ECLI:NL:RBZWB:2026:51

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11827368 AZ VERZ 25-35 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Kool
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWArt. 7:681 BWArt. 7:682 BWArt. 7:685 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; toewijzing loon en vergoedingen aan werknemer

Werknemer trad op 22 april 2025 in dienst bij werkgever als verkoopster. Op 13 juli 2025 gaf werkgever via WhatsApp ontslag op staande voet wegens vermeend verlies van de winkel. Werknemer betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en vorderde loon, vergoedingen en correcte afhandeling.

De kantonrechter oordeelde dat het verlies van de winkel geen dringende reden vormt voor ontslag op staande voet, waardoor het ontslag onregelmatig maar niet onrechtmatig is. Er was onenigheid over het aantal gewerkte uren en het loon; de rechter ging uit van 8 uur per dag in april en een nettoloon van €15,00 per uur.

Werkgever betaalde niet volledig loon over mei en juni 2025, waarvoor hij veroordeeld werd tot betaling van het achterstallige loon, wettelijke rente en een wettelijke verhoging. Daarnaast werd werkgever veroordeeld tot betaling van vakantiegeld, transitievergoeding (€185,41 bruto), gefixeerde schadevergoeding (€1.542,01 bruto) en een billijke vergoeding (€1.500,00 bruto) wegens het onregelmatige ontslag.

Werkgever moet binnen veertien dagen correcte loonstroken verstrekken en schriftelijk bewijs leveren van aanmelding bij UWV en Belastingdienst en afdracht van loonheffingen en sociale premies. Bij niet-naleving geldt een dwangsom van €250 per dag, maximaal €10.000. Proceskosten van €1.039,00 zijn voor rekening van werkgever.

Uitkomst: Ontslag op staande voet is onregelmatig; werkgever moet loon, vergoedingen en bewijs van aanmelding aan werknemer betalen en verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11827368 \ AZ VERZ 25-35
Beschikking van 8 januari 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigden: mrs. J.A. de Waard en J.J. Blaak-Looij,
tegen
[werkgever] (V.)H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 4;
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is op 22 april 2025 in dienst getreden van [werkgever] als medewerkster/verkoopster in de bakkerswinkel van [werkgever] .
2.2.
In een WhatsAppbericht van 13 juli 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] gemeld dat de winkel verlies leed en dat hij zelf in zijn winkel ging staan.
2.3.
Partijen hebben gecorrespondeerd over de beëindiging van het dienstverband. Zij hebben daarover geen overeenstemming bereikt.

