Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5054

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
02-220291-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 45 SrArt. 303 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid bij poging tot moord op babyzoon met oplegging tbs met voorwaarden

Op 29 juli 2025 heeft verdachte geprobeerd haar drie maanden oude zoontje te verdrinken door hem in een vijver te leggen en meerdere keren onder water te duwen. Het slachtoffer overleefde dankzij een oplettende omstander en medische hulp, maar lag twee weken in coma. Verdachte leed ten tijde van het feit aan een ernstige postnatale depressie met psychotische kenmerken, waardoor haar wilsvrijheid ernstig was beknot.

De rechtbank acht het bewezen dat verdachte het misdrijf heeft gepleegd, maar verklaart haar volledig ontoerekeningsvatbaar op basis van deskundigenrapporten van het NIFP. Daarom wordt zij ontslagen van alle rechtsvervolging. Gelet op de ernst van het feit en de stoornis legt de rechtbank een tbs-maatregel met voorwaarden op, waarbij de reclassering toezicht houdt en begeleiding biedt.

De maatregel omvat onder meer verplichte behandeling in een kliniek, naleving van voorwaarden zoals meldingsplicht, huisbezoeken en het niet verlaten van het land zonder toestemming. De rechtbank acht een tbs met dwangverpleging niet passend gezien het lage recidiverisico en de motivatie van verdachte. De voorlopige hechtenis wordt opgeheven en verdachte werkt mee aan de behandeling en reclasseringstoezicht.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt een tbs-maatregel met voorwaarden opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-220291-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1990,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
thans gedetineerd in de PI te [plaats 1] ,
raadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 mei 2026, waarbij de officier van justitie, mr. L.A. Pronk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachte raad haar zoontje om het leven te brengen, dan wel dat zij haar zoontje opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel dat zij dat heeft geprobeerd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de poging tot moord wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen zoals hieronder opgenomen. Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 29 juli 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten haar zoontje, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2025) van het leven te beroven,
- voornoemd zoontje in een vijver heeft doen belanden en terechtkomen en
- meermalen in en onder water heeft geduwd en gehouden en
- voornoemd zoontje enige tijd (geheel) in het water heeft laten liggen en
- voornoemd zoontje niet gelijk uit het water heeft gehaald en
- niet (tijdig) (medische) hulp heeft ingeroepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1.
Strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
5.2.
Strafbaarheid van verdachte
5.2.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar was, gelet op de rapportages van het NIFP in samenhang bezien met de verklaring van verdachte. Zij heeft gevorderd dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de rapportages van het NIFP en verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van de door psychiater [psychiater] en psycholoog [psycholoog 1] , onder supervisie van en in samenwerking met GZ-psycholoog [psycholoog 2] , opgestelde rapporten van respectievelijk 13 april 2026 en10 april 2026.
Zowel de psychiater als de psycholoog hebben gerapporteerd dat verdachte ten tijde van het feit leed aan een postnatale depressie met psychotische kenmerken. Deze stoornis was ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. Verder was er bij verdachte sprake van een zeer ernstige verstoring van het denken, voelen en handelen, waarbij haar wilsvrijheid in zeer ernstige mate werd beknot, en was er door het allesbepalende toestandsbeeld geen sprake meer van gedragsalternatieven hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in het tenlastegelegde. Dit alles leidt ertoe dat de psychiater en psycholoog hebben geadviseerd om het feit niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt, gelet op de inhoud van de rapportages en de vaststelling dat de conclusies logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen, de conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen over voor wat betreft de bij verdachte aanwezige stoornis en de toerekenbaarheid van het feit. Dit betekent dat verdachte niet strafbaar is, nu het feit haar wegens de ziekelijke stoornis van haar geestvermogens niet kan worden toegerekend. De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

