname en verblijf bij dementie voor drie jaar

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 8 mei 2026 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, die lijdt aan dementie, te verlengen voor vijf jaar. Betrokkene verzet zich verbaal tegen opname en wil graag naar huis, maar de arts en verzorgende geven aan dat opname noodzakelijk is vanwege geheugenproblemen, desoriëntatie en het ontbreken van ziekte-inzicht.

Betrokkene verblijft reeds op basis van een eerdere machtiging tot 29 juni 2026 in een woonzorgcentrum. De rechtbank constateert dat betrokkene ernstig nadeel kan ondervinden bij terugkeer naar huis, zoals brandgevaar, verwaarlozing en financieel misbruik. Het verzet van betrokkene is consistent maar uitsluitend verbaal, zonder gedragsmatige uitingen van verzet.

De rechtbank oordeelt dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om ernstig nadeel te voorkomen en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. Gezien het verbale karakter van het verzet en het progressieve ziektebeeld acht de rechtbank een machtiging voor drie jaar passend, in plaats van de verzochte vijf jaar. De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en vertrouwt erop dat de vrijheden van betrokkene in de toekomst veilig kunnen worden uitgebreid.

Uitkomst: Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt verleend voor drie jaar in plaats van de verzochte vijf jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447527 / FA RK 26-2149
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking opvolgende rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een machtiging voor als bedoeld in artikel 24 Wet Pro zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonende bij de [accommodatie] , [woonzorgcentrum] te [plaats] ,
advocaat: mr. H.M.Th. de Pont uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 23 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026 bij de [accommodatie] , [woonzorgcentrum] te [plaats] . Daarbij zijn aanwezig en gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • arts, de heer [persoon 1] ;
  • verzorgende, tevens zorgverantwoordelijke, de heer [persoon 2] .
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen was de mentor van betrokkene, tevens dochter, niet bij de zitting aanwezig. De arts heeft de rechtbank te kennen gegeven dat zij de mentor bij specifieke vragen wel telefonisch kan bereiken. De rechtbank heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.Wat vaststaat

2.1.
De rechtbank heeft, bij beschikking van 29 december 2025, een rechterlijke machtiging verleend tot en met 29 juni 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in de [accommodatie] , [woonzorgcentrum] te [plaats] .
2.2.
Voor betrokkene is mentorschap ingesteld.

