AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor rijden zonder rijbewijs, rijden onder invloed, joyriding, boksbeugel en MDMA-transport
Op 7 september 2024 reed verdachte zonder rijbewijs en onder invloed van alcohol op de snelweg A16 en omliggende wegen in Breda. Tijdens een achtervolging negeerde hij meerdere verkeersregels, waaronder stoptekens, rode verkeerslichten en reed met hoge snelheid, wat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel opleverde. Verdachte veroorzaakte ook schade aan andere voertuigen en reed op een lekke band.
Daarnaast maakte verdachte zich schuldig aan joyriding door zonder toestemming de auto van zijn moeder te gebruiken. Bij fouillering werd een boksbeugel aangetroffen, een verboden wapen, en ongeveer 26 MDMA-pillen, wat duidt op het opzettelijk vervoeren van drugs.
De rechtbank achtte alle feiten wettig en overtuigend bewezen, verwierp de meeste verweren van de verdediging en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn lichte verstandelijke beperking en psychische stoornissen. De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe en legde een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand met een proeftijd van twee jaar op, een rijontzegging van 18 maanden en een geldboete van €100.
De inbeslaggenomen boksbeugel en MDMA-pillen werden onttrokken aan het verkeer. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden. De straf is mede gebaseerd op de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact van drugsbezit en wapenbezit.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 1 maand voorwaardelijke jeugddetentie, 18 maanden rijontzegging en een geldboete van €100.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-381542-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
raadsvrouw mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas, advocaat te Breda.
1.Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in 't Veld en de gemachtigde raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2.De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 7 september 2024:
feit 1:terwijl hij in een personenauto reed zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs van de categorie B, door zijn verkeersgedragingen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk voor anderen heeft veroorzaakt, dan wel daardoor gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
feit 2:in een auto heeft gereden, terwijl aan hem geen rijbewijs van de categorie B was
afgegeven; feit 3:onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd, terwijl aan hem geen rijbewijs
van de categorie B was afgegeven; feit 4:zich schuldig heeft gemaakt aan joyriding; feit 5:een boksbeugel voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen; feit 6:opzettelijk MDMA-pillen aanwezig heeft gehad.
3.De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de (primair) ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich ten aanzien van feit 1 primair en feit 4 op het standpunt dat geen sprake is van opzet, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van deze feiten. Ten aanzien van feit 1 subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor feit 3 bepleit de verdediging vrijspraak wegens een kwalificatiefout in de dagvaarding. Ten aanzien van feit 5 stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte niet wist dat een boksbeugel verboden was. Onder feit 6 kan enkel het aanwezig hebben van MDMA worden bewezen en wordt partieel vrijspraak bepleit voor het vervoeren van MDMA. Voor feit 2 wordt geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Onder feit 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij, terwijl hij in een personenauto reed zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs van de categorie B, door zijn verkeersgedragingen levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor anderen heeft veroorzaakt (artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW), dan wel daardoor gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt (artikel 5 WVWPro).
Vaststelling van feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 7 september 2024 omstreeks 23:00 uur een personenauto heeft bestuurd op onder andere de snelweg A16 terwijl hij niet over een geldig rijbewijs beschikte. Het was schemerig en het wegdek was nat. Verdachte negeerde een stopteken van verbalisanten, waarna hij met een veel te hoge snelheid ervandoor ging. Ook optische geluidssignalen werden door verdachte genegeerd.
De verbalisanten hebben waargenomen dat verdachte een personenauto rechts inhaalde, niet afremde voor zijstraten en oversteekplaatsen en over vrijwel de gehele route de maximumsnelheid overtrad. Ook negeerde verdachte tot twee keer toe een rood uitstralend verkeerslicht en raakte hij tijdens zijn dollemansrit twee keer een personenauto. Uiteindelijk reed verdachte zijn band lek, waarop hij zijn tocht vervolgde op de velg van zijn band. Tot slot nemen verbalisanten waar dat verdachte rakelings langs een stoep met voetgangers reed.
Uiteindelijk komt verdachte tegen een lantaarnpaal tot stilstand en bleek dat hij onder invloed van alcohol heeft gereden.
Artikel 5a WVW
Om vast te kunnen stellen dat het verkeersgedrag van verdachte aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW voldoet, moet de rechtbank beoordelen of de verdachte met zijn verkeersgedrag zoals hiervoor vastgesteld (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. De rechtbank merkt daarbij op dat het in artikel 5a, eerste lid, WVW om een niet-limitatieve lijst aan gedragingen gaat.
