Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5029

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/5313
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 5.18 BklArt. 8.0a BklArt. 8.0b Bkl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning functiewijziging van maatschappelijk naar wonen in landelijk gebied

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek aan vergunninghoudster voor het wijzigen van de functie van een gebouw van 'maatschappelijk' naar 'wonen'. Eisers, buren van het perceel, maakten bezwaar tegen deze vergunning en stelden dat het besluit niet voldoet aan de eisen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen.

De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning terecht heeft verleend en dat de functiewijziging past binnen het toetsingskader van de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en de provinciale omgevingsverordening Noord-Brabant. Hoewel het college een motiveringsgebrek vertoonde bij het laten vervallen van een voorschrift dat het uitbreiden van het gebouw of het bouwen van bijgebouwen niet toestaat, wordt dit gebrek gepasseerd omdat het college dit tijdens de zitting voldoende heeft toegelicht en eisers hierdoor niet zijn benadeeld.

De rechtbank wijst de bezwaren van eisers af, waaronder hun stelling dat het vervallen voorschrift leidt tot een slechtere positie (reformatio in peius) en dat de aankoop van een halve maatwerktitel onvoldoende is. De rechtbank acht de locatie passend en de ruimtelijke onderbouwing voldoende. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5313

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek,verweerder
(gemachtigde: mr. E. de Fretes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghoudster]uit [woonplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. M.J. Smaling).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het wijzigen van de functie van het gebouw op het perceel [adres 1] in [woonplaats] (hierna: het perceel) van ‘maatschappelijk’ in ‘wonen’. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is, maar dat wel sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Dit motiveringsgebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 4 december 2024 een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025, verzonden op 29 augustus 2025, op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven, onder aanvulling van de motivering en wijziging van de voorschriften.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, vergezeld door [gemachtigde] en vergunninghoudster, bijgestaan door haar gemachtigde.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 24 mei 2024 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van de functie van het gebouw op het perceel van ‘maatschappelijk’ in ‘wonen’. In het gebouw was een [fysiotherapiepraktijk] gevestigd. Vergunninghoudster wil een levensloopbestendige woning realiseren in het gebouw.
Onderdeel van de aanvraag voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) is een ruimtelijke onderbouwing. In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat na uitgebreid onderzoek naar relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving is gebleken dat het plan geen nadelige effecten heeft en zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal), waardoor de ontwikkeling als aanvaardbaar wordt beschouwd.
3.1.
Op 27 mei 2024 heeft vergunninghoudster een halve maatwerktitel ter waarde van € 62.500,- voor het perceel aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte II C.V.
3.2.
Op 11 juli 2024 heeft het college de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: GS) op grond van artikel 16.15a, onder d van de Omgevingswet verzocht om advies met betrekking tot de aanvraag. In een advies van 15 juli 2024 concludeert GS dat via maatwerk op de Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: de omgevingsverordening), zoals afgesproken een halve ruimte voor ruimte-titel is aangekocht en dat er een landschappelijke inpassing is gemaakt, maar dat de onderbouwing niet volledig en op onderdelen onjuist is. Het advies van GS luidt dat de voorliggende bopa in de basis in overeenstemming is met de instructieregels voor het omgevingsplan zoals opgenomen in de omgevingsverordening. Wel verzoekt GS het college om de onderbouwing waar nodig aan te vullen en aan te passen.
3.3.
In een besluit van 4 december 2024 (primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Aan de omgevingsvergunning zijn onder meer de volgende voorschriften verbonden:
  • Deze vergunning is geldig voor het gebruiken van het huidige gebouw op deze locatie voor het wonen. Het uitbreiden van het bestaande gebouw of het realiseren van een vrijstaand bijgebouw zijn niet toegestaan.
  • Middels deze vergunning is maximaal één woning ten behoeve van één huishouden toegestaan in het bestaand gebouw. Het perceel om de woning mag als tuin bij deze woning worden gebruikt. Hierdoor is het niet meer toegestaan om het perceel voor een maatschappelijke functie te gebruiken.
(…)
- De in het Landschappelijke inpassingsplan (bijlage 3) aangeduide beplantingselementen dienen aangelegd dan wel behouden te blijven.
3.4.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij wonen aan het [adres 2] in [woonplaats] , naast het perceel van vergunninghoudster.
3.5.
Op 25 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Bezwarencommissie Hilvarenbeek (hierna: de commissie).
3.6.
