AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Minister weigert overname private schulden op grond van Wet hersteloperatie toeslagen
Eiser, die gedupeerde is van de kinderopvangtoeslagaffaire en onder curatele stond, verzocht de minister om overname van zijn private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister wees dit verzoek af omdat de schulden niet waren vastgelegd in een notariële akte en niet voor 1 juni 2021 opeisbaar waren. Eiser voerde aan dat de schulden wel degelijk voldeden aan de voorwaarden en dat bijzondere omstandigheden een uitzondering rechtvaardigen.
De rechtbank stelde vast dat de schulden niet opeisbaar waren voor de gestelde datum en dat het ontbreken van een notariële akte een wettelijke vereiste is. De rechtbank kon niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel vanwege het toetsingsverbod van artikel 120 GrondwetPro, en bevestigde dat de wetgever de gevolgen van deze voorwaarden heeft voorzien en bedoeld.
Eiser deed tevens een beroep op de hardheidsclausule wegens zijn medische en financiële situatie. Hoewel de rechtbank begrip had voor de ingrijpende omstandigheden, concludeerde zij dat er geen sprake was van een actuele, serieuze en structurele financiële nood die een uitzondering rechtvaardigt. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en kreeg eiser geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De minister heeft terecht geweigerd de private schulden over te nemen omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten en het beroep op de hardheidsclausule faalt.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6373 WHT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.T. Tilburg),
en
de minister van Financiën, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van de minister om een aantal private schulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de weigering gebleven. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geweigerd de private schulden over te nemen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
2. Eiser is van 2011 tot maart 2014 onder curatele komen te staan. Hij heeft destijds terugvorderingen moeten betalen aan de Belastingdienst/Toeslagen en is later aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.
2.1.
Eiser heeft een overeenkomst van geldlening gesloten op 17 februari 2012 voor een bedrag van € 10.000,-. Deze overeenkomst is ondertekend door [schuldeiser 1] (schuldeiser 1) en eiser, alsmede door de curator van eiser.
2.2.
Eiser heeft op 29 september 2015 een bedrag van € 9.200,- geleend van zijn broer, [schuldeiser 2] (schuldeiser 2), en met dat geld op dezelfde datum een schuld afgekocht bij de Belastingdienst/Toeslagen van € 9.192,-.
2.3.
Op 13 december 2023 heeft eiser aan Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om in aanmerking te komen voor overname van zijn private schulden. Op de schuldenlijst staan meerdere schulden, waaronder de hiervoor genoemde geldleningen.
2.4.
SBN heeft op 8 januari 2024 verzoeken uitgedaan aan de schuldeisers om het saldo en de opeisbaarheid van de openstaande vorderingen door te geven. Op 20 januari 2024 heeft schuldeiser 2 voldaan aan dit verzoek. Schuldeiser 1 is herinnerd aan het verzoek op 24 januari 2024, maar heeft hierop niet gereageerd.
2.5.
Met het besluit van 14 maart 2024 heeft de minister aangegeven dat de private schulden van eiser niet voor overname in aanmerking komen. Tegen dit besluit heeft eiser op 18 maart 2024 een bezwaarschrift ingediend.
2.6.
Met het bestreden besluit van 16 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister, mr. [vertegenwoordiger] .
2.9.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen stukken te overleggen ter onderbouwing van het beroep op de hardheidsclausule. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens een standpunt ingenomen betreffende de hardheidsclausule en eiser heeft hierop gereageerd.
2.10.
Partijen hebben desgevraagd niet aangegeven dat zij op een nadere zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek bij brief van 24 april 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of op goede gronden is geoordeeld dat de private schulden van eiser niet voor overname in aanmerking komen.
3.1.
De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van eisers ter zitting gedane verzoek om kwijtschelding van de schuld van zijn zoon bij DUO, die in het besluit van 14 maart 2024 is afgewezen, omdat dit geen private schuld is maar een publieke schuld. Het in deze procedure te beoordelen bestreden besluit ziet niet op die schuld.