Schenden van verkeersregels
Uit het dossier volgt dat verdachte een auto heeft bestuurd zonder dat hij in het bezit van een rijbewijs was en na het gebruik van fors meer alcohol dan is toegestaan. Bovendien heeft hij de maximumsnelheid in aanzienlijke mate overschreden, waarbij hij onder meer over kruisingen is gereden, meerdere rode verkeerslichten heeft genegeerd, over het voetpad is gereden en tegen geparkeerde voertuigen is gereden.
In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Volgens de wetgever gaat het daarbij bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden en overige feiten in ogenschouw worden genomen.
Uit de hiervoor genoemde vastgestelde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat sprake is van een aaneenschakeling van gevaarlijke verkeersovertredingen en is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
OpzettelijkVolgens de wetgever moet het opzet van de verdachte zowel zijn gericht op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Niet vereist is dat het opzet van verdachte was gericht op het gevolg, namelijk dat door het in ernstige mate schenden van de verkeersregels levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Uit de gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte wilde ontkomen aan het hem achtervolgende voertuig waarin de politieambtenaren zaten. Verdachte heeft ook zelf bij de politie verklaard dat hij bewust niet is gestopt toen hij de zwaailichten van de politie zag, omdat hij wist dat hij fout zat. Met dat doel heeft hij opzettelijk en in ernstige mate meerdere verkeersregels geschonden.
Gevaar te duchtenOm vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. De rechtbank acht het voorzienbaar dat een gevaarlijke situatie op de weg ontstaat, met kans op overlijden of zwaar lichamelijk letsel van andere weggebruikers als gevolg, wanneer een bestuurder van een auto aan de politie tracht te ontkomen en daartoe met een veel te hoge snelheid rijdt, rechts inhaalt, door rood en zonder rijbewijs rijdt. In het bijzonder is in dit geval voor de gevaarzetting van belang dat verdachte tijdens zijn dollemansrit tot twee keer toe een ander voertuig heeft geraakt en rakelings langs een stoep met voetgangers is gereden. Dit alles gebeurde in de avond, terwijl het schemerig was en het wegdek nat. Ook dit heeft bijgedragen aan het gevaar dat verdachte onder die omstandigheden veroorzaakte.
Conclusie
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW, zodat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair ten laste gelegde.
Feit 2
Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een auto heeft bestuurd, zonder dat aan hem een rijbewijs van de categorie B was afgegeven. Uit de processen-verbaal van bevindingen volgt dat de politie na de achtervolging en staandehouding van verdachte is gebleken dat aan hem geen rijbewijs is afgegeven voor de categorie B. Verdachte heeft zelf ook bij de politie verklaard dat hij geen rijbewijs heeft. De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Onder feit 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij, terwijl aan hem geen rijbewijs was afgegeven, een auto heeft bestuurd onder invloed van alcohol.
Na de achtervolging en staandehouding is verdachte onderworpen aan een ademanalyse. Daaruit is gebleken dat het alcoholgehalte van zijn adem 125 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg.
De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van een kwalificatiefout op de dagvaarding, omdat onder de tekst van feit 3 in de tenlastelegging artikel 8, derde lid, WVW staat vermeld, maar dit artikel ziet op een beginnend bestuurder. Nu verdachte geen rijbewijshouder, en dus geen beginnend bestuurder, was, is een veroordeling op basis van dit artikel niet mogelijk. De rechtbank schuift dit verweer terzijde. Daartoe overweegt zij dat de tekst van de tenlastelegging leidend is en niet het daaronder genoemde artikel. Bovenal verklaart artikel 8, vierde lid, WVW het derde lid van overeenkomstige toepassing op een ieder aan wie geen rijbewijs is afgegeven. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4
Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan joyriding.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de auto waarin hij reed van zijn ouders was. Hij heeft tegen zijn ouders gezegd dat hij wegging en heeft vervolgens de sleutel van de auto gezocht. Daarna heeft hij naar eigen zeggen gewacht op het juiste moment om te gaan rijden. De moeder van verdachte, aangeefster [aangeefster] , heeft verklaard dat zij in de veronderstelling was dat verdachte lopend van huis was gegaan. Zij heeft vervolgens van de vriendin van verdachte vernomen dat verdachte met haar auto van huis was gegaan. Moeder heeft verklaard dat zij verdachte geen toestemming heeft gegeven om met haar auto te rijden.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen volgt dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk in de auto van zijn moeder heeft gereden. De rechtbank acht het onder feit 4 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 5
Onder feit 5 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij een boksbeugel voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben of dragen van een wapen in de zin van artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat verdachte een wapen bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Voor een bewezenverklaring van het dragen is van belang of de boksbeugel zich op de openbare weg of een andere voor publiek toegankelijke plaats bevond en al dan niet voor onmiddellijk gebruik kon worden aangewend.