In een advies van 22 april 2025 heeft de commissie het college geadviseerd het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren, met inachtneming van het volgende:
  • het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift, dat het uitbreiden van het bestaande gebouw of het realiseren van een vrijstaand bijgebouw niet is toegestaan, bij de beslissing op bezwaar, te laten vervallen;
  • in de omgevingsvergunning een dusdanig concreet beplantingsplan te verbinden dat dit handhaafbaar is;
  • de beslissing op bezwaar te baseren op het aangepaste geuronderzoek van
25 januari 2025.
3.7.
In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen, onder herstel van de motivering, in stand gelaten.
In het bestreden besluit heeft het college overwogen:
- Ten aanzien van het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift:
dat in het primaire besluit middels een aan de vergunning verbonden voorschrift is geregeld dat het uitbreiden van het bestaande gebouw of het bijbouwen van bijgebouwen niet is toegestaan, maar dat het opnemen van een dusdanig voorschrift in een bopa niet is toegestaan, zodat dit voorschrift moet vervallen.
- Ten aanzien van het beplantingsplan:
dat het college het door vergunninghoudster overgelegde beplantingsplan heeft beoordeeld en akkoord bevonden en dat het beplantingsplan binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van dit besluit dient te worden aangelegd en behouden te blijven, welke verplichting geldt voor onbepaalde tijd. Deze voorwaarde wordt verbonden aan de verleende vergunning.
- Ten aanzien van het geuronderzoek:
dat het door vergunninghoudster uitgevoerde, nieuwe geuronderzoek door de Omgevingsdienst is beoordeeld en akkoord bevonden, dat de ruimtelijke onderbouwing is aangepast naar aanleiding van het nieuwe geuronderzoek en dat uit de beoordeling blijkt dat er plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Beroepsgronden
4. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning niet verleend kan worden omdat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college had volgens eisers op grond van de omgevingsverordening ook sociale aspecten moet betrekken bij de beoordeling. Kort gezegd is de locatie volgens eisers niet passend voor het toevoegen van een woning.
4.1.
Volgens eisers is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen die de functiewijziging voor hen zou hebben, namelijk een woning op de erfgrens in landelijk gebied, intensivering van het gebruik van het gebouw en dus de overlast (met name in de avonduren), lichtinval in hun tuin, een tuin nabij hun keukenraam, met een inbreuk op hun privacy tot gevolg en een beperking van de gebruik- en bouwmogelijkheden van hun perceel. Volgens eisers is gelet op deze omstandigheden geen sprake meer van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.2.
Eisers willen dat het vergunningvoorschrift betreffende het verbod op uitbreiden van het bestaande gebouw en het bouwen van bijgebouwen opnieuw wordt opgenomen in de omgevingsvergunning, als die in stand zou blijven. Daarbij wijzen zij erop dat uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat dit voorschrift van groot belang is voor de totstandkoming van de halve maatwerktitel.
4.3.
Volgens eisers is het bestreden besluit als gevolg van het vervallen van het voorschrift in strijd is met het verbod op reformatio in peius.
4.4.
Eisers stellen tot slot dat op grond van de Beleidsregels Omgevingsrecht Noord-Brabant (hierna: de beleidsregels) voor een dergelijk project een hele maatwerktitel ter waarde van € 125.000,- moet worden aangekocht in plaats van een halve maatwerktitel. Volgens eisers wordt gelet daarop niet voldaan aan de beleidsregels en is de afwijking hiervan onvoldoende gemotiveerd.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [1] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel [adres 1] in [woonplaats] was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hilvarenbeek. Volgens het bestemmingsplan “Buitengebied” geldt op het perceel de bestemming ‘Maatschappelijk’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – 11’.
5.1.
In artikel 9.1 van de planregels is bepaald dat de voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduidingen, welke zijn opgenomen in de tabel, uitsluitend de genoemde maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan:
“(sm-11) specifieke vorm van maatschappelijk – 11 Praktijk voor fysiotherapie [adres 1] ”
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 9.1 van de planregels omdat het gebruik van het gebouw wordt gewijzigd van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’ en binnen de maatschappelijke functie niet mag worden gewoond.
5.3.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. [2] Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een bopa alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4.
Voor de bopa geldt in aanvulling op deze algemene voorwaarde dat op grond van artikel 5.21, tweede lid, onder 2, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.0b, eerste lid, onder b van het Bkl de instructieregels die voor de betreffende activiteit zijn vastgesteld door het Rijk of door de provincie gelden als beoordelingsregel voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
5.5.
Uit artikel 8.0b, tweede lid, van het Bkl volgt dat het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bopa (onder andere) moet weigeren als de aanvraag in strijd is met de instructieregels die de provincie heeft vastgesteld. De instructieregels van de provincie staan in de omgevingsverordening.