3.2.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit stelt de minister dat de private schulden van eiser niet kunnen worden overgenomen omdat deze geldschulden niet zijn vervat in een notariële akte. Dit is echter wel een vereiste. [1] Ook stelt de minister dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de geldschulden voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. [2] Daarmee heeft eiser, volgens de minister, niet voldaan aan de wettelijke vereisten om voor overname van private schulden in aanmerking te komen.
Standpunt eiser
5. In het beroepschrift voert eiser aan dat de minister onterecht vasthoudt aan de eis van een notariële akte. Hij verwijst in dat kader naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2024. [3] Eiser vindt namelijk dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die ten onrechte niet in het oordeel zijn betrokken. Met betrekking tot de opeisbaarheid stelt eiser dat het opnemen van een afbetalingsschema niet past bij de omstandigheden waarin de overeenkomst is gesloten. Zo verkeerde eiser nog altijd in een moeilijke financiële situatie en zou de terugbetaling worden besproken wanneer daartoe de ruimte was voor eiser.
Voldoen eisers private schulden aan de voorwaarden voor overname?
6. In deze procedure moet de rechtbank beoordelen of de minister de schulden van eiser bij schuldeisers 1 en 2 moet overnemen. Uit het bestreden besluit volgt dat de schulden van eiser om twee redenen niet zijn overgenomen. Allereerst ontbreekt een notariële akte. Verder is niet gebleken dat de schulden van eiser voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden.
6.1.
Het doel van de Wht is het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Alleen wanneer een schuld opeisbaar is en niet wordt voldaan, kan de schuldeiser, al dan niet met tussenkomst van een deurwaarder, tot incassomaatregelen overgaan. De wetgever heeft daarom in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht bepaald dat alleen geldschulden worden overgenomen die voor 1 juni 2021 opeisbaar waren. Eiser stelt in beroep dat hij de schulden, zoals in de familiesfeer niet ongebruikelijk, pas hoeft terug te betalen als daar bij hem financiële ruimte voor zou gaan ontstaan en dat een afbetalingsschema hier niet bij past. Dat betekent dat eiser niet te maken heeft (gehad) met incassomaatregelen voor deze schulden. De rechtbank kan daarom in het midden laten of de informele schulden met een notariële akte, gerechtelijke uitspraak of vergelijkbaar document aannemelijk zijn geworden. Ook als het bestaan ervan wordt aangenomen, voldoen deze niet aan de voorwaarden, omdat ze niet opeisbaar waren voor 1 juni 2021. De schulden vallen dan ook niet onder het doel van de regeling. De minister heeft daarom het verzoek van eiser alleen al om deze reden mogen afwijzen.
6.2.
Het beroep van eiser strekt er tevens toe dat de rechtbank het vereiste dat een schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021, zoals opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, toetst aan het evenredigheidsbeginsel.
6.3.
De eis van opeisbaarheid van de schuld is vervat in de Wht, een wet in formele zin. Het zogenoemde toetsingsverbod van artikel 120 vanPro de Grondwet staat eraan in de weg dat de rechter een wettelijke bepaling toetst aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank kan dan alleen oordelen dat de toepassing van een wettelijk vereiste in een individueel geval achterwege moet blijven, als er sprake is van bijzondere omstandigheden. [4] Het moet dan gaan om een bijzondere omstandigheid die de wetgever bij de totstandbrenging van de wettelijke bepaling niet of niet ten volle heeft verdisconteerd in zijn afweging. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
6.4.