De politie heeft de boksbeugel bij de insluitingsfouillering van verdachte aangetroffen in zijn jaszak. Verdachte heeft verklaard dat hij de boksbeugel bij zich droeg en dat hij dat deed voor zijn veiligheid. Daaruit volgt dat verdachte de boksbeugel bewust aanwezig heeft gehad en dat hij de beschikkingsmacht over die boksbeugel had. Dat verdachte niet wist dat hij geen boksbeugel mocht hebben, doet daar niets aan af. Ook droeg verdachte de boksbeugel in het openbaar bij zich en bovendien zodanig dat deze voor hem gemakkelijk te pakken viel voor eventueel gebruik. De rechtbank acht het onder feit 5 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 6
Onder feit 6 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij opzettelijk 26 MDMA-pillen heeft vervoerd of in elk geval aanwezig heeft gehad.
Ten aanzien van het vervoeren van de MDMA heeft de raadsvrouw ter zitting bepleit dat daarvan geen sprake kan zijn, omdat vervoeren een actief transport met een bestemmingsdoel vereist. Nu dat bestemmingsdoel niet is gebleken, dient vrijspraak te volgen voor vervoeren. De rechtbank schuift dit verweer terzijde en overweegt daartoe dat onder vervoeren wordt verstaan het van de ene plaats naar de andere brengen, waarbij wordt opgemerkt dat het begrip vervoeren ruim wordt geïnterpreteerd. Een bestemmingsdoel is daarbij niet vereist. Nu verdachte de MDMA in zijn nektasje droeg en in de auto had liggen waarvan hij de bestuurder was, acht de rechtbank ook het opzettelijk vervoeren van de MDMA wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op 7 september 2024 te Breda als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A16 en/of de Backer en Ruebweg en/of de Westerhagelaan en/of de Muizenberg en/of de Kesterenbaan en/of de Arendberglaan en/of de Merodelaan en/of de Hondsdonk en/of de Emerparklaan en/of de Moerlaken en/of de Groenedijk en/of de Hamdijk en/of de Brasschaatstraat en/of de Molstraat en/of de Alard Duhamelstraat en/of de Evert Spoorwaterstraat en/of de Hendrik Berlagestraat en/of de Cornelis Outshoornstraat en/of de Jacob Romanastraat en/of de Lelystraat, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- terwijl voor hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe bovenstaande motorrijtuig behoort als bedoeld in artikel 107 lid 1 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 en
- terwijl het wegdek nat was
meermalen met (zeer) hoge snelheid te rijden en meermalen te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en (hierbij) over kruisingen en een verkeersdrempel te rijden en meermalen een rood verkeerslicht te negeren en één voertuig rechts in te halen, en over een voetpad/stoep te rijden, en tegen geparkeerde voertuigen aan te rijden en over enige afstand twee rijstroken te gebruiken en bovenstaande handelingen gedeeltelijk te verrichten met een lekke band en al rijdend op een velg (vanwege het verliezen van die lekke band), door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
feit 2
op 7 september 2024 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A16 en de Backer en Ruebweg en de Westerhagelaan en de Muizenberg en de Kesterenbaan en de Arendberglaan en de Merodelaan en de Hondsdonk en de Emerparklaan en de Moerlaken en de Groenedijk en de Hamdijk en de Brasschaatstraat en de Molstraat en de Alard Duhamelstraat en de Evert Spoorwaterstraat en de Hendrik Berlagestraat en de Cornelis Outshoornstraat en de Jacob Romanastraat en de Lelystraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel
116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat motorrijtuig behoorde;
feit 3
op 7 september 2024 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 125 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en voor hem, verdachte, geen rijbewijs van categorie B is afgegeven;
feit 4
te Breda op 7 september 2024 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [aangeefster] , als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de A16 en de Backer en Ruebweg en de Westerhagelaan en de Muizenberg en de Kesterenbaan en de Arendberglaan en de Merodelaan en de Hondsdonk en de Emerparklaan en de Moerlaken en de Groenedijk en de Hamdijk en de Brasschaatstraat en de Molstraat en de Alard Duhamelstraat en de Evert Spoorwaterstraat en de Hendrik Berlagestraat en de Cornelis Outshoornstraat en de Jacob Romanastraat en de Lelystraat;
feit 5
op 7 september 2024 te Breda een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, heeft gedragen;
feit 6
op 7 september 2024 te Breda opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 26 MDMA-pillen zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5.De strafbaarheid
5.1.
