Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5011

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/4587 en BRE 25/4588
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WmlArt. 18b WmlArt. 623 BWArt. 5:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen boete en waarschuwing wegens overtreding Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

Eiseres, een onderneming actief in aspergeteelt, kreeg een boete van €5.700 opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens twee overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en een waarschuwing voor het overtreden daarvan. De overtredingen betroffen het niet tijdig en volledig betalen van het minimumloon aan twee werknemers over betaalperiode 5 in 2022.

De rechtbank oordeelt dat de minister bevoegd was de boete op te leggen en dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd dat het minimumloon tijdig en volledig is betaald. De door eiseres overgelegde stukken, waaronder bankafschriften en loonstroken, toonden aan dat een deel van het loon te laat werd betaald en dat betaalbewijzen voor voorschotten ontbraken. De waarschuwing preventieve stillegging van werk is eveneens terecht opgelegd, ondanks het ontbreken van specifieke beroepsgronden hiertegen.

De rechtbank stelt vast dat de onjuiste tenaamstelling in de besluiten niet leidt tot onduidelijkheid over de geadresseerde. De beroepen van eiseres worden ongegrond verklaard, zij krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.J. Schouw op 3 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de boete en waarschuwing wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/4587 en BRE 25/4588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres] V.O.F., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 5.700,- (BRE 25/4588) die de minister heeft opgelegd aan eiseres wegens twee overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) en een waarschuwing (BRE 25/4587) vanwege het overtreden van de Wml. Eiseres is het niet eens met deze twee besluiten. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden de boete en de waarschuwing heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met de bestreden besluiten van 30 juli 2025 op de bezwaren van eiseres is de minister bij zijn besluiten tot oplegging van een boete en een waarschuwing aan eiseres gebleven.
2.1.
Eiseres heeft tegen elk van de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. De minister heeft op de beroepen afzonderlijk gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [vennoot] (vennoot), de gemachtigde van eiseres en mr. J. Boogaars-Veebrechts.
2.3.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiseres is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de teelt van asperges. In het kader van het Project Aspergeteelt werd op 7 juni 2022 op het perceel van eiseres aan de [adres] in [plaats] een inspectie uitgevoerd. Inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie waren daar om te controleren of onder meer de Wml werd nageleefd. De bevindingen zijn neergelegd in een boeterapport. Met betrekking tot de eerste werknemer, [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1] ), is opgenomen dat sprake was van een onderbetaling van € 251,43 bruto in betaalperiode 5 en een netto onderbetaling van € 93,88 in betaalperiode 6. Voor de tweede werknemer, [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2] ), is opgenomen dat zij in betaalperiode 5 € 251,43 te weinig brutominimumloon heeft ontvangen. Voor beide werknemers is vastgesteld dat over de betaalperiode 5 een bedrag van het minimumloon is nabetaald op 8 juni 2022. Naast dat het minimumloon moet worden uitbetaald, moet dit ook tijdig gebeuren. In het boeterapport zijn daarom ten aanzien van de twee werknemers overtredingen geconstateerd van de Wml.
3.1.
Naar aanleiding van het boeterapport heeft de minister met het besluit van 14 januari 2025 (primair besluit I) een bestuurlijke boete van € 5.700,- aan eiseres opgelegd wegens twee overtredingen van de Wml. Dit boete bedrag is als volgt opgebouwd:
  • € 2.850,- voor het onderbetalen van [werknemer 2] met € 251,43
  • € 2.850,- voor het niet tijdig en onderbetalen van [werknemer 1] met € 93,88
Het ging om betaalperiode 5, die liep van 25 april tot en met 22 mei 2022. De onderbetaling van loonperiode 6 van [werknemer 1] is buiten beschouwing gelaten. De hoogte van de boete is conform de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wml 2018 vastgesteld op € 3.000,- per overtreding. De boete is gematigd met 5% wegens het tijdsverloop tussen het boeterapport en de kennisgeving. De totale hoogte van de boete is daarom vastgesteld op
€ 5.700,-.
3.2.
Op 14 januari 2025 heeft de minister ook een besluit tot waarschuwing preventieve stillegging van werk opgelegd aan eiseres (primair besluit II). Dit houdt in dat bij herhaling van de overtreding of een soortgelijke overtreding, kan worden besloten eiseres te bevelen werkzaamheden te staken of niet aan te vangen.
3.3.
Eiseres heeft tegen de primaire besluiten I en II afzonderlijk bezwaar gemaakt.
3.4.