Beoordeling door de rechtbank

Adviesrecht gemeenteraad
6. Eisers hebben zich in hun aanvullend beroepschrift op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte geen bindend advies als bedoeld in artikel 16.15a van de Omgevingswet heeft gevraagd aan de gemeenteraad.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit het overgelegde raadsbesluit van 21 juli 2022 blijkt dat de gemeenteraad gevallen heeft aangewezen waarin zij gebruik wil maken van haar adviesrecht als bedoeld in artikel 16.15a van de Omgevingswet. De rechtbank overweegt dat de mogelijkheid van het realiseren van één woning buiten de bebouwde kom door middel van een functiewijziging niet wordt genoemd in de lijst die bij voormeld raadsbesluit hoort. Uit de lijst volgt wel dat er bij het bouwen van één of twee woningen buiten de bebouwde kom geen bindend advies nodig is. Gelet hierop is van een verplicht bindend advies van de gemeenteraad in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Adviesrecht GS
9. Eisers hebben gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het provinciaal beleid en de omgevingsverordening door het laten vervallen van het voorschrift dat het uitbreiden van het bestaande gebouw of het realiseren van een vrijstaand bijgebouw niet is toegestaan. Zij voeren daartoe aan dat uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat dit voorschrift van groot belang was voor de totstandkoming van de halve maatwerktitel en dat de ontwikkelingsmaatschappij en GS als voorwaarde voor het tot stand komen van de bopa hebben gesteld dat niet bijgebouwd of uitgebreid mag worden.
9.1.
De rechtbank overweegt dat het college GS om advies heeft gevraagd met betrekking tot de aanvraag op grond van artikel 16.15a, onder d en artikel 16.16 van de Omgevingswet en artikel 4.25, eerste lid, onder g en artikel 4.37 van het Omgevingsbesluit, omdat het gaat om een geval van provinciaal belang waarvoor advies moet worden gevraagd aan GS indien een omgevingsvergunning wordt verleend. De gevallen waarin advies moet worden gevraagd aan GS zijn aangewezen in een besluit van 7 november 2023. Daaruit volgt dat als geval wordt aangewezen de omgevingsvergunning voor een bopa, voor zover daarop de instructieregels van toepassing zijn zoals opgenomen in artikel 5.15 (Ruimte-voor ruimtekavel) van de omgevingsverordening. Tevens volgt hieruit dat voor dat geval geen instemming is vereist.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat GS is er in hun advies aan het college vanuit zijn gegaan dat er een halve ruimte voor ruimte-titel á € 62.500 zou worden aangeschaft door vergunninghoudster en dat daaraan het voorschrift zou worden verbonden dat het uitbreiden van het bestaande gebouw of het bijbouwen van bijgebouwen niet is toegestaan. Door dit voorschrift in het bestreden besluit te laten vervallen, is het college afgeweken van het advies van GS. Hoewel het advies van GS in dit geval niet bindend is, moet een afwijking van dit advies blijkens de toelichting bij de aanwijzing wel zorgvuldig worden gemotiveerd door het college.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit de afwijking van het advies van GS door het laten vervallen van het voorschrift onvoldoende heeft onderbouwd. Het college heeft enkel de stelling van eisers in bezwaar dat het opnemen van een dusdanig voorschrift in een bopa niet is toegestaan overgenomen, zonder nader te motiveren waarom dat niet toegestaan zou zijn. Ook in het advies van de commissie, waarnaar het college in het bestreden besluit heeft verwezen, is hier geen motivering voor gegeven. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek, maar de rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, omdat eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Daartoe overweegt de rechtbank dat het college tijdens de zitting alsnog heeft gemotiveerd waarom het voorschrift kan vervallen, namelijk omdat het een loze bepaling was die feitelijk niets toevoegde. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag van vergunninghoudster alleen betrekking heeft op de functiewijziging van het gebouw van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’. Die functiewijziging is door het college met de omgevingsvergunning toegestaan, maar het uitbreiden van het bestaande gebouw of het bijbouwen van bijgebouwen niet. Niet in geschil is dat vergunningvrij bouwen vanwege de ligging van het gebouw op het perceel niet mogelijk is. Als er een uitbreiding van het bestaande gebouw of een bijgebouw gewenst zou zijn, zou dat afzonderlijk moeten worden aangevraagd en zou er dus weer een nieuwe omgevingsvergunning voor een bopa moeten worden verleend, waar weer afzonderlijke rechtsmiddelen tegen openstaan. Gelet op deze aanvullende toelichting kon het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid afwijken van het advies van GS.
Daar komt nog bij dat in de voorschriften bij de verleende omgevingsvergunning ook is opgenomen dat het perceel om de woning als tuin bij de woning mag worden gebruikt, hetgeen eveneens impliceert dat het uitbreiden van het bestaande gebouw of het bijbouwen van bijgebouwen niet is toegestaan.
Reformatio in peius
10. Eisers hebben gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het verbod op reformatio in peius. Volgens eisers zijn zij als gevolg van hun bezwaarschrift in een slechtere positie terecht gekomen, omdat het college het voormelde voorschrift naar aanleiding van dit bezwaarschrift heeft laten vervallen.
10.1
De rechtbank volgt eisers niet in dit standpunt. Het verbod van reformatio in peius houdt in dat degene die bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld, door de beslissing op het bezwaar of beroep in beginsel niet in een slechtere positie mag belanden dan waarin hij zou hebben verkeerd als hij geen rechtsmiddel zou hebben aangewend. Aangezien de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat het voorschrift een loze bepaling was die feitelijk niets toevoegde, kunnen eisers door het laten vervallen van dit voorschrift ook niet in een slechtere positie zijn beland. Het laten vervallen van het voorschrift heeft er namelijk niet toe geleid dat het rechtsgevolg van het besluit, te weten dat de functie van het gebouw is gewijzigd van ‘maatschappelijk’ naar ‘wonen’, is veranderd. [3]