De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
5.2.
De strafbaarheid van verdachte
De rechtbank constateert dat er geen deskundigenadvies is opgesteld omtrent de toerekenbaarheid van verdachte. Uit de rapportage van de reclassering volgt wel dat bij verdachte verschillende stoornissen aanwezig zijn. De rechtbank heeft daarmee wel informatie over de persoon van verdachte en zijn stoornissen, maar niet over de doorwerking daarvan op de ten laste gelegde feiten. Voor de rechtbank blijkt uit de voorhanden zijnde informatie voldoende dat geen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Verdachte is dus strafbaar. Wel ziet rechtbank dat er veel bij verdachte speelt en zal met die omstandigheden rekening houden bij de straftoemeting.
6.De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert ten aanzien van de misdrijven onder de feiten 1, 3 en 6 aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast vordert hij om aan verdachte voor deze feiten een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden op te leggen. Ten aanzien van de overtredingen onder de feiten 2, 4 en 5 vordert hij aan verdachte voor elk van de overtredingen een geldboete van € 100,- op te leggen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de feiten verdachte in (sterk) verminderde mate kunnen worden toegerekend vanwege de bij verdachte aanwezige stoornissen en de doorwerking daarvan op de feiten. De verdediging verzoekt de rechtbank om bij strafoplegging het jeugdstrafrecht toe te passen. Primair verzoekt zij echter verdachte schuldig te verklaren zonder strafoplegging. Subsidiair verzoekt zij, gelet op de onuitvoerbaarheid van een taakstraf en geldboete, een voorwaardelijke jeugddetentie zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Op 7 september 2024 heeft verdachte de auto van zijn moeder meegenomen zonder dat hij daar toestemming voor had. Verdachte heeft de auto bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven en terwijl hij onder invloed was van alcohol. Zodra de politie verdachte in het vizier kreeg, heeft er een achtervolging van zo’n vijftien minuten plaatsgevonden waarbij verdachte ontzettend gevaarlijk heeft gereden. Verdachte heeft de maximumsnelheid in aanzienlijke mate overschreden en is daarbij over meerdere kruisingen gereden, heeft rode verkeerslichten genegeerd, is over het voetpad gereden en is tegen geparkeerde auto’s aangereden. De achtervolging stopte doordat verdachte met de auto van de weg raakte, frontaal een lantaarnpaal raakte en de auto tot stilstand kwam. Verdachte heeft met zijn handelen de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en heeft onaanvaardbare risico’s op ernstige gevolgen in het leven geroepen. Het mag een gelukkige omstandigheid worden genoemd dat er tijdens de achtervolging geen doden of ernstig gewonden zijn gevallen.
