ECLI:NL:RBZWB:2026:5086

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
12181176 \ VV EXPL 26-40
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Boeder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 lid 2 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning en betaling huurachterstand wegens forse betalingsachterstand

LB Huizen B.V. heeft een huurovereenkomst gesloten met [huurder 1] en [huurder 2] voor een woning in [woonplaats]. Vanaf oktober 2025 ontstond een aanzienlijke huurachterstand die oploopt tot €12.100,00. Ondanks meerdere aanmaningen en een aanmelding voor schuldhulpverlening, bleef betaling uit.

De verhuurder vordert ontruiming van de woning en betaling van de achterstallige huur, alsmede de lopende huur tot aan de ontruiming. [huurder 1] voert verweer dat er sprake is van gebreken in de woning waardoor een lagere huur was afgesproken, maar dit is niet onderbouwd. [huurder 2] verschijnt niet en verweer wordt niet erkend.

De kantonrechter oordeelt dat de ontruiming gerechtvaardigd is omdat het zeer waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op 14 dagen. Tevens worden de vorderingen tot betaling van de huurachterstand en lopende huur toegewezen. De proceskosten worden aan de gedaagden opgelegd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de huurders tot ontruiming binnen 14 dagen en betaling van de huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12181176 \ VV EXPL 26-40
Vonnis in kort geding van 10 juni 2026
in de zaak van
LB HUIZEN B.V.,
gevestigd in Nuenen en kantoorhoudend in Tilburg ,
eisende partij,
hierna te noemen: LB Huizen B.V.,
gemachtigde: mr. J. Duitsman,
tegen

1.[huurder 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [huurder 1] ,
procederend in persoon,

2.2. [huurder 2] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [huurder 2] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[huurder 1] en [huurder 2] hebben op 28 juni 2025 een huurovereenkomst gesloten met LB Huizen B.V. voor de huur van de woning aan de [adres] in [woonplaats] ( [postcode] ) [verder: de woning]. De overeengekomen huurprijs met bijkomende kosten is een bedrag van € 1.550,00 per maand.
2.2.
Vanaf oktober 2025 is een achterstand in de betaling van de huur ontstaan.
2.3.
LB Huizen B.V. heeft meerdere aanmaningen gestuurd aan [huurder 1] en [huurder 2] . Ook heeft LB Huizen B.V. hen op 19 maart 2026 voor schuldhulpverlening aangemeld.