De Beleidsregels Omgevingsrecht Noord-Brabant
11. Eisers hebben gesteld dat niet is voldaan aan de beleidsregels omdat voor een dergelijk project op grond van de beleidsregels een hele maatwerktitel ter waarde van
€ 125.000,- moet worden aangekocht in plaats van een halve maatwerktitel. Deze afwijking van de beleidsregels is volgens eisers onvoldoende gemotiveerd.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat, voor zover eisers door deze afwijking van de beleidsregels al in hun belangen zouden zijn geschaad, die afwijking in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is onderbouwd. Op pagina 15 van de ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd dat de gemeente en de provincie de standaard ruimte voor ruimte-titel van € 125.000,- erg veel vinden gezien de impact/mogelijkheden. Daarbij wordt overwogen dat het voor het buitengebied een relatief klein perceel is en dat de aanwezige bebouwing ook kleiner is dan gangbaar is voor een woning in het buitengebied. De gemeente en de provincie willen maatwerk leveren en vinden in dit specifieke geval een halve ruimte voor ruimte-titel van € 62.500,- passend. De rechtbank kan deze redenering goed volgen en is van oordeel dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties en omgevingsverordening
12. De vraag die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omgevingsvergunning voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ‘Evenwichtige toedeling’ is een open norm en het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om deze in te vullen. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
12.1.
De rechtbank volgt partijen in hun uitgangspunt dat de toetsing aan de relevante artikelen van de omgevingsverordening (artikelen 5.7, 5.12, 5.14, vierde lid en 5.15) in dit geval samenvalt met de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locatie.
12.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omgevingsvergunning voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan is gebruik als fysiotherapiepraktijk op deze locatie rechtstreeks toegestaan. Dat betekent dat de dagelijkse bezoeken van patiënten en de verkeersbewegingen en parkeermomenten die dat met zich meebrengt door de planwetgever ruimtelijk aanvaardbaar zijn geacht. Dat gebruik wordt niet beperkt tot bepaalde werkuren en/of werkdagen en is planologisch dus ook toegestaan in de avonduren en weekenden. Dat de fysiotherapiepraktijk op dit moment feitelijk door vergunninghoudster slechts beperkt wordt geëxploiteerd vanuit het gebouw is niet relevant voor de beoordeling die het college moet maken. Bij de beoordeling van de aanvraag kan het college op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ook de negatieve gevolgen meewegen die kunnen worden veroorzaakt door de fictieve benutting van de mogelijkheden die het tijdelijke deel van het omgevingsplan nu al biedt. [4] Gelet hierop kan de rechtbank eisers niet volgen in hun stelling dat het gebruik als levensloopbestendige woning zal leiden tot een intensivering van het gebruik van het gebouw en dus tot meer de overlast.
12.3.
De rechtbank merkt verder op dat aan de positionering van het gebouw op de erfgrens als gevolg van deze omgevingsvergunning niets verandert. De lichtoverlast die eisers vrezen in hun achtertuin is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. In dat kader acht de rechtbank van belang dat vergunninghoudster ter zitting heeft verklaard dat er op dit moment tl-balken hangen achter de glasblokken met wolkstructuur in de achterzijde van de gevel en dat deze vanzelfsprekend zullen worden vervangen door andere, minder felle lichtbronnen, als het gebouw zal worden bewoond.
12.4.
De rechtbank stelt op basis van de foto’s in het dossier en de toelichting ter zitting vast dat van rechtstreekse inkijk in de woning van eisers geen sprake is. Het keukenraam van eisers is op de straat gericht en er zit een heg tussen beide percelen. Van een onevenredige inbreuk op de privacy van eisers is naar het oordeel van de rechtbank dus niet gebleken. Dat sprake zou zijn van een beperking van de gebruiks- en bouwmogelijkheden van het perceel van eisers is niet nader onderbouwd.
12.5
Dat de aanvraag in strijd is met de instructieregels van de provincie in de omgevingsverordening is gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank ook niet gebleken. Het college heeft ter zitting nog toegelicht dat sprake is van een passende locatie voor de toevoeging van een woning zoals bedoeld in artikel 4.14, vierde lid van de omgevingsverordening omdat de ontwikkeling plaatsvindt in een bebouwingsconcentratie.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank zal het beroep van eisers op basis van het voorgaande ongegrond verklaren. De rechtbank heeft een motiveringsgebrek geconstateerd in het bestreden besluit, maar dit kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Het college heeft het motiveringsgebrek namelijk hersteld met een aanvullende motivering ter zitting en niet is gebleken dat eisers zijn benadeeld door het ontbreken van deze motivering. Voor eisers verandert er dus niets en het bestreden besluit blijft in stand.
13.1.
Vanwege toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb bepaalt de rechtbank wel dat het college de door eisers in beroep gemaakte proceskosten moet vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (= 2 punten x € 934,-). Daarnaast moet het college het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 9 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18. (beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur)
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
(…)
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Artikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)

