ECLI:NL:RBZWB:2026:5040

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
11778997 \ CV EXPL 25-3408
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg vaststellingsovereenkomst en finale kwijting in proceskosten geschil

In deze zaak draait het om de uitleg van een vaststellingsovereenkomst die partijen op 11 mei 2023 bij het Hof Arnhem-Leeuwarden zijn overeengekomen. Eiser vordert terugbetaling van betaalde proceskosten in eerste en tweede aanleg, die volgens hem buiten de vaststellingsovereenkomst vallen. Gedaagde partijen, Earlstone c.s., betwisten dit en wijzen op finale kwijting.

De kantonrechter overweegt dat de vaststellingsovereenkomst een finale regeling inhoudt waarbij partijen na betaling van overeengekomen bedragen niets meer van elkaar te vorderen hebben met betrekking tot de lopende procedures. De finale kwijting strekt zich uit over de procedures bij het Hof Arnhem-Leeuwarden en het Hof Den Bosch, die beide betrekking hebben op dezelfde grondgeschil.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering van eiser niet toewijsbaar is omdat terugbetaling van de proceskosten niet is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst en dat de overeengekomen betalingen als een all-in vergoeding moeten worden gezien. Ook wijst de kantonrechter de vordering tot vergoeding van werkelijke proceskosten af wegens het ontbreken van misbruik van procesrecht. De proceskosten worden vastgesteld op € 720,00 ten laste van eiser.

Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van proceskosten wordt afgewezen vanwege finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11778997 \ CV EXPL 25-3408
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. drs. J.P. de Man,
tegen

1.de besloten vennootschap EARLSTONE & PARTNERS B.V.,2. de besloten vennootschap LAGUNE INVESTMENTS B.V.,

beiden statutair gevestigd te ’s Gravenmoer (gemeente Dongen),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Earlstone c.s.,
gemachtigde: mr. R.J.M. Sintnicolaas.