Met de bestreden besluiten is de minister bij de boete en de waarschuwing gebleven, onder verbetering van de motivering. Per abuis is in het boetebesluit opgenomen dat [werknemer 1] in betaalperiode 5 € 93,88 netto te weinig loon heeft ontvangen. Deze onderbetaling betreft echter betaalperiode 6, de periode die buiten beschouwing is gelaten. [werknemer 1] heeft in betaalperiode 5 een bedrag van € 251,43 bruto te weinig minimumloon gekregen. Het betreft een onderbetaling van 100%. Wat betreft de onderbetaling van [werknemer 2] en de vaststelling van de totale hoogte van de boete blijft de minister bij de in het besluit gegeven motivering.
Tenaamstelling besluiten
4. De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten en ook de primaire besluiten zijn gericht aan “ [V.O.F. 1] ”. Tijdens de zitting is aan de orde geweest dat dit een niet bestaande entiteit is. Eiseres is met haar volledige naam “ [V.O.F. 2] ” in het boeterapport als overtreder aangemerkt. Zij heeft wel “ [V.O.F. 1] ” als handelsnaam, zonder de aanduiding van de rechtsvorm vennootschap onder firma. De minister heeft in dit kader toegelicht dat beoogd was om in de bestreden besluiten ook “ [V.O.F. 2] ” aan te schrijven en dat dit voor eiseres voldoende duidelijk was, nu zij hiertegen geen gronden heeft gericht.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op wat is besproken tijdens de zitting en de beschikbare stukken, voldoende duidelijk is dat de bestreden besluiten zijn gericht aan eiseres, zijnde [V.O.F. 2] Het op de zitting gevoerde betoog van eiseres dat de opgelegde boete niet incasseerbaar zou zijn gelet op de onjuiste tenaamstelling in het bestreden besluit, maakt dit oordeel niet anders. De onjuiste tenaamstelling leidt niet tot onduidelijkheid over tot wie de primaire en bestreden besluiten zijn gericht.
Beroepsgronden
5. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een overtreding van de Wml. De werknemers hebben een volledig en tijdig loon ontvangen over betaalperiode 5 van het jaar 2022. De werknemers hebben zelfs meer dan het wettelijk minimumloon ontvangen. Subsidiair is eiseres van mening dat een overtreding van de Wml niet de oplegging van een combinatie van het boetebedrag en de waarschuwing rechtvaardigt.
Omvang van het geding
6. De minister heeft niet alleen een boete opgelegd aan eiseres, maar heeft ook besloten de inspectiegegevens openbaar te maken. De beroepsgronden van eiseres zien alleen op de boete en de waarschuwing.
Het toetsingskader
7. Omdat het opleggen van een bestuurlijke boete een sanctie met een bestraffend karakter is, worden aan de bewijsvoering van de overtreding en de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen gesteld. Gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geldt als uitgangspunt dat de bewijslast dat van een overtreding sprake is op het bestuursorgaan rust. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund.
7.1.
De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie zoals deze boete bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. [1]
7.2.
In artikel 7, eerste lid, van de Wml is – kort samengevat – bepaald dat een werknemer recht heeft op ten minste een minimumloon. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat de werkgever, met toepassing van artikel 623 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is het minimumloon tijdig te betalen.
7.3.
In artikel 623, eerste lid, van Boek 7 van het BW is bepaald wanneer het naar tijdruimte vastgestelde loon moet worden betaald, te weten: na afloop van het loontijdvak, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer is dan één maand.
7.4.
Op grond van artikel 18b, eerste en tweede lid, van de Wml wordt als overtreding aangemerkt het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in artikel 7.
7.5.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Was de minister bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen?
8. Eiseres voert aan dat de werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2] niet zijn onderbetaald. Zij zijn volledig en tijdig betaald. Deze werknemers zijn in dienst getreden als seizoenmedewerkers op afroep. In de arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat door de aard van het werk de arbeidsduur kan fluctueren, waardoor dagelijks of wekelijks meer of minder uren worden gewerkt dan overeengekomen. De gewerkte uren zijn per week bijgehouden en zijn ter verloning doorgestuurd naar ABAB. ABAB bleek niet in staat de loonstroken voor de werknemers binnen een maand na aanvang van de feitelijke werkzaamheden gereed te hebben, zodat eiseres een voorschot heeft betaald aan de werknemers. De werknemers hebben dit ook bevestigd hebben aan de Nederlandse Arbeidsinspectie.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens de arbeidsovereenkomsten van [werknemer 1] en [werknemer 2] een periode van één maand als salarisperiode geldt, waarbij de werkgever bij elke uitbetaling een schriftelijke specificatie verstrekt. Tussen partijen is in geschil of over betaalperiode 5 het brutominimumloon van € 251,43 van [werknemer 1] en [werknemer 2] tijdig en volledig is uitbetaald.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet aan de verplichtingen van de Wml om tijdig het minimumloon te betalen aan de twee werknemers heeft voldaan. Eiseres heeft haar stelling dat (tijdig) het minimumloon is betaald gelet op betaalde voorschotten, onvoldoende met verifieerbare bewijzen onderbouwd.