3.Het verzoek

3.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van vijf jaren.
4.
De standpunten
4.1.
Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat zij niet langer opgenomen wil blijven. Zij wil naar huis en mist de mensen van vroeger. Doordat zij opgenomen is, mist betrokkene veel van de buitenwereld en dat vindt zij moeilijk. Betrokkene wil graag weer onder de mensen komen en dat kan nu niet. Betrokkene herkent zich niet in het beeld dat zij vergeetachtig is. Zij vergeet wel eens wat, maar dat past bij de leeftijd. Ook kan betrokkene alles nog zelf, waardoor zij thuis kan wonen. Als men vindt dat dit niet kan, zoekt betrokkene een man die voor haar kan zorgen.
4.2.
De arts verklaart, samengevat, dat bij betrokkene sprake is van dementie. Betrokkene kent geheugenproblemen en verliest het overzicht. Bij betrokkene is geen sprake van ziektebesef en -inzicht. Betrokkene heeft een beschermende omgeving nodig waar haar structuur wordt geboden en er dingen voor haar kunnen worden ingevuld. In de ambulante setting is dit niet meer mogelijk. Het verzet van betrokkene is consistent en verbaal aanwezig. Desgevraagd verklaart de arts dat de verzochte periode van vijf jaar mogelijk noodzakelijk is, omdat de dementie zich nog niet in een vergevorderd stadium bevindt. Anderzijds kan het ook zo zijn dat het verzet in de loop van de tijd uitdooft en er steeds meer sprake is van gewenning. Aan het verzet is dan ook geen termijn te koppelen. Ten slotte zegt de arts dat betrokkene naar buiten mag, mits zij wordt begeleid in verband met desoriëntatie en verkeersveiligheid.
4.3.
De verzorgende vult hierop, samengevat, het volgende aan. Betrokkene vraagt regelmatig of zij naar huis kan. Betrokkene vraagt ook wel eens of zij naar buiten kan. Betrokkene kan dan naar de binnentuin waar zij in de zon gaat zitten. Op dit moment wordt er bekeken in hoeverre de vrijheden van betrokkene kunnen worden uitgebreid, bijvoorbeeld dat zij zelfstandig naar het restaurant kan gaan. Onderzocht moet worden wat hierin veilig is. De verzorgende bevestigt dat het verzet van betrokkene alleen verbaal is. Betrokkene doet mee aan activiteiten, maakt contact met anderen en lijkt het op de afdeling naar haar zin te hebben.
4.4.
De advocaat voert, samengevat, aan dat betrokkene consistent is in haar verbale verzet. Zij zegt naar huis te willen, echter de vraag is of dit verantwoord is. Bovendien heeft betrokkene geen woning meer. Gerefereerd wordt aan het oordeel van de rechtbank.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie. De rechtbank heeft geen reden om aan deze diagnose te twijfelen. Bij betrokkene uit zich dit in kortetermijngeheugenstoornissen, initiatiefverlies, apraxie en desoriëntatie in plaats en tijd.
5.2.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige financiële schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
5.3.
De rechtbank neemt hierbij onder andere in aanmerking dat betrokkene niet in staat is om voor zichzelf te zorgen. Eerder is betrokkene met een rechterlijke machtiging opgenomen, omdat zij plastic bakjes in de oven liet staan en er brand was ontstaan in haar woning. Ook was er sprake van gewichtsverlies door te weinig intake en werd van betrokkene financieel misbruik gemaakt. Haar woning was zeer vervuild. Wanneer betrokkene terug naar huis zou gaan, zou het ernstig nadeel zich opnieuw openbaren.
5.4.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene geeft duidelijk te kennen niet opgenomen te willen zijn. Zij geeft aan naar huis te willen. Gebleken is dat het verzet van betrokkene enkel verbaal is. Dit verbale verzet is consistent aanwezig.
5.5.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Betrokkene heeft 24-uurs zorg en nabijheid nodig, alsook sturing en toezicht. In de ambulante situatie is dit niet te realiseren. Bovendien lijkt betrokkene goed op de afdeling te gedijen.
5.6.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De rechtbank zal deze machtiging, anders dan is verzocht, verlenen voor de duur van drie jaren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verzochte duur van vijf jaren is bedoeld voor situaties waarin het onwaarschijnlijk is dat de noodzaak tot onvrijwillige zorg verdwijnt. Zoals tijdens de zitting uitvoerig is besproken en ook uit de overgelegde stukken blijkt, is het verzet van betrokkene enkel verbaal aanwezig. Betrokkene maakt bijvoorbeeld geen aanstalten om van de afdeling te vertrekken en staat niet aan de deur. Op de afdeling lijkt betrokkene het naar haar zin te hebben. Gelet hierop in samenhang met het progressieve ziektebeeld, acht de rechtbank een periode van vijf jaren dan ook niet passend, omdat niet verwacht wordt dat het verbale verzet van betrokkene voor genoemde periode aan zal houden. De rechtbank zal de machtiging daarom toewijzen voor de duur van drie jaren en hetgeen meer is verzocht afwijzen.
5.7.
Tot slot vertrouwt de rechtbank er op dat er in de komende periode zal worden gekeken naar de mogelijkheden voor een uitbreiding van vrijheden van betrokkene. Het zal betrokkene goed doen dat zij zo nu en dan, mits veilig, de afdeling onder begeleiding kan verlaten.
5.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats] ;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 8 mei 2029;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. Gremmen, rechter, in aanwezigheid van mr. Vos, griffier, en op schrift gesteld op 19 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.