De rechtbank beantwoordt eerst de vraag of de wetgever de in deze zaak aan de orde zijnde gevolgen van (toepassing van) artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht heeft bedoeld en voorzien. Als de wetgever de gevolgen van de toepassing van dit artikel inderdaad heeft bedoeld en voorzien, kan de rechtbank vanwege het toetsingsverbod niet toekomen aan beantwoording van de vraag of artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake zou zijn van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
6.5.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 15 mei 2024 [5] beoordeeld of de wetgever de mogelijke gevolgen voor gedupeerde ouders van het vereiste van opeisbaarheid bij de totstandkoming van artikel 4.1 van de Wht onder ogen heeft gezien, en daarmee die gevolgen in de bepaling heeft verdisconteerd. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat zij tot geen andere conclusie kan komen dan dat dit het geval is. Met de bewuste en gemotiveerde keuze voor de overname van alleen die schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, heeft de wetgever voorzien dat niet alle gedupeerde ouders die in financiële moeilijkheden verkeren door de gevolgen van de kinderopvangtoeslagenproblematiek met deze schuldenregeling van hun schulden afkomen. De datum van 1 juni 2021 sluit aan bij de bekendmaking van de regeling voor private schulden, zoals is gebeurd bij brief van 25 mei 2021. De wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd, bijvoorbeeld door met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden aan te gaan. Alleen op 1 juni 2021 openstaande betalingsachterstanden op geldschulden worden overgenomen, niet de toekomstige termijnen. Het is namelijk niet het doel van de regeling om ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. De wetgever wilde nadrukkelijk alleen opeisbare schulden of achterstanden onder de regeling brengen. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort tot de kern van de regeling. Daaronder kunnen ook ouders vallen zoals eiser, die onder lastige omstandigheden veel moeite hebben gedaan om het ontstaan van (meer) achterstanden en schulden te voorkomen en die het als gevolg van de toeslagenproblematiek financieel moeilijk hebben. [6]
6.6.
Uit het voorgaande volgt dat de wetgever de gevolgen van de toepassing van het vereiste van opeisbaarheid heeft bedoeld en voorzien. Dat betekent dat de rechtbank vanwege het toetsingsverbod niet toekomt aan de vraag of artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht buiten toepassing moet worden gelaten omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.
6.7.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister de door eiser ter overname opgevoerde schulden toetsen aan de voorwaarde van opeisbaarheid. Zoals hiervoor onder 6.1 overwogen is niet voldaan aan deze voorwaarde. De minister heeft dus terecht gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de eis van opeisbaarheid van de schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister het beroep op de hardheidsclausule afwijzen?
6.8.
In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
6.9.
De hardheidsclausule kan dus worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. [7]
6.10.
Eiser doet een beroep op de hardheidsclausule en voert hiertoe aan dat zijn medische en financiële situatie dusdanig schrijnend en bijzonder is dat de strikte uitvoering van de Wht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Eiser heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij financiële en medische problemen en problemen met zijn curator heeft ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire. De rechtbank acht invoelbaar dat deze omstandigheden zeer ingrijpend zijn (geweest) voor eiser en zijn gezin. Wat betreft de nu te beoordelen actuele omstandigheden (zoals hiervoor vermeld onder 6.9) overweegt de rechtbank dat eiser weliswaar financieel nadeel heeft als gevolg van de weigering de opgevoerde informele schulden over te nemen, maar van een actuele, serieuze en structurele financiële nood is geen sprake. Eiser ontvangt sinds oktober 2020 een IVA-uitkering, omdat sprake is van een medische afzakker en niet of nauwelijks te verwachten is dat in de twee jaar hier-aansluitend verbetering zal optreden. Deze uitkering was weliswaar lager dan zijn inkomen voordat hij ziek werd, maar daartegenover staat dat eiser, volgens de overgelegde stukken van de inspecteur van de belastingdienst, in 2024 (en dus redelijk actueel) een inkomen had dat een stuk hoger lag. Daar betrekt de rechtbank bij dat uit de stukken in het dossier nog altijd niet blijkt dat de schuldeisers met eiser afspraken hebben gemaakt over terugbetaling van de geleende bedragen. Zonder af te willen doen aan de gevolgen van de medische en financiële problemen voor eiser, kan op basis van de overgelegde stukken niet worden aangenomen dat sprake is van een zodanige schrijnende situatie dat het maken van een nieuwe start wordt belemmerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Uit alles wat hiervoor is overwogen, volgt dat de minister terecht heeft besloten de opgevoerde private schulden niet over te nemen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 5 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht)
Artikel 4.1
1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 vanPro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten;
e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
(…)
Artikel 9.1. Hardheidsclausule
(…)
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister van Financiën afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3; (…)
Voetnoten
1.Dit staat in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
2.Dit vereiste staat in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.