8.3.
Ten aanzien van [werknemer 1] geldt dat eiseres geen betaalbewijs van het minimumloon heeft verstrekt. Eiseres is door de minister gevraagd stukken over te leggen in de zin van artikel 18b van de Wml, waaruit blijkt dat het minimumloon tijdig is betaald. Hierop heeft eiseres correspondentie met haar salarisadministrateur en een e-mail met bankafschriften en loonstroken overgelegd. Uit de overgelegde stukken volgt dat een deel van het loon van [werknemer 1] over loonperiode 5, ter hoogte van € 97,90, eerst op 18 juli 2022 is uitbetaald. Tijdens de zitting heeft eiseres dit ook bevestigd. De rechtbank volgt de minister dat eiseres het bedrag van € 97,90 daarmee te laat heeft uitbetaald. Voor het overige deel dat volgens eiseres als voorschot zou zijn voldaan, ontbreken concrete en herleidbare betaalbewijzen. Eiseres heeft niet aangetoond dat het voorschot van € 240,-, dat op de later opgemaakte loonstrook van loonperiode 5 wordt genoemd, ook tijdig als deel van het loon van betaalperiode 5 is uitbetaald. Eiseres heeft niet aangetoond en geen twijfel doen ontstaan over dat sprake is van een overtreding van artikel 7, eerste en zesde lid, van de Wml.
8.4.
Voor [werknemer 2] geldt hetzelfde. Eiseres heeft geen controleerbare betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat het volledige brutominimumloon van € 251,43 over betaalperiode 5 tijdig is uitbetaald. Indien en voor zover het gestelde voorschot van
€ 240,-, dat is uitbetaald op 8 juni 2022, zou zien op loonperiode 5, dan geldt nog dat het minimumloon niet tijdig en niet volledig is uitbetaald. Bij gebreke van een andersluidende afspraak, was eiseres namelijk verplicht om uiterlijk direct na afloop van loonperiode 5, dus op 23 mei 2022, het volledige brutominimumloon te voldoen.
8.5.
De rechtbank concludeert dat eiseres artikel 7, eerste en zesde lid, van de Wml heeft overtreden. De minister was daarom bevoegd om een bestuurlijke boete op te leggen.
De waarschuwing preventieve stillegging van werk
9. Tegen het opgelegde besluit tot het geven van een waarschuwing preventieve stillegging van werk zijn geen specifieke beroepsgronden aangevoerd. In dit kader heeft eiseres enkel gesteld dat een overtreding van de Wml niet een combinatie van de boete en de waarschuwing rechtvaardigt. Dat vindt eiseres niet in verhouding staan tot de ernst van de zaak.
9.1.
Voor zover eiseres heeft willen opkomen tegen de waarschuwing ziet de rechtbank hierin geen reden om te oordelen dat de minister dit besluit ten onrechte heeft genomen. Eiseres heeft haar stelling niet onderbouwd. Voor zover namens eiseres ter zitting in dit kader nog is aangevoerd dat eiseres nu op scherp staat en bij één misstap een stillegging kan verwachten, maakt dat de opgelegde boete in combinatie met de waarschuwing niet zonder meer disproportioneel. Eiseres heeft zelf de naleving van de relevante regelgeving, waaronder de Wml, in de hand en kan zelf voorkomen dat de situatie die tot het boeterapport en de bestreden besluiten heeft geleid zich herhaalt.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 3 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 5:4:
De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml)
Artikel 7, eerste en zesde lid:
1. De werknemer die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt heeft voor de arbeid door hem in dienstbetrekking verricht, jegens de werkgever recht op een loon ten minste tot het bedrag, bij of krachtens de volgende artikelen onder de benaming minimumloon vastgesteld.
6. De werkgever is met toepassing van artikel 623 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek verplicht het minimumloon tijdig te voldoen.
Artikel 18b, eerste en tweede lid, voor zover relevant:
1. Als overtreding wordt aangemerkt:
a. het door een werkgever niet of onvoldoende nakomen van de op hem rustende verplichting tot girale voldoening van het minimumloon, bedoeld in artikel 7 en Pro 7a;
b. […].
2. Als overtreding wordt tevens aangemerkt het door de werkgever desgevraagd niet of niet tijdig aan de toezichthouder verstrekken van:
a. een opgave als bedoeld in artikel 626 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel andere bescheiden waaruit de in dat artikel voorgeschreven gegevens blijken;
b. […].
Burgerlijke Wetboek (BW)
Artikel 623 van Pro Boek 7, eerste lid:
1. Indien het in geld vastgestelde loon afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, houdt de werkgever de betalingstermijnen aan die gelden voor het naar tijdruimte vastgestelde loon voor vergelijkbare arbeid, tenzij met inachtneming van artikel 623 andere Pro termijnen zijn overeengekomen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 5:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.