ECLI:NL:RBZWB:2026:505

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
02-228354-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging van ex-partner met contact- en locatieverbod

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, geboren op 1976, die beschuldigd werd van belaging van zijn ex-partner. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer drie maanden contact gezocht met zijn ex-partner, wat leidde tot de beschuldiging van belaging. De rechtbank oordeelde dat de verdachte vanaf 20 juni 2025, na een stopgesprek met de politie, op verschillende manieren contact heeft gezocht met de aangeefster, ondanks dat zij duidelijk had gemaakt geen contact meer te willen. De rechtbank achtte de gedragingen van de verdachte in deze periode wederrechtelijk en stelselmatig, wat leidde tot de veroordeling voor belaging. De rechtbank legde een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur op, met een proeftijd van twee jaar, en een contact- en locatieverbod ten aanzien van de aangeefster. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot betaling van € 250,- aan immateriële schade aan de benadeelde partij, de ex-partner.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-228354-25
vonnis van de meervoudige kamer van 29 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
raadsman mr. J.C.B. Dionisius, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte gedurende ongeveer drie maanden zijn ex-partner [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ) heeft belaagd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van het dossier het feit wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak. De ten laste gelegde gedragingen worden niet betwist, maar deze kunnen niet worden gekwalificeerd als belaging. Er is namelijk sprake van een beperkt aantal contactmomenten in een beperkte periode, waardoor niet wordt voldaan aan de vereiste stelselmatigheid. Daarnaast kan niet worden bewezen dat er door verdachte een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] , omdat zij het e-mailadres van verdachte en zijn accounts op sociale media had geblokkeerd. Ook heeft ze zijn telefoongesprekken weggedrukt. Er is dan ook geen contact tot stand gekomen. Bovendien was er geen sprake van bedreiging of belediging vanuit de zijde van verdachte. Tot slot volgt uit de jurisprudentie dat in het geval van een echtscheiding minder snel geconcludeerd kan worden dat sprake is van een dergelijke inbreuk.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 8 juni 2025 tot en met 27 augustus 2025 [aangeefster] heeft belaagd. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Uit het dossier en wat op zitting is besproken blijkt dat verdachte en [aangeefster] voorafgaand aan 8 juni 2025 een relatie met elkaar hadden. Op 8 juni 2025 heeft [aangeefster] besloten om een punt achter de relatie te zetten. Nadat zij dit aan verdachte had medegedeeld, hebben verdachte en [aangeefster] de huissleutels aan elkaar teruggegeven en is verdachte weggegaan. Volgens verdachte heeft [aangeefster] niet uitgelegd waarom zij de relatie had beëindigd. In de beleving van verdachte kwam er een abrupt einde aan hun relatie. Verdachte heeft naar eigen zeggen meerdere malen contact opgenomen met [aangeefster] omdat hij hierover meer duidelijkheid wilde. [aangeefster] heeft daar niet op gereageerd.
De rechtbank vindt het voorstelbaar dat verdachte in de dagen na het (abrupt) beëindigen van de relatie door [aangeefster] contact met haar opnam. Dit deed verdachte om antwoorden te krijgen en om praktische zaken te regelen. Zo wilde verdachte graag nog wat persoonlijke spullen terug en stond er nog een vakantie gepland, waarvan verdachte niet wist of hij deze wel of niet moest annuleren. De gedragingen van verdachte in de periode van 8 tot 20 juni 2025 – de datum van het hierna te bespreken stopgesprek – zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet wederrechtelijk.
Op 20 juni 2025 heeft er een stopgesprek plaatsgevonden tussen verdachte en de politie. Hierbij is door de politie het dringende verzoek aan verdachte gedaan om op geen enkele wijze contact op te nemen met [aangeefster] . Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte vanaf dit moment moeten weten dat [aangeefster] geen contact meer met verdachte wilde. Ook heeft de begeleider van verdachte hem duidelijk gemaakt dat [aangeefster] geen contact meer met verdachte wenste. Desondanks bleef verdachte op verschillende manieren proberen om met [aangeefster] in contact te komen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen vanaf 20 juni 2025 daarom wel als wederrechtelijk worden aangemerkt.
