ECLI:NL:RBZWB:2026:5025

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
11867559 \ CV EXPL 25-4355
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Goossens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering VvE tot betaling achterstallige en toekomstige VvE-bijdragen afgewezen voor achterstand, toegewezen voor toekomstige bijdragen

De Vereniging van Eigenaars (VvE) vordert betaling van achterstallige VvE-bijdragen en toekomstige bijdragen van een eigenaar die lid is van de VvE. De eigenaar erkent de betalingsachterstand, maar betwist de hoogte van de vordering en stelt dat de VvE onredelijk heeft gehandeld door direct te procederen terwijl overleg nog mogelijk was.

De kantonrechter stelt vast dat de eigenaar inderdaad achterstallige bijdragen had, maar dat deze inmiddels zijn voldaan, inclusief de bijdrage voor oktober 2025. De vordering tot betaling van deze achterstallige bedragen wordt daarom afgewezen. De vordering tot betaling van toekomstige bijdragen wordt toegewezen voor de periode van november 2025 tot juni 2027, tenzij het lidmaatschap eerder eindigt.

De gevorderde incassokosten worden afgewezen omdat de aanmaning niet voldeed aan de wettelijke eisen. De eigenaar heeft echter wel wettelijke rente betaald over de te late betalingen. De eigenaar wordt veroordeeld in de proceskosten, verminderd met reeds betaalde incassokosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: VvE-vordering tot betaling achterstallige bijdragen afgewezen wegens betaling, toekomstige bijdragen toegewezen tot juni 2027, eigenaar veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11867559 \ CV EXPL 25-4355
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
DE VERENIGING VAN EIGENAARS [eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: mr. J.N. Reijn, Reijn Retro,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- [gedaagde partij] is eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevend op het appartement aan [adres] . [gedaagde partij] is daarmee van rechtswege lid van de Vereniging van Eigenaars [eisende partij] .
- Voor het lidmaatschap van de VvE is het Modelreglement van 1973 [verder: het Modelreglement] van toepassing is. In artikel 18.2 van het Modelreglement is opgenomen:
“Met ingang van een nader in de akte te bepalen datum zal door de eigenaars ten behoeve van de vereniging bij wijze van voorschot-VvE-bijdragen maandelijks aan de administrateur worden overgemaakt een/twaalfde gedeelte van hun na te vermelden aanslag in het onder 1
bedoelde bedrag, bij welk bedrag gevoegd wordt een/twaalfde gedeelte van het bedrag dat de eigenaars uit hoofde van de in artikel 37 lid 7 bedoelde Pro omslag verschuldigd zijn, alsmede een in de akte te bepalen percentage van het totale bedrag van de begroting zulks tot het vormen van het reservefonds, hierna in artikel 31 omschreven Pro.”
Deze VvE-bijdrage is in 2024 voor [gedaagde partij] vastgesteld op een bedrag van € 144,60 per maand.
- In juli 2025 heeft de VvE een herinnering aan [gedaagde partij] gestuurd voor het betalen van de achterstallige VvE-bijdragen over de maanden maart tot en met juli 2025 voor een totaalbedrag van € 723,00.
- [gedaagde partij] heeft hierop een toelichting gevraagd en om een betalingsregeling waarbij hij € 50,00 per maand zou betalen. De VvE is daarmee niet akkoord gegaan. Wel heeft zij een andere betalingsregeling aangeboden.
- Op 5 augustus 2025 heeft de gemachtigde van de VvE een aanmaning gestuurd voor de VvE-bijdragen van maart tot en met juli 2025 en een restantbedrag van 2024, in totaal een bedrag van € 812,53.
- [gedaagde partij] heeft hiertegen dezelfde dag verweer gevoerd en opnieuw gevraagd om een betalingsregeling voor € 50,00 per maand. De VvE heeft het totaalbedrag naar beneden bijgesteld, omdat er over 2024 geen achterstand was. Daarnaast heeft zij om inkomensinformatie gevraagd in verband met de door [gedaagde partij] gewenste betalingsregeling. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen over een betalingsregeling.
- Op 19 augustus 2025 heeft de VvE per e-mailbericht laten weten dat als het openstaande bedrag niet binnen een week betaald zou worden, zij tot dagvaarding zou overgaan.
- Op 25 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] om uitstel gevraagd.
- Op 2 september 2025 heeft de VvE de dagvaarding aan [gedaagde partij] laten betekenen.