1.De zaak in het kort

etHet gaat in deze zaak om de uitleg van een vaststellingsovereenkomst die partijen zijn overeengekomen bij het Hof Arnhem-Leeuwarden op 11 mei 2023. [eisende partij] stelt dat hij nog recht heeft op terugbetaling van betaalde proceskosten in eerste en tweede aanleg en die buiten de vaststellingsovereenkomst vallen. Earlstone c.s. betwist dat [eisende partij] nog recht heeft op het gevorderde bedrag omdat er finale kwijting is overeengekomen. De kantonrechter wijst de vordering van [eisende partij] af. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 3 juni 2025 met producties, het herstelexploot van 27 juni 2025 en de akte van [eisende partij] tot overlegging een productie;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de akte voorwaardelijke eiswijziging van [eisende partij] ;
  • de conclusie van repliek met producties, tevens akte eiswijziging;
  • de conclusie van dupliek.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eisende partij] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] en beriep zich op eigendom door verjaring van een strook grond van circa 9 m2 dat grenst aan zijn woning en deel uitmaakte van een groter perceel.
3.2.
[eisende partij] heeft de gemeente Loon op Zand en Earlstone c.s. in rechte betrokken bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) en in die procedure een voorlopig getuigenverhoor verzocht. Dit in verband met een door hem gestelde afspraak met de wethouder van de gemeente Loon op Zand over verjaring van de strook grond. Dat verzoek heeft de rechtbank bij beschikking van 29 oktober 2020 afgewezen en de rechtbank heeft [eisende partij] (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeeld in de proceskosten begroot op € 1.742,00.
3.3.
[eisende partij] heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof Den Bosch tegen de beslissing van de rechtbank van 29 oktober 2020. Bij beschikking van 27 mei 2021 heeft het Hof Den Bosch de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en [eisende partij] (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeeld in de proceskosten van Earlstone c.s. van € 760,00 aan griffierecht en € 2.228,00 aan salaris advocaat.
3.4.
[eisende partij] heeft cassatie ingesteld tegen de beschikking van het Hof Den Bosch bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 15 juli 2022 de beschikking van het Hof Den Bosch gecasseerd en de zaak verwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad heeft de gemeente c.s. (waaronder Earlstone c.s.) veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] in cassatie.
3.5.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 13 december 2022 onder zaaknummer 200.313.776 (hierna: procedure 776) de beschikking van de rechtbank van 29 oktober 2022 vernietigd en het verzoek van [eisende partij] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Earlstone c.s. is daarbij onder 4.8 van de beslissing veroordeeld om aan [eisende partij] terug te betalen de betaalde proceskosten op grond van de beschikkingen van de rechtbank van 29 oktober 2020 en het Hof Den Bosch van 27 mei 2021 van totaal € 4.730,00 (€ 1.742,00 + € 760,00 + € 2.228,00).
3.6.
[eisende partij] is naast het nog lopende voorlopige getuigenverhoor bij het Hof Arnhem-Leeuwarden een bodemprocedure gestart bij de rechtbank tegen onder meer de gemeente Loon op Zand en Earlstone c.s. In die procedure heeft [eisende partij] onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat hij door verjaring eigenaar is van de strook grond.
3.7.
Bij vonnis van 19 oktober 2022 heeft de rechtbank de vorderingen van [eisende partij] afgewezen en [eisende partij] veroordeeld in de proceskosten. [eisende partij] is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2022 bij het Hof Den Bosch onder zaaknummer 200.223.491 (hierna: procedure 491).
3.8.
Op 11 mei 2023 is bij het gehouden getuigenverhoor bij het Hof Arnhem-Leeuwarden (procedure 776) een regeling getroffen tussen partijen. In het proces-verbaal is het volgende vermeld:
“(…)2. De gemeente enerzijds en Earlstone & Partners BV en Lagune Investments B.V. anderzijds betalen elk € 10.000 aan [eisende partij] .
(…)
6. De gemeente enerzijds en Earlstone & Partners B.V. en Lagune Investements B.V. anderzijds betalen elk de helft van de proceskosten waartoe zij jegens [eisende partij] door de Hoge Raad zijn veroordeeld bij arrest van 15 juli 2022. (…)
7. Partijen in de procedure met zaaknummer 200.313.776 verlenen elkaar, na betaling van het overeengekomen bedrag finale kwijting met betrekking tot de kwestie waarover zij deze rechtszaak bij dit hof en bij het gerechtshof Den Bosch onder zaaknummer 200.323.491 voerden.
(…)
9. Partijen verklaren over en weer dat zij geen gevolgen zullen verbinden aan het bestreden vonnis van de rechtbank Breda van 19 oktober 2022 onder zaaknummer C/02/391475/HA ZA 21-642, met dien verstande dat de uitgesproken proceskosten veroordeling in stand blijft.
10. Partijen dragen ieder de eigen proceskosten van deze verzoekschriftprocedure.
(…)”
3.9.
Op 30 mei 2023 is de hoger beroepsprocedure bij het Hof Den Bosch (procedure 491) op verzoek van [eisende partij] doorgehaald.

