ECLI:NL:RBZWB:2026:5006

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446411 / JE RK 26-505
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens complexe gezinssituatie

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2017 en 2020, die bij hun moeder wonen. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot mei 2026. De GI benadrukte de noodzaak van verlenging vanwege het complexe contacthersteltraject tussen de vader en de kinderen, waarbij vooral het contact met de jongste kind problematisch verloopt.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders en hun advocaten aanwezig, evenals een vertegenwoordiger van de GI. De kinderrechter sprak met het oudste kind en nam de standpunten van alle partijen in overweging. De moeder steunde de verlenging, hoewel zij vond dat voor het oudste kind geen verlenging nodig was. De vader vroeg om een kortere verlenging en een gelijktijdige procedure over de omgangsregeling.

De kinderrechter oordeelde dat de voorwaarden voor verlenging waren vervuld vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen, het ontbreken van communicatie tussen ouders en de noodzaak van regie door de GI. De verlenging werd voor een jaar toegekend en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Over de omgangsregeling zal in een aparte procedure worden beslist.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446411 / JE RK 26-505
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.M.F. Honders uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R. Joosen uit Dongen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder heeft de mondelinge behandeling bijgewoond door middel van een videoverbinding via Microsoft Teams.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 11 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter toelichting op het verzoek naar voren gebracht dat de afgelopen periode van de ondertoezichtstelling een traject bij de Gezinsmanager (hierna DGM) is gestart. Er is ingezet op het tot stand brengen van een structurele omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Eerder is gebleken dat er bij [minderjarige 1] , mede door trauma’s uit het verleden, geen ruimte is om hieraan te werken. Het contactherstel is dan ook enkel gericht op de omgang tussen de vader en [minderjarige 2] . In het kader van het traject bij DGM bevindt de ouderschapsbemiddeling zich in de fase waarin er één op één gesprekken zijn met de ouders. Daarnaast is op 12 januari 2026 een eerste poging gedaan voor een begeleid omgangsmoment tussen [minderjarige 2] en zijn vader. Na aankomst op de locatie is [minderjarige 2] echter volledig geblokkeerd waarna door de omgangsbegeleiding, na overleg met de gedragswetenschapper, is besloten om de omgang met de vader niet door te laten gaan. De GI maakt zich zorgen over de reactie die [minderjarige 2] liet zien. Het is de vraag waar de fysieke reactie van [minderjarige 2] vandaan komt. Ook lijkt de moeder geen emotionele toestemming te kunnen geven aan [minderjarige 2] om omgang te hebben met zijn vader. Er moet nader naar de situatie gekeken worden om hierover duidelijkheid te krijgen. De ouders communiceren verder niet met elkaar. Alle communicatie verloopt via hun advocaten en de hulpverlening. De GI is van mening dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de regie te blijven voeren. Daarbij moet worden bekeken op welke wijze de vader een rol in het leven van de kinderen kan krijgen. De situatie blijft heel complex. De komende periode zal er vanuit [hulpverlening] en DGM een helder beeld moeten komen en dient de beslissing genomen te worden voor de langere termijn in die zin of er wel of niet ingezet wordt op omgang tussen de vader en [minderjarige 2] . De GI heeft aangegeven dat door afwezigheid van de jeugdbeschermer zaken zijn blijven liggen en niet direct zijn opgepakt na de mislukte poging tot contactherstel in januari. De GI betreurt dit. Momenteel is de GI bezig met het maken van een plan en daarover zal de komende periode met ouders en de betrokken hulpverleners worden gesproken.
4.2.
