Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[eisende partij 1] B.V.,
2.
[eisende partij 2] B.V.,
1.De procedure
- de akte van [eisende partijen]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eisers stelden dat gedaagde onrechtmatig had gehandeld door een niet-rechtsgeldige borgstelling te doen, waarbij de handtekening van zijn echtgenote op de toestemmingsverklaring niet van haar afkomstig was. Zij vorderden schadevergoeding wegens het vertrouwen op de borgstelling.
De rechtbank stelde vast dat er aanzienlijke geldleningen waren verstrekt aan ondernemingen waarvan gedaagde bestuurder was, met afspraken over maandelijkse betalingen en borgstelling. De notariële akte met borgstelling was in januari 2020 verleden, maar de handtekening van de echtgenote op de toestemmingsverklaring was betwist.
Gedaagde ontkende onrechtmatig te hebben gehandeld en betwistte het verstrekken van de toestemmingsverklaring en identiteitsbewijs. Eisers konden niet concreet maken dat zij bij kennis van het ontbreken van een rechtsgeldige borgstelling direct rechtsmaatregelen zouden hebben getroffen die tot incasso hadden geleid.
De rechtbank oordeelde dat het causaal verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen en de schade onvoldoende was onderbouwd. Er waren geen feiten of omstandigheden gesteld die aannemelijk maakten dat rechtsmaatregelen destijds zouden zijn genomen. Daarom werd de vordering afgewezen en werden eisers veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering afgewezen wegens onvoldoende onderbouwd causaal verband tussen onrechtmatig handelen en schade.