3.Het verzoek

3.1.
[werknemer] verzoekt – na wijziging van de verzoeken onder 1 en 2 op de mondelinge behandeling – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat het door [werkgever] gegeven ontslag op staande voet op 13 juli 2025 als onregelmatig en/of onrechtmatig dient te worden aangemerkt,
[werkgever] te veroordelen tot betaling van het achterstallige (netto)loon over de periode vanaf 22 april tot en met 13 juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,
[werkgever] te veroordelen tot betaling van het achterstallige vakantiegeld en tot het opstellen en afgeven van een correcte eindafrekening,
[werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 185,41 bruto,
[werkgever] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 1.542,01 bruto,
[werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 1.500,00 bruto,
[werkgever] te veroordelen tot:
het verstrekken van correcte en volledige loonstroken over de gehele duur van het dienstverband,
het met terugwerkende kracht aanmelden van [werknemer] bij het UWV en de Belastingdienst, vanaf 22 april 2025,
het alsnog afdragen van de over die periode verschuldigde loonheffingen en sociale premies,
het verstrekken van schriftelijk bewijs van de aanmelding bij het UWV en de Belastingdienst, alsmede van de afdracht van bedoelde heffingen en premies.
te bepalen dat [werkgever] een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag dat hij in gebreke blijft aan (één of meer van) de onder punt 7 gevraagde veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 10.000,00,
[werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[werknemer] legt het volgende ten grondslag aan haar verzoeken. Zij stelt dat het ontslag op staande voet op 13 juli 2025 niet rechtsgeldig is gegeven. Zij maakt aanspraak op vergoedingen die verband houden met dat niet-rechtsgeldige ontslag. Ook stelt zij dat [werkgever] haar te weinig loon heeft betaald. Verder stelt zij dat [werkgever] heeft verzuimd om een eindafrekening op te stellen, loonstroken te verstrekken, haar aan te melden bij het UWV en de Belastingdienst en loonheffingen en sociale premies af te dragen.
3.3.
[werkgever] voert verweer.
3.4.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover van belang – onder de beoordeling worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[werkgever] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat zijn WhatsAppbericht op 13 juli 2025 ertoe strekte het dienstverband per direct te beëindigen. Dat is een ontslag op staande voet. Op grond van de wet is voor een dergelijk ontslag nodig dat een partij daarvoor een dringende reden heeft en dat het ontslag onverwijld is gegeven onder onverwijlde mededeling van de dringende reden aan de wederpartij.
4.2.
Voor de werkgever wordt als dringende reden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De door [werkgever] in het WhatsAppbericht van 13 juli 2025 vermelde reden dat de winkel verlies leed, vormt geen dringende reden voor een ontslag op staande voet. Dat is geen daad, eigenschap of gedraging van [werknemer] .
4.3.
Omdat de dringende reden voor het ontslag ontbreekt, is het ontslag niet rechtsgeldig gegeven. Dat maakt dat het ontslag onregelmatig is. Het is niet onrechtmatig. De gevorderde verklaring dat het ontslag onregelmatig is, zal worden toegewezen.
4.4.
[werknemer] stelt dat [werkgever] haar te weinig loon heeft betaald. Daarvoor is van belang hoeveel uur [werknemer] werkte en wat haar loon was. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] werkte op de dinsdagen, woensdagen en donderdagen en dat zij vanaf mei 8 uur per dag werkte. Tussen partijen is in geschil hoeveel uur [werknemer] werkte in april. Volgens [werknemer] was dat 8 uur per dag. Volgens [werkgever] was dat 7,5 uur per dag en had zij een half uur pauze per dag. De onduidelijkheid op dit onderdeel komt voor rekening van [werkgever] . Op grond van de wet was [werkgever] verplicht om [werknemer] schriftelijk of elektronisch te informeren over haar arbeidstijden. Dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [werknemer] in april 8 uur per dag werkte, zoals [werknemer] stelt.
4.5.