3.Het geschil

3.1.
LB Huizen B.V. vordert samengevat - ontruiming van de woning en hoofdelijke veroordeling van LB Huizen B.V. en [huurder 2] om de huurachterstand te betalen en een bedrag van € 1.550,00 per (gedeelte van de) maand tot aan de dag van ontruiming. Ook wil zij dat LB Huizen B.V. en [huurder 2] de proceskosten betalen.
3.2.
LB Huizen B.V. legt aan de vordering ten grondslag dat [huurder 1] en [huurder 2] zich niet als goed huurder gedragen en niet voldoen aan hun betalingsverplichting uit de huurovereenkomst. Daarmee is sprake van een ernstige tekortkoming waarmee tot ontruiming kan worden overgegaan. Wegens proceseconomische redenen kan de nevenvordering tot betaling van de huurachterstand ook in deze procedure beoordeeld worden.
3.3.
[huurder 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd. Volgens hem heeft de verhuurder hem in december 2025 per brief gevraagd om de woning te verlaten in januari 2026. Dat was te kort dag. Vervolgens is afgesproken dat [huurder 1] en [huurder 2] minder huur hoefden te betalen, omdat sprake is van gebreken. Die zijn nog steeds niet gemaakt. Hij wil de achterstand wel betalen, maar heeft daar op dit moment niet genoeg geld voor.
3.4.
[huurder 2] heeft geen verweer gevoerd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[huurder 2] is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter zitting verschenen. Tijdens de zitting heeft [huurder 1] weliswaar aangegeven dat [huurder 2] zijn vriendin is en dat hij namens haar verweer voerde, maar niet is gebleken dat [huurder 2] hem daarvoor heeft gemachtigd. [huurder 2] heeft ook niet tijdig een schriftelijk antwoord ingediend of om uitstel verzocht. Daarom is tegen haar verstek verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt dit vonnis niettemin als een vonnis op tegenspraak tegen alle gedaagden
.
Spoedeisend belang
4.2.
In deze procedure moet allereerst beoordeeld worden of LB Huizen B.V. een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming en betaling. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is, omdat het hier gaat om een grote huurachterstand die nog steeds verder oploopt. Of de vorderingen ook daadwerkelijk toegewezen kunnen worden, beoordeelt de kantonrechter hierna.
[huurder 1] en [huurder 2] moeten de woning ontruimen
4.3.
Voor de inhoudelijke beoordeling van de vordering tot ontruiming stelt de kantonrechter voorop dat ontruiming bij voorlopige voorziening een vergaande maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de huurbescherming van de huurder en die in de praktijk vaak een definitief karakter heeft. Daarom is een ontruiming in kort geding alleen gerechtvaardigd, als het zeer waarschijnlijk is dat in een eventuele bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Bovendien moet sprake zijn van een situatie die zo ernstig of spoedeisend is dat van de verhuurder niet kan worden verlangd dat zij de beslissing in de bodemprocedure afwacht.
4.4.
Er is hier sprake van een forse huurachterstand vanaf oktober 2025 voor inmiddels een bedrag van € 12.100,00. [huurder 1] heeft weliswaar aangevoerd dat partijen in verband met gebreken in de woning een lagere huur hadden afgesproken, althans dat hij betaling mocht opschorten in verband met gebreken, maar LB Huizen B.V. heeft dit betwist. [huurder 1] had zijn stellingen ook niet onderbouwd, zodat de kantonrechter dit verder niet meeneemt in de beoordeling. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat er een forse huurachterstand is van meer dan zeven maanden. Bovendien is niet aannemelijk dat [huurder 1] en [huurder 2] op korte termijn de huurachterstand en de lopende huurtermijnen zullen betalen. Tot slot heeft de kantonrechter nog gevraagd of rekening gehouden moet worden met inwonende minderjarige kinderen. [huurder 1] heeft aangegeven dat er geen minderjarige kinderen in de woning wonen.
4.5.
Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat het erg waarschijnlijk is dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat ontbinding van de huurovereenkomst is gerechtvaardigd. Daarom zal de kantonrechter de ontruiming toewijzen. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn vaststellen op 14 dagen, omdat deze termijn hem redelijk voorkomt en LB Huizen B.V. niet heeft gemotiveerd waarom een kortere termijn van 5 dagen redelijk is.
[huurder 1] en [huurder 2] moeten de (achterstallige) huur tot de dag van ontruiming betalen
4.6.
De kantonrechter overweegt dat bij de beoordeling van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is. Wel geldt dat als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, de proceseconomie ermee gebaat is dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering kan worden beslist. [1]
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen tot betaling van de huurachterstand en de huur vanaf 1 juni 2026 tot aan de ontruiming zo nauw verwant zijn met de hoofdvordering (ontruiming), dat ook deze nevenvorderingenkunnen kunnen worden beoordeeld. Omdat hiervoor is vastgesteld dat sprake is van een huurachterstand van € 12.100,00 tot en met mei 2026 en [huurder 1] en [huurder 2] ook de lopende huur niet betalen, zullen deze vorderingen worden toegewezen.
[huurder 1] en [huurder 2] moeten de proceskosten betalen
4.8.
[huurder 1] en [huurder 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LB Huizen B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
127,35
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.407,35
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.10.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurder 1] en [huurder 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ) te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van LB Huizen B.V. zijn, en de sleutels af te geven aan LB Huizen B.V.,
5.2.
veroordeelt [huurder 1] en [huurder 2] hoofdelijk om te betalen aan LB Huizen B.V.:
a. a) € 12.100,00 aan achterstallige huur tot en met mei 2026,
b) € 1.550,00 per maand of een gedeelte van de maand vanaf 1 juni 2026 tot de dag van de daadwerkelijke ontruiming,
5.3.
veroordeelt [huurder 1] en [huurder 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.407,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder 1] en [huurder 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [huurder 1] en [huurder 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boeder en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.