Bij de insluitingsfouillering van verdachte werden 26 MDMA-pillen aangetroffen. Het is algemeen bekend dat drugs, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de handel in drugs veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, geweldsdelicten en illegale geldstromen die de samenleving ontwrichten. Verdachte kan door zijn handelen medeverantwoordelijk worden gehouden voor het in stand houden van de handel en deze gevolgen. Verder is bij de insluitingsfouillering van verdachte een boksbeugel aangetroffen. Dit is een verboden wapen dat bij uitstek geschikt is om letsel toe te brengen en bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte in februari 2025 is veroordeeld voor een overtreding van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering. Daaruit volgt dat de reclassering het psychosociaal functioneren van verdachte als de belangrijkste delictgerelateerde factor ziet. Verdachte is licht verstandelijk beperkt en er is sprake van een Autismespectrumstoornis (ASS) en een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS). Daardoor is het emotioneel functioneren van verdachte gestagneerd op een niveau niet hoger dan dat van iemand van achttien maanden. De reclassering ziet een groot verschil tussen wat verdachte kan en aankan, waardoor hij vaak wordt overschat. Verdachte heeft een grote behoefte aan structuur en nabijheid en is zeer contextgevoelig. Ten tijde van de verdenking had verdachte veel last van stress en angst vanwege veranderingen die een recente verhuizing met zich hebben gebracht. Verder heeft verdachte een langdurige hulpverleningsgeschiedenis, waarin hij traumatische ervaringen heeft opgedaan. Verdachte verblijft in een passende woonvorm van [zorgorganisatie] waar hij ook dagbesteding heeft. Zijn ouders zijn zijn mentor en bewindvoerder. De zorg rondom verdachte is zorgvuldig vormgegeven en de belangrijkste factor als het gaat om het reguleren van zijn gedrag en het voorkomen van probleemgedrag. De reclassering schat het recidiverisico in als laag-gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden als hoog. Zij adviseert de rechtbank het jeugdstrafrecht toe te passen en om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Gelet op de problematiek van verdachte zijn reclasseringsinterventies niet uitvoerbaar en zouden contraproductief werken en bovendien leiden tot stress en uiteindelijk meer probleemgedrag. Daarnaast geeft de reclassering aan dat een gevangenisstraf een grote impact op het psychosociaal functioneren en algemeen welzijn van verdachte zal hebben en bovendien kan een dergelijke straf een trigger zijn voor zijn PTSS-klachten. Verder acht de reclassering verdachte niet in staat een taakstraf uit te voeren, nu hij enkel werkzaamheden kan uitvoeren die behoren tot zijn vaste structuur. Verdachte heeft een beperkt inkomen en schulden, zodat ook een financiële sanctie niet uitvoerbaar is.
Uit de schriftelijke verklaring van 6 mei 2026 van mevrouw [orthopedagoog] , orthopedagoog bij [zorgorganisatie] , volgt dat verdachte cognitief relatief hoog functioneert en verbaal vaardig is, maar dat sprake is van een zeer laag sociaal emotioneel ontwikkelingsniveau. Dat maakt verdachte kwetsbaar, met name in situaties die onduidelijk of spanningsvol zijn. Verdachte heeft in het verleden op stress en onduidelijkheid gereageerd met zich onttrekken aan begeleiding, wegloopgedrag en het innemen van een overdosis medicatie. Dat laat zijn beperkte draagkracht in belastende situaties zien.
Strafoplegging
De rechtbank past bij de strafoplegging het jeugdstrafrecht toe. Verder houdt zij rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals hiervoor uit het reclasseringsrapport zijn gebleken. Alles afwegende acht de rechtbank de straf zoals geëist door de officier van justitie passend, behalve dat de feiten 4 en 5 misdrijven en geen overtredingen betreffen. De rechtbank legt voor de feiten 1 primair, 3, 4, 5 en 6 aan verdachte op een jeugddetentie van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bij feit 1 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden. Voor feit 2 legt de rechtbank op een geldboete van € 100,-.
7.Het beslag
De inbeslaggenomen voorwerpen (MDMA en boksbeugel) worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
8.De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 57, 62, 63, 77c, 77g, 77i, 77l, 77r, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 5a, 8, 11, 107, 176, 177 en 179 van de Wegverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9.Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair:overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2:overtreding van artikel 107 vanPro de Wegenverkeerswet 1994;
feit 3:overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel
a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4:overtreding van artikel 11 vanPro de Wegenverkeerswet 1994;
feit 5:handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 6:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet
gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging feiten 1 primair, 3, 4, 5 en 6
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Bijkomende straf bij feit 1
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 18 maanden;
Strafoplegging feit 2
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 100,-;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van 1 dag;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:
* 1 STK Boksbeugel (G2768472);
* 4 STK Xtc (G2768477);
* 22 STK Xtc (G2768486).