Daarnaast is van belang wat het loon van [werknemer] was. Volgens [werknemer] was dit bruto per uur € 15,37 tot juli 2025 en € 15,69 vanaf juli 2025. Volgens [werkgever] was het loon € 15,00 netto per uur. De kantonrechter neem tot uitgangspunt dat het verschil tussen € 15,00 netto en € 15,69 bruto niet groter zal zijn dan het verschil tussen € 15,00 netto en het bruto equivalent daarvan. Daarom zal voor het nettoloon worden uitgegaan van € 15,00 per uur en voor het brutoloon van € 15,37 per uur tot juli 2025 en van € 15,69 per uur vanaf juli 2025.
4.6.
Gelet op het voorgaande bedraagt het nettoloon voor april 2025: 5 dagen * 8 uur *
€ 15,00, oftewel € 622,50. [werknemer] erkent dat [werkgever] dit bedrag heeft betaald. Voor het loon van april 2025 heeft [werknemer] dus niets meer te vorderen.
4.7.
Voor mei 2025 bedraagt het nettoloon: 13 dagen * 7 uur * € 15,00, oftewel
€ 1.365,00. [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat [werkgever] daarvan € 1.260,00 heeft betaald. [werkgever] heeft derhalve niet het volledige loon van mei 2025 betaald. Hij zal worden veroordeeld tot betaling van 13 dagen * 7 uur * € 15,37 bruto, oftewel € 1.398,67 bruto, waarop in mindering strekt de betaling van € 1.260,00 netto.
4.8.
Voor juni 2025 bedraagt het nettoloon: 12 dagen * 7 uur * € 15,00, oftewel
€ 1.260,00. [werknemer] heeft onweersproken gesteld dat [werkgever] daarvan € 1.173,50 heeft betaald. [werkgever] heeft derhalve niet het volledige loon van juni 2025 betaald. Hij zal worden veroordeeld tot betaling van 12 dagen * 7 uur * € 15,37 bruto, oftewel € 1.291,08 bruto, waarop in mindering strekt de betaling van € 1.173,50 netto.
4.9.
Voor juli 2025 bedraagt het nettoloon: 6 dagen * 7 uur * € 15,00, oftewel
€ 630,00. [werknemer] erkent dat [werkgever] dit bedrag op 21 juli 2025 heeft betaald. Voor het loon van juli 2025 heeft [werknemer] niets meer te vorderen.
4.10.
Op het achterstallige loon strekt nog in mindering een bedrag van € 50,00. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij een wasmachine en een aantal andere zaken van [werkgever] heeft ontvangen, waarvoor zij een vergoeding van € 50,00 aan hem is verschuldigd. Die € 50,00 zal in mindering worden gebracht op het achterstallige loon van mei 2025.
4.11.
Omdat [werkgever] het loon niet tijdig heeft betaald, is hij wettelijke rente verschuldigd. Op grond van de wet had [werkgever] het loon moeten betalen steeds na afloop van de periode waarover het loon moet worden berekend. Het verzoek daartoe zal worden toegewezen.
4.12.
Daarnaast is [werkgever] vanwege het niet tijdig betalen van het loon, de wettelijke verhoging verschuldigd. Gelet op de omstandigheden van het geval zal de kantonrechter de wettelijke verhoging beperken tot 25% over het achterstallige loon van mei en juni 2025, omdat dit billijk voorkomt. Vanwege de late betaling van het loon van juli 2025 zal een bedrag van € 63,00 als wettelijke verhoging worden toegewezen.
4.13.
Verder is [werkgever] op grond van de wet gehouden om over het loon 8% vakantiegeld te betalen aan [werknemer] . Ook dient hij een eindafrekening van het dienstverband te verstrekken aan [werknemer] . De verzoeken daartoe zullen worden toegewezen.
4.14.
Vanwege het beëindigen van het dienstverband is [werkgever] een transitievergoeding verschuldigd. [werknemer] heeft die transitievergoeding onweersproken berekend op € 185,41 bruto. Dit bedrag komt de kantonrechter juist voor. Die transitievergoeding zal worden toegewezen.
4.15.
Vanwege de onregelmatige opzegging is [werkgever] een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd, gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. [werknemer] heeft die vergoeding onweersproken berekend op een bedrag van € 1.542,01 bruto. Die vergoeding zal worden toegewezen.
4.16.
Omdat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven, komt [werknemer] een billijke vergoeding toe. Het geven van een niet rechtsgeldig ontslag is immers als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] aan te merken. Voor de billijke vergoeding gaat het erom dat [werknemer] wordt gecompenseerd voor het verlies van de waarde van de arbeidsovereenkomst.
4.17.
Daarvoor stelt [werknemer] dat zij stress heeft ondervonden en heeft geleden vanwege het verlies van haar baan. Zij houdt er rekening mee dat [werkgever] haar niet heeft aangemeld bij het UWV en de Belastingdienst en dat zij daardoor schade lijdt. Daarvoor zal, als niet weersproken, een billijke vergoeding van € 1.500,00 bruto worden toegewezen.
4.18.