Vanaf 20 juni 2025 heeft verdachte op verschillende manieren contact gezocht met [aangeefster] . Zo is verdachte op 20 juni 2025 bij de woning van [aangeefster] geweest en heeft hij aangeklopt. Ook heeft verdachte meermalen gebeld en gemaild naar [aangeefster] . Daarnaast heeft hij via Marktplaats berichten naar haar gestuurd. Verdachte heeft bovendien niet alleen direct contact gezocht met [aangeefster] , maar ook indirect door meerdere volgverzoeken in te dienen bij haar dochters en afbeeldingen naar hen te sturen via Snapchat.
Ondanks de relatief korte periode is de rechtbank - gelet op de aard en de frequentie van de gedragingen - van oordeel dat er vanaf 20 juni 2025 tot en met 27 augustus 2025 sprake is geweest belaging. Verdachte heeft in die periode wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] met het oogmerk haar te dwingen iets te doen, namelijk de onbeantwoorde vragen van verdachte te beantwoorden en hem daarmee te voorzien van uitleg over de beëindiging van de relatie.
De omstandigheid dat [aangeefster] verdachte op verschillende kanalen had geblokkeerd, doet hier niet aan af. De wetenschap bij [aangeefster] dat verdachte probeerde om op allerlei manieren met haar in contact te komen in combinatie met de handelingen zoals hiervoor omschreven, maken dat wel degelijk sprake was van een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Bovendien had [aangeefster] het e-mailadres van verdachte geblokkeerd, maar kreeg zij zijn e-mailberichten binnen in haar spam, zodat de berichten voor haar toch zichtbaar waren.
Alles afwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belaging van [aangeefster] in de periode van 20 juni 2025 tot en met 27 augustus 2025.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 20 juni 2025 tot en met 27 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Altena, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
- die [aangeefster] meermaals SMS-berichten en e-mailberichten en Marktplaatsberichten te sturen, en/of
- die [aangeefster] meermaals te bellen, en/of
- voor de deur van die [aangeefster] te staan en/of
- een plantenbak voor de woning van die [aangeefster] te plaatsen, en/of
- meermaals een envelop te bezorgen bij de woning van die [aangeefster] met daarin
een brief en een geprinte e-mailbericht, en/of
- meermaals contact te zoeken met een of meerdere contacten van die [aangeefster] ,
met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur, met aftrek van het voorarrest, met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaar. Zij vordert tevens een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregel betreft een contactverbod met [aangeefster] en een locatieverbod bij de woning, het erf en de oprit van [aangeefster] en van haar vader die naast [aangeefster] woont. De maatregel geldt voor een periode van twee jaar, met een vervangende hechtenis van één maand per keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan en met een maximale duur van zes maanden. De rechtbank wordt verzocht om te bepalen dat de vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank komen tot een veroordeling, dan kan de verdediging zich vinden in de eis van de officier van justitie. Verzocht wordt om geen contactverbod met de dochter van [aangeefster] op te leggen, omdat zij werkzaam is in de plaatselijke Etos waar verdachte ook boodschappen doet. Wat betreft het locatieverbod is voor verdachte met name van belang dat hij mag rijden over de doorgaande [straat] , zodat hij niet met een omweg naar zijn vrijwilligerswerk moet rijden. Het locatieverbod zoals door de officier van justitie is geformuleerd is voor verdachte haalbaar.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich gedurende ongeveer twee maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner door haar op verschillende manieren te benaderen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat verdachte haar gevoelens van angst en onrust heeft bezorgd.