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 juni 2026.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Breda en/of elders in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A16 en/of de Backer en Ruebweg en/of de Westerhagelaan en/of de Muizenberg en/of de Kesterenbaan en/of de Arendberglaan en/of de Merodelaan en/of de Hondsdonk en/of de Emerparklaan en/of de Moerlaken en/of de Groenedijk en/of de Hamdijk en/of de Brasschaatstraat en/of de Molstraat en/of de Alard Duhamelstraat en/of de Evert Spoorwaterstraat en/of de Hendrik Berlagestraat en/of de Cornelis Outshoornstraat en/of de Jacob Romanastraat en/of de Lelystraat, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- terwijl voor hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe bovenstaande motorrijtuig behoort als bedoeld in artikel 107 lid 1 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 -, en/of
- terwijl het wegdek nat/vochtig was -
meermalen althans eenmaal, met (zeer) hoge snelhe(i)d(en) te rijden, in elk geval met (een) snelhe(i)d(en) die hoger lagen dan de wettelijk toegestane maximum snelhe(i)d(en), en/of
meermalen, althans eenmaal, te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of (hierbij) over één of meer kruising(en) en/of een verkeersdrempel te rijden, meermalen, althans eenmaal, een rood verkeerslicht te negeren, althans door een rood verkeerlicht te rijden, en/of één voertuig rechts in te halen, en/of geheel of gedeeltelijk over een voetpad/stoep te rijden, en/of tegen één of meer geparkeerd(e) voertuig(en) aan te rijden, en/of over enige afstand twee rijstroken te gebruiken, en/of bovenstaande handelingen gedeeltelijk te verrichten met een lekke band en/of al rijdend op een velg (vanwege het verliezen van die lekke band), door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was
( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Breda en/of elders in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A16 en/of de Backer en Ruebweg en/of de Westerhagelaan en/of de Muizenberg en/of de Kesterenbaan en/of de Arendberglaan en/of de Merodelaan en/of de Hondsdonk en/of de Emerparklaan en/of de Moerlaken en/of de Groenedijk en/of de Hamdijk en/of de Brasschaatstraat en/of de Molstraat en/of de Alard Duhamelstraat en/of de Evert Spoorwaterstraat en/of de Hendrik Berlagestraat en/of de Cornelis Outshoornstraat en/of de Jacob Romanastraat en/of de Lelystraat,
- terwijl voor hem, verdachte, geen rijbewijs was afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe bovenstaande motorrijtuig behoort als bedoeld in artikel 107 lid 1 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 -, en/of
- terwijl het wegdek nat/vochtig was -
meermalen althans eenmaal, met (zeer) hoge snelhe(i)d(en) heeft gereden, in elk geval met (een) snelhe(i)d(en) die hoger lagen dan de wettelijk toegestane maximum snelhe(i)d(en), en/of meermalen, althans eenmaal, heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of (hierbij) over één of meer kruising(en) en/of een verkeersdrempel heeft gereden, meermalen, althans eenmaal, een rood verkeerslicht heeft genegeerd, althans door een rood verkeerlicht heeft gereden, en/of één voertuig rechts heeft ingehaald, en/of geheel of gedeeltelijk over een voetpad/stoep heeft gereden, en/of tegen één of meer geparkeerd(e) voertuig(en) is aangereden, en/of over enige afstand twee rijstroken heeft gebruikt, en/of bovenstaande handelingen gedeeltelijk heeft verricht met een lekke band en/of al rijdend op een velg (vanwege het verliezen van die lekke band), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Breda en/of elders in Nederland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A16 en/of de Backer en Ruebweg en/of de Westerhagelaan en/of de Muizenberg en/of de Kesterenbaan en/of de Arendberglaan en/of de Merodelaan en/of de Hondsdonk en/of de Emerparklaan en/of de Moerlaken en/of de Groenedijk en/of de Hamdijk en/of de Brasschaatstraat en/of de Molstraat en/of de Alard Duhamelstraat en/of de Evert Spoorwaterstraat en/of de Hendrik Berlagestraat en/of de Cornelis Outshoornstraat en/of de Jacob Romanastraat en/of de Lelystraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Breda en/of elders in Nederland als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 125 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en voor hem, verdachte, geen rijbewijs van categorie B is afgegeven;
( art 8 lid 3 ahfPro/sub a onder 2° Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 3 ahfPro/sub a onder 3° Wegenverkeerswet 1994 )
4
hij te Breda op of omstreeks 7 september 2024 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de A16 en/of de Backer en Ruebweg en/of de Westerhagelaan en/of de Muizenberg en/of de Kesterenbaan en/of de Arendberglaan en/of de Merodelaan en/of de Hondsdonk en/of de Emerparklaan en/of de Moerlaken en/of de Groenedijk en/of de Hamdijk en/of de Brasschaatstraat en/of de Molstraat en/of de Alard Duhamelstraat en/of de Evert Spoorwaterstraat en/of de Hendrik Berlagestraat en/of de Cornelis Outshoornstraat en/of de Jacob Romanastraat en/of de Lelystraat, in elk geval op een weg;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Breda, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Breda opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 26 MDMA-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
( art 10 lid 4 OpiumwetPro, art 2 ahfPro/ond B Opiumwet )