[werkgever] dient loonstroken aan [werknemer] te verstrekken, haar aan te melden bij het UWV en de Belastingdienst en loonheffingen en sociale premies af te dragen. Op de mondelinge behandeling heeft [werkgever] verklaard dat hij geen loonstroken heeft opgesteld omdat dit door toedoen van [werknemer] niet mogelijk was. [werkgever] miskent op dit onderdeel dat hij verplicht is de loonstroken op te stellen en dat hij daarvoor de medewerking van [werknemer] niet nodig heeft. [werkgever] zal worden veroordeeld de loonstroken te verstrekken binnen veertien dagen na de datum van de beschikking.
4.19.
Ten aanzien van de aanmelding bij het UWV en de Belastingdienst en de afdracht van loonheffingen en sociale premies heeft [werkgever] verklaard op de mondelinge behandeling dat dit reeds is gebeurd door een payrollbedrijf. Hij had op de mondelinge behandeling geen stukken voorhanden om dit aan te tonen. [werkgever] zal worden veroordeeld om binnen veertien dagen na de datum van de beschikking schriftelijk bewijs te verstrekken van de aanmelding bij het UWV en de Belastingdienst, alsmede van de afdracht van loonheffingen en sociale premies.
4.20.
Voor het geval [werkgever] niet voldoet aan de veroordeling om het bewijs te verstrekken, zal hij voorwaardelijk worden veroordeeld om binnen zeven dagen [werknemer] aan te melden bij het UWV en de Belastingdienst, alsmede de loonheffingen en sociale premies af te dragen.
4.21.
De gevorderde dwangsom is niet weersproken. Die zal toegewezen.
4.22.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 1.039,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat het door [werkgever] gegeven ontslag op staande voet op 13 juli 2025 als onregelmatig dient te worden aangemerkt,
5.2.
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van het achterstallige loon van mei 2025 van € 1.398,67 bruto, waarop in mindering strekt de betaling van € 1.260,00 netto en een bedrag van € 50,00 netto, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2025,
5.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van het achterstallige loon van juni 2025 van € 1.291,08 bruto, waarop in mindering strekt de betaling van € 1.173,50 netto, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2025,
5.4.
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke rente over het niet tijdig betaalde loon van juli 2025 van 13 tot 21 juli 2025,
5.5.
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van de wettelijke verhoging van 25% over het achterstallige loon van mei en juni 2025 en € 63,00 vanwege de niet tijdige betaling van het loon van juli 2025,
5.6.
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van het achterstallige vakantiegeld, berekend over het dienstverband, en tot verstrekking aan [werknemer] van een correcte eindafrekening,
5.7.
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van € 185,41 bruto,
5.8.
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van een gefixeerde schadevergoeding van € 1.542,01 bruto,
5.9.
veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van een billijke vergoeding van € 1.500,00 bruto,
5.10.
veroordeelt [werkgever] tot verstrekking aan [werknemer] binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking van correcte en volledige loonstroken over de gehele duur van het dienstverband,
5.11.
veroordeelt [werkgever] tot verstrekking aan [werknemer] binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking van schriftelijk bewijs van de aanmelding vanaf 22 april 2025 bij het UWV en de Belastingdienst, alsmede van de afdracht van loonheffing en sociale premies,
5.12.
veroordeelt [werkgever] voorwaardelijk, namelijk voor het geval hij de veroordeling in punt 5.10 niet nakomt, binnen zeven dagen na aanschrijving daartoe het met terugwerkende kracht vanaf 22 april 2025 aanmelden van [werknemer] bij het UWV en de Belastingdienst, alsmede het afdragen van de tijdens het dienstverband verschuldigde loonheffingen en sociale premies,
5.13.
bepaalt dat indien [werkgever] in gebreke blijf aan een of meer van de veroordelingen in de punten 5.10 en 5.12 te voldoen, hij een dwangsom is verschuldigd van € 250,00 per dag, te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van de beschikking, met een maximum van
€ 10.000,00,
5.14.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, waarbij die kosten aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.15.
verklaart de beslissingen in 5.2 tot en met 5.14 uitvoerbaar bij voorraad,
5.16.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Kool en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.