Door en namens de moeder is aangegeven dat zij achter het verzoek van de GI staat om de ondertoezichtstelling te verlengen. Het traject bij DGM loopt nog en afgewacht zal moeten worden hoe dit verder verloopt. Ook zal moeten worden bekeken welke stappen al zijn genomen en welke mogelijkheden er nog zijn. Omdat voor [minderjarige 1] niet meer gewerkt wordt naar contactherstel acht de moeder een verlenging van de ondertoezichtstelling voor hem niet noodzakelijk. De vrouw betreurt het dat de nadruk wordt gelegd dat zij [minderjarige 2] beïnvloedt en dat daardoor geen omgang tot stand kan komen. Er worden concrete emotionele signalen gezien door de hulpverlening en daar moet volgens de moeder naar worden gekeken. Niet alleen de moeder, maar ook professionals van [hulpverlening] waren aanwezig voorafgaand aan het begeleide omgangsmoment. Er kan dan ook niet alleen een verwijt aan de moeder gemaakt worden. Zij komt de afspraken met de hulpverlening na. Ook krijgt zij aanvullende therapie om hiermee om te gaan. Zij ervaart nog steeds veel spanning door hetgeen in het verleden is gebeurd. Hiervoor zal ook aandacht moeten zijn. Er zal in de komende periode van de ondertoezichtstelling gekeken moeten worden naar de emotionele situatie van [minderjarige 2] , maar ook die van de moeder. Indien er geen jeugdbeschermer beschikbaar is, is het wel de vraag in hoeverre een ondertoezichtstelling nog een meerwaarde heeft.
4.3.
Zijdens de vader is aangevoerd dat het belangrijk is dat er meer druk op de ketel wordt gezet bij de GI. In de maanden na het geplande omgangsmoment in januari is er geen overleg geweest tussen DGM en de GI. De vader verzoekt de ondertoezichtstelling voor een korte periode te verlengen en de zaak dan aan te houden zodat concreet kan worden bekeken welke stappen er zijn gezet. Voorkomen moet worden dat het weer lang gaat duren voordat er iets gaat gebeuren. De vader verzoekt om de procedure over de omgangsregeling gelijk te laten lopen met de ondertoezichtstelling.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste Pro lid BW) is voldaan.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt dat er over beide kinderen nog steeds grote zorgen zijn. Er is heel veel gebeurd in het verleden en dat draagt nog steeds de nodige sporen na. Dit bleek ook uit het gesprek dat de kinderrechter met [minderjarige 1] heeft gevoerd. Verder is de reactie van [minderjarige 2] op de poging tot het herstel van het contact met zijn vader heel zorgelijk. De zorgen over de ontwikkeling van de kinderen zijn dan ook onverminderd aanwezig. Daarnaast is er tussen de ouders geen enkele vorm van communicatie. Het is ook de vraag in hoeverre hier in de toekomst nog iets in gaat veranderen, ook met het oog op hetgeen in het verleden is gebeurd. Hoewel de kinderrechter de frustraties van de vader begrijpt, zal het tempo van de kinderen moeten worden gevolgd. Er zal moeten worden bekeken wat de kinderen aankunnen en dit proces kan niet worden versneld. Tot op heden is er dan ook sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Hulpverlening in een vrijwillig kader is niet toereikend, omdat er dan onvoldoende regie kan worden gevoerd. Deze regie is nodig om alle hulpverlening te waarborgen en doorgang te laten vinden. De kinderrechter betreurt het dat door de afwezigheid van de jeugdbeschermer de afgelopen maanden weinig tot geen contact is geweest met de ouders enerzijds en DGM anderzijds. De GI heeft aangegeven aan de slag te gaan en de komende periode zullen dan ook een aantal zaken helder moeten gaan worden, zoals wat het verdere traject zal zijn. Tevens dient zicht verkregen te worden op de oorzaak van de (fysieke) blokkade bij [minderjarige 2] voorafgaand aan het begeleide omgangsmoment. De GI zal hierin concreet moeten gaan aangeven welke richting zal worden gekozen voor de toekomst. De kinderrechter verwacht dat dit alles niet in een periode korter dan een jaar zal worden gerealiseerd. Er is nog veel werk te verzetten en de ondertoezichtstelling geeft daarbij duidelijkheid over het kader en de waarborg voor de in te zetten hulpverlening. Over de omgangsregeling zal worden beslist in een andere procedure.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 11 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Boink als griffier, en op schrift gesteld op 26 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.