6.3.Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op haar zoontje van destijds drie maanden, hetgeen zij heeft bekend. Kort na de geboorte van haar zoontje begon verdachte zich somber te voelen en kreeg zij de gedachte om hem te vermoorden. Daags voorafgaand aan de poging zocht verdachte op termen als ‘hoe dood ik een kind’ en ‘verdrinking van een baby’. Verdachte is uiteindelijk op 29 juli 2025 naar een rustige plek gewandeld en is met haar zoontje in het water gelopen. Zij heeft hem in het water gelegd en toen hij bleef drijven heeft zij hem meermaals onder water geduwd en gehouden. Het is slechts te danken aan een oplettende omstander en de medische hulpdiensten dat haar zoontje hierna niet is overleden. Hij is in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht en heeft daar twee weken in coma gelegen. Naar omstandigheden maakt hij het goed, maar nog niet is bekend en te overzien welke schade hij heeft opgelopen en met welke gevolgen hij in zijn latere leven te maken zal krijgen. Hoewel verdachte niet strafbaar is, is dit een bijzonder ernstig feit. Het heeft intens verdriet veroorzaakt waarmee alle betrokkenen de rest van hun leven zullen moeten leren omgaan.
Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring van de vader van het zoontje volgt de impact die het feit op zijn gezin en hem heeft gehad. Er was sprake van een gelukkig huwelijk waarbij werd uitgekeken naar de komst van een tweede kindje. Door dit feit is alles kapot gemaakt. De kinderen groeien momenteel op zonder moeder en ook het huwelijk is verbroken. De oudere broer is nog steeds bang dat er opnieuw iets met zijn broertje zal gebeuren en dacht in het begin zelfs dat het zijn schuld was. Door het feit maakt vader zich zorgen over de toekomst en veiligheid van zijn kinderen. Gevoelens van angst, verdriet en boosheid voeren de boventoon.
Maatregel
De gedragsdeskundigen hebben geadviseerd over de aard van de mogelijke interventies. Het recidiverisico wordt door hen ingeschat als laag in de huidige detentiesetting en als de behandeling die in detentie in het psychiatrisch penitentiair centrum is gestart wordt afgerond. Als die behandeling niet wordt afgerond, wordt het recidivegevaar op de lange termijn ingeschat als ten hoogste matig tot laag.
Gelet op de ontoerekenbaarheid zijn er volgens de psychiater qua behandeladvies slechts een beperkt aantal mogelijkheden, te weten een tbs al dan niet met voorwaarden, een zorgmachtiging of ontslag van rechtsvervolging met continuering van zorg in een vrijwillig kader. Een tbs met dwangverpleging wordt - mede gezien de specifieke aard van het delict in combinatie met het thans als laag tot laag-matige recidiverisico en de motivatie tot behandeling en zorg - gedragskundig niet als passend ingeschat. Een zorgmachtiging zal naar alle waarschijnlijkheid niet haalbaar zijn, omdat verdachte zich niet verzet tegen behandeling. Zodoende resteert een tbs met voorwaarden of vrijwillige behandeling. Daarover merken de gedragsdeskundigen op dat zij het van belang achten de behandeling te continueren en verdachte verder te stabiliseren. Er wordt voorkeur gegeven aan een (kortdurende) klinische behandeling op een forensisch psychiatrische afdeling (FPA). Dit kan worden gerealiseerd na schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis met behandeling op deze FPA als bijzondere voorwaarde. Gezien het lage risico achten de gedragsdeskundigen een vrijwillig kader dan ook het meest passend. Gelijktijdig merken zij op dat het zeer de vraag is of verdachte dan het passende behandelaanbod kan krijgen, waarbij ook forensische expertise en de analyse en verwerking van het delict wordt meegenomen.
Naar aanleiding van de genoemde rapportages is door de reclassering op 13 mei 2026 een maatregelenrapport opgemaakt. De reclassering adviseert daarin positief over een tbs met voorwaarden en heeft in het maatregelenrapport een aantal voorwaarden geformuleerd waaraan verdachte zou moeten voldoen om de kans op recidive te verminderen. Verdachte heeft ter zitting zich bereid verklaard aan deze voorwaarden mee te werken.
Gelet op deze adviezen acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte verder wordt behandeld voor de geconstateerde stoornis. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld binnen welk kader deze behandeling moet en kan worden geboden. De rechtbank is van oordeel dat het door de gedragsdeskundigen geschetste kader ontoereikend is, omdat het bevel tot voorlopige hechtenis niet is bedoeld om in dat verband een definitieve reactie op het bewezen verklaarde feit te bewerkstelligen. De wetgever heeft in de wet diverse straffen en maatregelen opgenomen voor een dergelijke reactie, die al dan niet voorwaardelijk en al dan niet onder het stellen van (bijzondere) voorwaarden kunnen worden opgelegd. De rechtbank zal binnen die mogelijkheden een passende reactie moeten vinden.
De verdediging stelt dat niet is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de tbs, nu er geen herhalingsgevaar zou bestaan. De rechtbank stelt echter vast dat uit rapportage van de psychiater volgt dat de aard en ernst van de stoornis van verdachte een intensieve en adequate behandeling vergt. Het rapport wijst er voorts op dat, zonder behandeling, het recidiverisico op de lange termijn ten hoogste laag tot matig wordt ingeschat.
De rechtbank overweegt dat juist de aanwezigheid van een stoornis die een gespecialiseerde behandeling vereist, en het daarmee samenhangende risico van herhaling zonder adequate behandeling, het vereiste herhalingsgevaar in de zin van de wet doet bestaan. Het gaat erom dat door het opleggen van tbs een doelmatige behandeling kan worden gewaarborgd en het gevaar voor herhaling substantieel kan worden teruggebracht. Zodoende wordt ook aan dit criterium voldaan. Voor een andere, lichtere maatregel ziet de rechtbank geen ruimte, omdat verdachte dan niet het passende behandelaanbod krijgt, waarin zowel de benodigde forensische expertise als de delictanalyse en -verwerking zijn geïntegreerd.
De rechtbank acht zich hiermee voldoende voorgelicht over het aanwezige herhalingsgevaar en ziet geen aanleiding daar nader onderzoek naar te laten verrichten, zoals verzocht door de verdediging.
Gelet op de inhoud van de rapporten over de aard en de ernst van de stoornis en het feit en op het advies van de reclassering is de rechtbank van oordeel dat tbs noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:
- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens;
- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Oplegging van dwangverpleging is nu niet nodig. Volstaan kan worden met het opleggen van de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en zoals hierna opgenomen. Verdachte heeft zich ter zitting bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden. Indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en dwangverpleging alsnog wordt bevolen, is de maatregel voor wat betreft de duur ongemaximeerd en kan dan ook een periode van vier jaar te boven gaan.
De rechtbank ziet in de adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering geen aanleiding om de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden uit te spreken.