4.Het geschil

4.1.
[eisende partij] vordert samengevat en na eiswijziging:
Primair
- om Earlstone c.s. hoofdelijk te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 4.730,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 mei 2023;
Subsidiair(als geoordeeld wordt dat [eisende partij] met de beschikking van 13 december 2022 al een titel heeft die ten uitvoer kan worden gelegd)
- dat voor recht wordt verklaard dat de beschikking van 13 december 2022 uitvoerbaar is en [eisende partij] het recht heeft die te executeren voor een bedrag van € 4.730,00,
Primair en subsidiair
- dat Earlstone c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.
4.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. In het proces-verbaal van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 mei 2023 is vermeld dat ieder de eigen kosten betaalt en dat betekent dat hetgeen eerder was opgeëist en geïncasseerd dient te worden terugbetaald aan de betaler. Earlstone c.s. dient daarom het door [eisende partij] betaalde bedrag van totaal € 4.730,00 aan proceskosten terug te betalen.
4.3.
Earlstone c.s. voert verweer. Earlstone c.s. concludeert tot afwijzing van de vordering van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de werkelijke proceskosten, althans de proceskosten conform het liquidatietarief, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.4.
Earlstone c.s. voert als verweer het volgende aan. Met het proces-verbaal van 11 mei 2023 hebben partijen bedoeld om definitieve afspraken te maken ter beslechting van de voorliggende geschillen. Daarom hebben Earlstone c.s. en de gemeente Loon op Zand elk € 10.000,00 betaald aan [eisende partij] . Inhoudelijk was er geen reden om enig bedrag aan [eisende partij] te betalen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Uitleg afspraken in proces-verbaal
5.1.
Kern van het geschil is of uit de afspraken zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 11 mei 2023 bij het Hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat [eisende partij] nog recht heeft op terugbetaling van het bedrag van totaal € 4.730,00 aan betaalde proceskosten.
5.2.
De vraag wat partijen zijn overeengekomen, dient niet te worden beantwoord door alleen een taalkundige uitleg van datgene dat zij schriftelijk zijn overeengekomen, maar ook door acht te slaan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in onderlinge samenhang bezien (de Haviltex-norm).
5.3.
Voorop gesteld wordt dat het proces-verbaal van 11 mei 2023 bij het Hof Arnhem-Leeuwarden een vaststellingsovereenkomst is met afspraken die partijen onderling hebben gemaakt. De stelling van [eisende partij] dat (de raadsheer-commissaris van) het Hof in het proces-verbaal de terugbetaling van proceskostenbedragen open heeft gelaten, is daarom niet juist. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft namelijk geen (inhoudelijk) oordeel gegeven en is vanzelfsprekend geen partij bij de gemaakte afspraken.
5.4.
Onder nummer 7 van het proces-verbaal staat: “
Partijen in de procedure met zaaknummer 200.31.776 verlenen elkaar, na betaling van het overeengekomen bedrag finale kwijting met betrekking tot de kwestie waarover zij deze rechtszaak bij dit hof en bij het gerechtshof Den Bosch onder zaaknummer 200.323.491 voerden. De kantonrechter is van oordeel dat de vermelding “partijen in procedure 776” ziet op zowel [eisende partij] , de gemeente Loon op Zand als Earlstone c.s. De afspraak onder 7 dient voor wat betreft de partijen in deze zaak ( [eisende partij] en Earlstone c.s.) naar het oordeel van de kantonrechter tekstueel zo gelezen te worden dat zij na de in het proces-verbaal genoemde betalingen niets meer van elkaar te vorderen hebben met betrekking tot de geschillen in procedure 776 en in procedure 491. De finale kwijting is bedoeld om discussie over nieuwe aanspraken op (terug)betaling uit te sluiten.
5.5.
[eisende partij] stelt dat de finale kwijting onder nummer 7 uitsluitend is verleend met betrekking tot
de kwestie waarover de rechtszaak is gevoerden dat enkel ziet op het bodemgeschil dat nog liep bij het Hof Den Bosch (procedure 491). De kantonrechter volgt [eisende partij] daarin niet. Onder 7 van het proces-verbaal is namelijk de rechtszaak bij dit Hof en het Hof Den Bosch genoemd. Met
dit Hofis Hof Arnhem-Leeuwarden bedoeld en de regeling ziet daarmee op zowel de hele procedure bij het Hof Arnhem Leeuwarden (procedure 776), waaronder ook de beschikking van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 13 december 2022, als de procedure bij het Hof Den Bosch (procedure 491). [eisende partij] heeft dit niet anders kunnen opvatten. De procedures 776 als 491 gaan beiden ook over dezelfde kwestie, namelijk verjaring van de strook grond. Daarom moet er vanuit worden gegaan dat de vermelding