3.Het geschil

3.1.
De VvE vordert - samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van
[gedaagde partij] tot betaling van € 478,40, vermeerderd met rente en kosten en betaling van de servicekosten van € 144,60 per maand vanaf 1 oktober 2025.
3.2.
Daarbij voert de VvE aan dat [gedaagde partij] als lid van de VvE verplicht is om de jaarlijks vastgestelde VvE-bijdrage te betalen op grond van artikel 18.2 van het Modelreglement. Voor [gedaagde partij] is dat een bedrag van € 144,60 per maand. [gedaagde partij] heeft ondanks aanmaning niet betaald. De kosten die [gedaagde partij] daardoor heeft moeten maken, moet [gedaagde partij] daarom vergoeden.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de VvE.
3.4.
[gedaagde partij] betwist daarbij niet dat er een achterstand was in de betaling van de VvE-bijdrage aan de VvE. Hij voert echter het verweer dat de VvE al was gaan procederen, terwijl de gemachtigde van [gedaagde partij] nog gelegenheid had gevraagd om met hem te overleggen. Daarmee heeft de VvE volgens hem gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 3:13 BW Pro en het beginsel van fair play. De vordering is nihil, omdat verder inmiddels alles is betaald.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat dat [gedaagde partij] op grond van artikel 18.2 van het Modelreglement verplicht is om bij te dragen aan de kosten van de VvE van € 144,60 per maand en dat hij dit bedrag meerdere maanden niet had betaald.
Er blijkt niet meer van een achterstand in de betaling van de VvE-bijdrage
4.2.
De VvE vorderde bij dagvaarding een bedrag van € 912,20 aan achterstand over de maanden maart tot en met september 2025. Bij akte vermindering van eis heeft de VvE aangegeven dat zij ten onrechte de betaling van [gedaagde partij] van augustus 2025 niet had verwerkt en dat [gedaagde partij] na dagvaarding twee keer voor de VvE-bijdrage van september 2025 een bedrag van € 144,60 betaalde. Daarom heeft de VvE haar vordering op dit punt verminderd met een bedrag van € 433,80, zodat op dat moment, 10 september 2025, nog een vordering bestond aan achterstallige VvE-bijdrage van (€ 912,20 - € 433,80=) € 478,40.
4.3.
[gedaagde partij] heeft dit niet betwist. Wel heeft hij aangevoerd dat hij op 5 oktober 2025 een bedrag heeft betaald van € 586,70. Hiervan heeft hij ook een afdruk van een bankoverschrijving overgelegd. Uit de door hem overgelegde specificatie blijkt dat dit bedrag als volgt is opgebouwd:
achterstallige VvE-bijdragen
478,40
bij: incassokosten
93,45
rente
14,85
+
586,70
betaald d.d.5-10-2025
586,70
-
resteert
0,00
Daarnaast heeft [gedaagde partij] een betalingsbewijs overgelegd. Daarop staat vermeld de betaling van een bedrag van € 144,60 op 1 oktober 2025 voor ‘maand Okt’ op de rekening van de VvE. De VvE heeft niet betwist dat zij deze bedragen heeft ontvangen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde partij] de achterstallige VvE-bijdragen en de VvE-bijdrage voor de maand oktober 2025 heeft betaald. Daarom heeft de VvE geen belang meer bij haar vordering tot betaling van de achterstallige VvE-bijdragen en zal deze worden afgewezen.
Toekomstige VvE-bijdragen
4.4.
De VvE heeft ook betaling van de VvE-bijdrage gevorderd vanaf 1 oktober 2025 voor zover [gedaagde partij] deze niet tijdig en volledig zelf zal hebben voldaan. Voor deze vordering is van belang dat [gedaagde partij] een lange periode de verschuldigde bedragen niet heeft betaald. [gedaagde partij] heeft niet betwist dat ook in het verleden incassomaatregelen nodig waren over openstaande termijnen. Inmiddels heeft [gedaagde partij] de maandelijkse VvE-bijdrage van september en oktober 2025 wel voldaan, maar niet (altijd) op tijd. Daarom heeft de VvE naar het oordeel van de kantonrechter voldoende belang bij de gevraagde veroordeling, steeds vanaf de datum waarop elke toekomstige termijn opeisbaar zal worden. Deze vordering wordt toegewezen voor de duur van één jaar na dit vonnis, dus tot en met de maand juni 2026, tenzij het lidmaatschap van [gedaagde partij] eerder eindigt. De vordering tot toewijzing van de toekomstige VvE-bijdragen na juni 2027 zal de kantonrechter afwijzen, nu deze verplichting al uit het (bestaande) lidmaatschap van [gedaagde partij] volgt. Deze afwijzing betekent niet dat [gedaagde partij] de VvE-bijdrage dan niet meer hoeft te betalen, maar hij wordt er alleen niet toe veroordeeld.
[gedaagde partij] hoeft geen incassokosten te betalen
4.5.
