In deze strafzaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, geboren op 1976, die beschuldigd werd van belaging van zijn ex-partner. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer drie maanden contact gezocht met zijn ex-partner, wat leidde tot de beschuldiging van belaging. De rechtbank oordeelde dat de verdachte vanaf 20 juni 2025, na een stopgesprek met de politie, op verschillende manieren contact heeft gezocht met de aangeefster, ondanks dat zij duidelijk had gemaakt geen contact meer te willen. De rechtbank achtte de gedragingen van de verdachte in deze periode wederrechtelijk en stelselmatig, wat leidde tot de veroordeling voor belaging. De rechtbank legde een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur op, met een proeftijd van twee jaar, en een contact- en locatieverbod ten aanzien van de aangeefster. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot betaling van € 250,- aan immateriële schade aan de benadeelde partij, de ex-partner.