Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5120

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
26/2570
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning voor twee maanden

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Terneuzen om de woning van verzoeker voor twee maanden te sluiten. Verzoeker betwist de sluiting en voert meerdere gronden aan om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter constateert dat de bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting over te gaan niet wordt betwist en dat de burgemeester de sluiting duidelijk en redelijk heeft gemotiveerd, met name vanwege het voorkomen van overlast ('de loop eruit halen'). De geschiktheid van de maatregel staat niet ter discussie.

De voorzieningenrechter weegt ook de evenredigheid van de maatregel. Hoewel verzoeker aangeeft dat alternatieve huisvesting niet haalbaar is en vreest de woning definitief kwijt te raken, is er sprake van verwijtbaarheid van verzoeker zelf. De tijdelijke sluiting is een logisch gevolg van zijn gedragingen. Medische omstandigheden en mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst worden niet als zwaarwegend genoeg gezien om de sluiting te schorsen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, met de kanttekening dat de burgemeester verzoeker vier weken uitstel geeft voordat de sluiting ingaat, zodat hij nog kan verblijven tijdens een ziekenhuiscontrole. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2570
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. W.R. Aerts),
en

de burgemeester van de gemeente Terneuzen.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [woningcorporatie] uit [plaats] ( [woningcorporatie] ).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het sluiten van de woning van verzoeker aan de [adres] in [woonplaats] voor twee maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
Met het bestreden besluit van 28 april 2026 heeft de burgemeester besloten de woning van verzoeker voor twee maanden te sluiten
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en [gemachtigde] namens de burgemeester.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter constateert dat de bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting over te gaan niet wordt bestreden. Ook erkent verzoeker dat de burgemeester in beginsel van deze bevoegdheid gebruik mag maken.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft de evenredigheid getoetst. De geschiktheid is niet in geschil. De burgemeester heeft duidelijk gemotiveerd waarom hij de sluiting noodzakelijk acht. Die motivering is niet onredelijk. De belangrijkste reden is dat hij de loop eruit wil halen. Anders dan verzoeker stelt, ziet de voorzieningenrechter wel redenen om aan te nemen dat er een loop is.
2.3.
De sluiting moet ook evenwichtig zijn. Verzoeker heeft aangegeven dat hij op zoek is naar andere woonruimte, maar dat de door de burgemeester aangedragen alternatieve huisvesting niet haalbaar of onwenselijk is. Bovendien vreest hij de woning definitief kwijt te raken. De voorzieningenrechter overweegt dat dit besluit het gevolg is van gedragingen van verzoeker zelf. Er is sprake van verwijtbaarheid. Verzoeker is hier niet alleen maar slachtoffer. Dan is het tijdelijk verliezen van de woning een logisch gevolg van dit besluit. Verzoeker heeft inmiddels een operatie ondergaan en zal nog een controleafspraak hebben, maar dit leidt niet tot de conclusie dat er een bijzondere binding met de woning is. Het definitieve verlies van de woning doordat [woningcorporatie] de overeenkomst mogelijk buitengerechtelijk zal kunnen ontbinden is op dit moment nog onzeker en als dat gebeurt is het geen direct gevolg van de sluiting, maar een mogelijk indirect gevolg. Dat weegt de voorzieningenrechter niet mee in zijn oordeel. Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat de maatregel voldoende evenwichtig is en dat er geen aanleiding is om de sluiting nu te schorsen.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De burgemeester heeft ter zitting aangegeven dat hij verzoeker nog vier weken de tijd geeft voordat de sluiting ingaat, zodat hij ten tijde van de volgende controle in het ziekenhuis in [plaats] nog in zijn huis kan wonen. Dat betekent dat de sluiting niet voor 1 juli plaats zal vinden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026 door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.