De VvE vordert ook incassokosten. Bij akte vermindering van eis heeft de VvE toegelicht dat [gedaagde partij] op 1 augustus 2025 een bedrag van € 144,60 had betaald en dat zij dit niet had verwerkt in haar dagvaarding. Daarmee waren de incassokosten verschuldigd over een hoofdsom die € 144,60 lager was dan waarvoor de kosten waren aangezegd. Daarom heeft de VvE haar vordering op dit punt verminderd tot een bedrag van € 113,47, uitgaande van een hoofdsom van € 756,50.
[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat hij ook de incassokosten heeft betaald. Uit de specificatie blijkt dat in het bedrag [gedaagde partij] op 5 oktober 2025 aan de VvE betaalde, een bedrag van € 93,45 aan incassokosten is berekend.
4.6.
Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De door de VvE verstuurde aanmaning van 5 augustus 2025 voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen. In die aanmaning is namelijk betaling gevraagd van een hoofdsom die hoger is dan de hoofdsom die [gedaagde partij] op dat moment nog verschuldigd was. Daarbij is in de aanmaning een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen. Dat betekent dat [gedaagde partij] ten onrechte een bedrag van € 93,45 aan incassokosten heeft betaald.
[gedaagde partij] moet wel wettelijke rente betalen over de te laat betaalde VvE-bijdragen
4.7.
Op grond van artikel 6:119 BW Pro is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Verzuim treedt in, zodra de schuldenaar te laat is met betalen. Vast staat dat [gedaagde partij] over meerdere maanden te laat was met betalen en daarom in verzuim verkeerde. Over de periode tot 1 september 2025 heeft de VvE een bedrag berekend van € 14,85. Uit de specificatie van [gedaagde partij] blijkt dat hij dit bedrag al heeft betaald. Niet blijkt dat de VvE nog een belang heeft ten aanzien van deze vordering, zodat de kantonrechter de vordering op dit punt zal afwijzen.
[gedaagde partij] moet wel de proceskosten betalen
4.8.
[gedaagde partij] heeft pas na het uitbrengen van de dagvaarding de vordering van de VvE voldaan. Daarmee heeft hij het instellen van de onderhavige procedure nodig gemaakt en moet hij worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Dat betekent dat hij de proceskosten moet betalen. Dat de gemachtigde van de VvE de gemachtigde van [gedaagde partij] niet rechtstreeks op de hoogte heeft gesteld van het feit dat zij de dagvaarding had uitgebracht voordat de door haar genoemde 14 dagen overleg tijd waren verstreken, maakt dat niet anders. In verband daarmee overweegt de kantonrechter het volgende.
Ten eerste had [gedaagde partij] al erkend dat er een betalingsachterstand was van meerdere maanden. Niet blijkt dat de VvE hierin een verwijt gemaakt kan worden. Daarnaast heeft de VvE onverplicht een betalingsregeling aangeboden, waarmee [gedaagde partij] niet akkoord is gegaan. Hij wenste alleen een betalingsregeling op zijn voorwaarde, te weten betaling van een bedrag van € 50,00, omdat hij volgens hem niet méér dan dat kon betalen. De VvE heeft in verband daarmee om onderbouwing gevraagd. Die heeft [gedaagde partij] maar voor een deel gegeven. Tot slot heeft de gemachtigde van de VvE in haar e-mailbericht van 19 augustus 2025 uitdrukkelijk een allerlaatste betalingstermijn van een week gegeven en aangekondigd te gaan dagvaarden als [gedaagde partij] niet op tijd zou betalen. [gedaagde partij] heeft vervolgens niet betaald. De gemachtigde van [gedaagde partij] heeft in haar e-mailbericht van 25 augustus 2025 weliswaar gevraagd om gelegenheid te krijgen om de zaak met [gedaagde partij] te bespreken, maar geen bijzondere omstandigheden genoemd op grond waarvan de VvE in redelijkheid nog niet kon overgaan tot het laten uitbrengen van de dagvaarding. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat van de VvE in redelijkheid niet verlangd kon worden dat zij nog langer zou wachten met dagvaarden.
De proceskosten van de VvE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
845,45
Omdat [gedaagde partij] méér heeft betaald dan het gevorderde bedrag, namelijk € 93,45 aan incassokosten, strekt dit bedrag in mindering op de proceskosten. Daarom moet [gedaagde partij] nog een bedrag betalen van (€ 845,45 - € 93,45 =) € 752,00.
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan de VvE te betalen een bedrag van € 144,60 per maand aan VvE-bijdrage (rekening houdend met eventuele verlagingen of verhogingen van dit bedrag conform rechtsgeldig door de vergadering van eigenaars genomen besluiten), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag telkens vanaf de vervaldatum van iedere (deels) onbetaald gelaten termijn tot aan de dag van volledige betaling, vanaf 1 november 2025 tot 1 juni 2027, tenzij het lidmaatschap van [gedaagde partij] eerder eindigt,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 752,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.