De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsrapport van 6 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte door een aanrijding in juni 2020 niet-aangeboren hersenletsel (hierna: NAH) heeft opgelopen. Hierdoor stopte hij noodgedwongen met zijn eenmanszaak als [functie] . Vervolgens kwam verdachte in 2022 in een vechtscheiding terecht, waarna hij in 2025 officieel is gescheiden. Als gevolg van de NAH heeft hij moeite met het verwerken van tegenslagen en informatie. Hij is overbelast geraakt en kan snel kwaad worden. Verdachte erkent ook dat zijn behoefte aan uitleg werd aangewakkerd toen [aangeefster] hem bleef negeren, waardoor hij e-mails naar haar bleef sturen. Verdachte ontvangt momenteel ambulante begeleiding, maar vindt zelf dat hij vierentwintiguurszorg nodig heeft. De planning is dat hij in behandeling gaat bij een psycholoog met als specialisme patiënten met NAH. Het doel daarvan is dat hij tegenslagen kan verwerken en zijn gemoedstoestand rustiger wordt. SMO biedt hem in de tussentijd een luisterend oor en helpt hem bij het uiten van zijn emoties en frustraties. Gezien de aanwezige en geplande hulpverlening en gelet op het feit dat duidelijke signalen van recidive ontbreken, is reclasseringsbemoeienis momenteel niet nodig. Bij een veroordeling wordt daarom enkel geadviseerd om een contactverbod met [aangeefster] en een locatieverbod voor haar woonadres op te leggen. De reclassering ziet geen noodzaak in het dadelijk uitvoerbaar verklaren van deze voorwaarden.
Met name gelet op de omstandigheid dat de rechtbank een kortere periode bewezen verklaard, zal zij een taakstraf opleggen die lager is dan de eis van de officier van justitie. Alles afwegend acht de rechtbank een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van veertig uur, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaar passend. Hieraan zal zij als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [aangeefster] koppelen, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact heeft met aangeefster. Dit betekent dat verdachte ook niet via andere personen (zoals haar dochters) contact mag zoeken met [aangeefster] . Een contactverbod met de dochters van [aangeefster] acht de rechtbank niet noodzakelijk en ook niet wenselijk gezien het feit dat verdachte in dezelfde plaats - met relatief weinig voorzieningen - woont en anders zijn vrijheid te veel zou worden beperkt. Daarnaast legt de rechtbank als bijzondere voorwaarde een locatieverbod op voor de woning, het erf en de oprit van [aangeefster] ( [adres 2] ) en van haar vader ( [adres 3] ).
De rechtbank zal niet bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er geen aanleiding is om aan te nemen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen tegen [aangeefster] . De rechtbank heeft op basis van de zitting de indruk dat het inmiddels tot verdachte is doorgedrongen dat de relatie over is en dat hij geen contact meer wenst met [aangeefster] . Daarnaast heeft de reclassering ook gerapporteerd dat zij geen meerwaarde ziet in de dadelijke uitvoerbaarheid. De omstandigheid dat na het opstellen van het reclasseringsrapport bekend is geworden dat verdachte contact heeft gezocht met de dochter van [aangeefster] doet aan dit oordeel niet af. Deze contactmomenten waren niet gericht op het krijgen van contact met [aangeefster] en hebben bovendien plaatsgevonden vóór de zittingsdatum.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De benadeelde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de belaging. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding houdt de rechtbank er rekening mee dat sprake is van een relatief korte pleegperiode. Daarnaast kijkt de rechtbank naar de aard van de belaging en het gedrag van de benadeelde zelf. Het is de rechtbank niet gebleken dat [aangeefster] heeft geprobeerd om aan verdachte uit te leggen waarom ze de relatie heeft verbroken. Zij had naar het oordeel van de rechtbank schadebeperkend kunnen optreden door verdachte deze uitleg te verschaffen, bijvoorbeeld door het schrijven van een brief aan hem zoals ook door de politie is gevraagd. Het gedrag van verdachte valt naar het oordeel van de rechtbank dan ook mede te verklaren door haar opstelling.
De rechtbank acht gelet op voornoemde omstandigheden een vergoeding van € 250,- billijk. De rechtbank zal het overig gevorderde afwijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de einddatum van de bewezenverklaarde periode, te weten 27 augustus 2025. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
belaging
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met aangeefster
[aangeefster] (geboortedatum [geboortedag 2] 1986);
* dat verdachte zich gedurende zijn proeftijd niet bevindt op:
de woning, het erf en de oprit van aangeefster (
[adres 2] );
de woning, het erf en de oprit van de vader van aangeefster (
[adres 3]);
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 250,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst af het overig gevorderde;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster] € 250,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 2 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Fleskens, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en
mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 januari 2026.