de kwestie waarover de rechtszaak is gevoerdziet op alle lopende geschillen tussen partijen in de procedures bij Hof Arnhem en Hof Den Bosch, zoals ook Earlstone c.s. aanvoert.
5.6.
Onder nummer 10 van het proces-verbaal is vermeld
“Partijen dragen ieder de eigen kosten van deze verzoekschriftprocedure.”.De kantonrechter is van oordeel dat
deze verzoekschriftproceduretekstueel zo gelezen dient te worden dat het ziet op de door partijen gemaakte proceskosten bij het Hof Arnhem-Leeuwarden (procedure 776). [eisende partij] stelt dat met de afspraak onder 10 de beslissing van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 13 december 2022 (procedure 776) onder 4.8 waar Earlstone c.s. is veroordeeld tot terugbetaling van de daar genoemde proceskosten niet is komen te vervallen en dat terugbetaling een logisch uitvloeisel is van het uitgangspunt ieder de eigen kosten. Daarin volgt de kantonrechter [eisende partij] niet. Terugbetaling van het bedrag van € 4.730,00 is namelijk niet opgenomen in het proces-verbaal en onder 7 is de afspraak gemaakt van finale kwijting na betaling van de in de regeling overeengekomen bedragen. Die overeengekomen bedragen zien op de helft van de proceskosten die de Hoge Raad bij arrest van 15 juli 2022 heeft toegewezen aan [eisende partij] (nummer 6 proces-verbaal) én betaling door Earlstone c.s. van het bedrag van € 10.000,00 aan [eisende partij] (nummer 2 proces-verbaal). Van dit laatste bedrag is niet verduidelijkt waarop dit ziet, zodat het gezien moet worden als een all-in vergoeding.
5.7.
Onder 6 en 9 van het proces-verbaal zijn afspraken over betaling van proceskosten gemaakt. Onder 6 is deels vastgehouden aan de proceskostenveroordeling in het arrest van de Hoge Raad en onder 9 is geheel vastgehouden aan de proceskostenveroordeling in het vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2022. Zo’n afspraak hebben partijen niet gemaakt over terugbetaling van al betaalde proceskosten op grond van de beschikkingen van de rechtbank en het Hof Den Bosch. Dit bevestigt naar het oordeel van de kantonrechter dat bedoeld was om de door [eisende partij] al betaalde proceskosten in stand te laten. De uitleg die [eisende partij] verder geeft de afspraak onder 9 van het proces-verbaal, namelijk dat hij de proceskosten van het vonnis van 19 oktober 2022 niet meer verschuldigd is wegens ingesteld appel, betwist Earlstone c.s. niet.
Conclusie
5.8.
Het voorgaande betekent dat het proces-verbaal zo uitgelegd dient te worden dat partijen na betaling door Earlstone c.s. van het genoemde onder de nummers 2 en 6 van het proces-verbaal niets meer van elkaar te vorderen hebben. Voor zover [eisende partij] een andere uitleg had bedoeld, had verwacht mogen worden dat dit expliciet was opgenomen in het proces-verbaal. Dit betekent dat [eisende partij] geen recht heeft op het gevorderde bedrag. De primaire vordering van [eisende partij] wordt daarom afgewezen. Aan de subsidiaire vordering wordt niet toegekomen omdat niet aan de gestelde voorwaarde bij die vordering is voldaan. De beschikking van Hof Arnhem-Leeuwarden van 13 december 2022 kan wegens de overeengekomen regeling in het pr-ces-verbaal van 11 mei 2023 namelijk niet ten uitvoer worden gelegd.
Proceskosten
5.9.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Earlstone c.s. verzoekt om [eisende partij] te veroordelen in de werkelijke proceskosten wegens misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig procederen. Earlstone c.s. stelt dat [eisende partij] de procedure ruim twee jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en ondanks de in correspondentie kenbaar gemaakte verweren is gestart. [eisende partij] betwist dat er sprake is van onrechtmatig procederen.
5.10.
De kantonrechter stelt voorop dat voor vergoeding van werkelijke proceskosten pas plaats is ingeval sprake is van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro. Er geldt dus een hoge lat, die in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter niet is gehaald. Er is geen sprake van een op voorhand evident kansloos ingestelde vordering waarvan [eisende partij] moest weten dat dit niet toewijsbaar is. Het feit dat de gemachtigde van Earlstone c.s. vooraf aan de procedure in correspondentie heeft gewezen op onjuistheid van de vordering maakt dit niet anders. De vordering tot vergoeding van werkelijke proceskosten wordt daarom afgewezen.
5.11.
De proceskosten van Earlstone c.s. (inclusief nakosten) worden vastgesteld overeenkomstig de wettelijk vastgestelde tarieven als volgt:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00
5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vordering van [eisende partij] af,
6.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.