6.De oplegging van een maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van de uitgebrachte rapportages van het NIFP en de reclassering gevorderd de terbeschikkingstelling (tbs) van verdachte, met daaraan verbonden alle voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Aan de wettelijke vereisten voor deze maatregel is voldaan.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen tbs met voorwaarden aan verdachte op te leggen nu niet aan alle wettelijke vereisten wordt voldaan. Daarnaast is oplegging van tbs niet proportioneel. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een tussenuitspraak te doen en de zaak aan te houden zodat nader onderzoek kan worden verricht naar het concrete gevaar dat van verdachte uitgaat en de wijze waarop dit gevaar kan worden ingeperkt nadat zij in de kliniek heeft verbleven. Meer subsidiair, indien de rechtbank overgaat tot het opleggen van tbs, heeft de verdediging verzocht de tbs dadelijk uitvoerbaar te verklaren zodat de behandeling meteen kan starten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op haar zoontje van destijds drie maanden, hetgeen zij heeft bekend. Kort na de geboorte van haar zoontje begon verdachte zich somber te voelen en kreeg zij de gedachte om hem te vermoorden. Daags voorafgaand aan de poging zocht verdachte op termen als ‘hoe dood ik een kind’ en ‘verdrinking van een baby’. Verdachte is uiteindelijk op 29 juli 2025 naar een rustige plek gewandeld en is met haar zoontje in het water gelopen. Zij heeft hem in het water gelegd en toen hij bleef drijven heeft zij hem meermaals onder water geduwd en gehouden. Het is slechts te danken aan een oplettende omstander en de medische hulpdiensten dat haar zoontje hierna niet is overleden. Hij is in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht en heeft daar twee weken in coma gelegen. Naar omstandigheden maakt hij het goed, maar nog niet is bekend en te overzien welke schade hij heeft opgelopen en met welke gevolgen hij in zijn latere leven te maken zal krijgen. Hoewel verdachte niet strafbaar is, is dit een bijzonder ernstig feit. Het heeft intens verdriet veroorzaakt waarmee alle betrokkenen de rest van hun leven zullen moeten leren omgaan.
Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring van de vader van het zoontje volgt de impact die het feit op zijn gezin en hem heeft gehad. Er was sprake van een gelukkig huwelijk waarbij werd uitgekeken naar de komst van een tweede kindje. Door dit feit is alles kapot gemaakt. De kinderen groeien momenteel op zonder moeder en ook het huwelijk is verbroken. De oudere broer is nog steeds bang dat er opnieuw iets met zijn broertje zal gebeuren en dacht in het begin zelfs dat het zijn schuld was. Door het feit maakt vader zich zorgen over de toekomst en veiligheid van zijn kinderen. Gevoelens van angst, verdriet en boosheid voeren de boventoon.
Maatregel
De gedragsdeskundigen hebben geadviseerd over de aard van de mogelijke interventies. Het recidiverisico wordt door hen ingeschat als laag in de huidige detentiesetting en als de behandeling die in detentie in het psychiatrisch penitentiair centrum is gestart wordt afgerond. Als die behandeling niet wordt afgerond, wordt het recidivegevaar op de lange termijn ingeschat als ten hoogste matig tot laag.
Gelet op de ontoerekenbaarheid zijn er volgens de psychiater qua behandeladvies slechts een beperkt aantal mogelijkheden, te weten een tbs al dan niet met voorwaarden, een zorgmachtiging of ontslag van rechtsvervolging met continuering van zorg in een vrijwillig kader. Een tbs met dwangverpleging wordt - mede gezien de specifieke aard van het delict in combinatie met het thans als laag tot laag-matige recidiverisico en de motivatie tot behandeling en zorg - gedragskundig niet als passend ingeschat. Een zorgmachtiging zal naar alle waarschijnlijkheid niet haalbaar zijn, omdat verdachte zich niet verzet tegen behandeling. Zodoende resteert een tbs met voorwaarden of vrijwillige behandeling. Daarover merken de gedragsdeskundigen op dat zij het van belang achten de behandeling te continueren en verdachte verder te stabiliseren. Er wordt voorkeur gegeven aan een (kortdurende) klinische behandeling op een forensisch psychiatrische afdeling (FPA). Dit kan worden gerealiseerd na schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis met behandeling op deze FPA als bijzondere voorwaarde. Gezien het lage risico achten de gedragsdeskundigen een vrijwillig kader dan ook het meest passend. Gelijktijdig merken zij op dat het zeer de vraag is of verdachte dan het passende behandelaanbod kan krijgen, waarbij ook forensische expertise en de analyse en verwerking van het delict wordt meegenomen.
Naar aanleiding van de genoemde rapportages is door de reclassering op 13 mei 2026 een maatregelenrapport opgemaakt. De reclassering adviseert daarin positief over een tbs met voorwaarden en heeft in het maatregelenrapport een aantal voorwaarden geformuleerd waaraan verdachte zou moeten voldoen om de kans op recidive te verminderen. Verdachte heeft ter zitting zich bereid verklaard aan deze voorwaarden mee te werken.
Gelet op deze adviezen acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte verder wordt behandeld voor de geconstateerde stoornis. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld binnen welk kader deze behandeling moet en kan worden geboden. De rechtbank is van oordeel dat het door de gedragsdeskundigen geschetste kader ontoereikend is, omdat het bevel tot voorlopige hechtenis niet is bedoeld om in dat verband een definitieve reactie op het bewezen verklaarde feit te bewerkstelligen. De wetgever heeft in de wet diverse straffen en maatregelen opgenomen voor een dergelijke reactie, die al dan niet voorwaardelijk en al dan niet onder het stellen van (bijzondere) voorwaarden kunnen worden opgelegd. De rechtbank zal binnen die mogelijkheden een passende reactie moeten vinden.
De verdediging stelt dat niet is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de tbs, nu er geen herhalingsgevaar zou bestaan. De rechtbank stelt echter vast dat uit rapportage van de psychiater volgt dat de aard en ernst van de stoornis van verdachte een intensieve en adequate behandeling vergt. Het rapport wijst er voorts op dat, zonder behandeling, het recidiverisico op de lange termijn ten hoogste laag tot matig wordt ingeschat.