(…)
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 8.0b, eerste lid, onder b (doorwerking instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten – buitenplanse omgevingsplanactiviteit, niet van provinciaal of nationaal belang)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing:
(…)
b. op grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen;
(…)
2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:
a. de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid;
(…)
Omgevingsverordening Noord-Brabant

Paragraaf 5.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

(…)

Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting

1. Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en
d. op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.
2. Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
(…)

Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit

(…)
4. Er is sprake van een passende locatie voor de toevoeging van een woning als:
a. de ontwikkeling in een bebouwingsconcentratie ligt;
b. de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied, Bebouwd gebied of een bebouwingsconcentratie; of
c. de woning inpandig wordt gerealiseerd binnen karakteristieke bebouwing.
(…)

Artikel 5.15 Ruimte-voor-ruimtekavel

1. Een omgevingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling:
a. door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit;
b. op een passende locatie plaatsvindt als bedoeld in Artikel 5.14, vierde lid; en
c. past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12.
2. Het eerste lid vervalt op 1 januari 2030.
3. Bij de toepassing dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:
a. Artikel 5.8, eerste lid, onder a en e;
b. Artikel 5.11; en
c. Artikel 5.77, eerste lid onder a.
Bestemmingsplan Buitengebied

Artikel 9 Maatschappelijk Pro

9.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduidingen, welke zijn opgenomen in de navolgende tabel, uitsluitend de genoemde maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan:
(…)
(sm-11)specifieke vorm van maatschappelijk – 11 Praktijk voor fysiotherapie [adres 1] (…)
b. een aan huis verbonden beroep;
c. tuinen, erven en verhardingen;
d. parkeervoorzieningen;
e. groenvoorzieningen, met inbegrip van een goede landschappelijke inpassing in de vorm
van groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie naar het omliggende gebied;
f. de functies als bedoeld in de bestemmingsomschrijving van de bestemming 'Water', voor zover de gronden zijn gelegen binnen 10 m van de bestemming 'Water';
g. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen;
een en ander met bijbehorende voorzieningen.
Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 5 december 2023 houdende regels omtrent de uitoefening van bevoegdheden op grond van de Omgevingswet (Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant)
Artikel 7.1.6 Omvang fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit per woningtype
Gedeputeerde Staten hanteren bij het realiseren van een voldoende fysieke tegenprestatie tot versterken van omgevingskwaliteit bij de hierna opgenomen woningtypen de volgende uitgangspunten:
a. bij vrijstaande woningen en twee-onder-één kapwoningen:
1°. is de bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteit tenminste €125.000 per wooneenheid; en
2°. worden de woningen opgericht binnen een bij de omgeving passende bebouwing, met een daarbij passende inhoudsmaat;

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
3.Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2302 (r.o. 6.1-6.2).
4.Zie ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5243 (r.o. 3.1).