De rechtbank overweegt dat juist de aanwezigheid van een stoornis die een gespecialiseerde behandeling vereist, en het daarmee samenhangende risico van herhaling zonder adequate behandeling, het vereiste herhalingsgevaar in de zin van de wet doet bestaan. Het gaat erom dat door het opleggen van tbs een doelmatige behandeling kan worden gewaarborgd en het gevaar voor herhaling substantieel kan worden teruggebracht. Zodoende wordt ook aan dit criterium voldaan. Voor een andere, lichtere maatregel ziet de rechtbank geen ruimte, omdat verdachte dan niet het passende behandelaanbod krijgt, waarin zowel de benodigde forensische expertise als de delictanalyse en -verwerking zijn geïntegreerd.
De rechtbank acht zich hiermee voldoende voorgelicht over het aanwezige herhalingsgevaar en ziet geen aanleiding daar nader onderzoek naar te laten verrichten, zoals verzocht door de verdediging.
Gelet op de inhoud van de rapporten over de aard en de ernst van de stoornis en het feit en op het advies van de reclassering is de rechtbank van oordeel dat tbs noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:
- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens;
- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Oplegging van dwangverpleging is nu niet nodig. Volstaan kan worden met het opleggen van de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en zoals hierna opgenomen. Verdachte heeft zich ter zitting bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden. Indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en dwangverpleging alsnog wordt bevolen, is de maatregel voor wat betreft de duur ongemaximeerd en kan dan ook een periode van vier jaar te boven gaan.
De rechtbank ziet in de adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering geen aanleiding om de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden uit te spreken.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38, 38a, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Poging tot moord
- verklaart
verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
Maatregel
- gelast de
terbeschikkingstellingvan verdachte en stelt daarbij als
voorwaarden:
* Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
* Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht, onder meer inhoudende:
• verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
• verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;
• verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
• verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
• verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
• verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
• verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
• verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
* Verdachte kan, als de reclassering het nodig vindt en verdachte daarmee instemt, voor een time-out worden opgenomen in een forensische kliniek (niveau te bepalen door IFZ, plaatsing door DIZ). Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
* Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zonder toestemming van de reclassering;
* Verdachte laat zich opnemen in en behandelen door [kliniek] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. Verdachte werkt mee aan een overbruggingsplek, indien nodig. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
* Verdachte laat zich behandelen door een ambulant zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* Verdachte werkt mee aan een begeleidings-, omvangs-, veiligheidsplan van jeugdzorg;
* Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van een terugval in depressie;
- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, en mr. H. Skalonjic en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juni 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
zij op of omstreeks 29 juli 2025 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten haar zoontje, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2025) van het leven te beroven,
- voornoemd zoontje in een vijver, in elk geval in (een) water, heeft doen belanden en/of terechtkomen en/of
- meermalen, althans eenmaal in en/of onder water heeft geduwd en/of gehouden en/of
- voornoemd zoontje enige tijd (geheel) in het water heeft laten liggen en/of
- voornoemd zoontje niet gelijk uit het water heeft gehaald en/of
- niet (tijdig) (medische) hulp heeft ingeroepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 289 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 juli 2025 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, aan een ander, te weten haar zoontje, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2025) opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door
- voornoemd zoontje in een vijver, in elk geval in (een) water, te laten belanden en/of te laten terechtkomen en/of
- meermalen, althans eenmaal in en/of onder water heeft geduwd en/of gehouden en/of
- voornoemd zoontje enige tijd (geheel) in het water te laten liggen en/of
- voornoemd zoontje niet gelijk uit het water te halen en/of
- niet (tijdig) (medische) hulp heeft ingeroepen;
(art 303 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf Pro/sub 1° Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 juli 2025 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een ander, te weten haar zoontje, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2025), zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- voornoemd zoontje in een vijver, in elk geval in (een) water, heeft doen belanden en/of terechtkomen en/of
- meermalen, althans eenmaal in en/of onder water heeft geduwd en/of gehouden en/of
- voornoemd zoontje enige tijd (geheel) in het water heeft laten liggen en/of
- voornoemd zoontje niet gelijk uit het water heeft gehaald en/of
- niet (tijdig) (medische) hulp heeft ingeroepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 303 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf Pro/sub 1° Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)