ECLI:NL:RBZWB:2026:513

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
24/2525 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 8:72 AwbArt. 8:106 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende motivering urenbeperking

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd die door het UWV is geweigerd op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank het medisch oordeel van het UWV onderzocht, waarbij onder meer rapportages van verzekeringsartsen en psychodiagnostisch onderzoek zijn betrokken.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, maar dat de verzekeringsarts b&b onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de urenbeperking per datum in geding (22 december 2021) lager zou zijn dan de urenbeperking vastgesteld per 10 augustus 2022. De toename van depressieve klachten in de tussenliggende periode is onvoldoende onderbouwd.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen waarbij de urenbeperking per datum in geding wordt aangepast. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de urenbeperking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/2525 WIA

uitspraak van 29 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. A.M. Bezuijen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder,
gemachtigde: mr. H.M. van Gent.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering aan hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 18 januari 2022 (primair besluit) geweigerd per
22 december 2021 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 12 januari 2024 is het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft de behandeling op zitting geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen om nadere stukken en een nadere motivering van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) te overleggen.
1.4.
Het UWV heeft op 11 april 2025 verschillende stukken ingebracht, namelijk een rapportage van [verzekeringsarts b&b 1] van 7 april 2025 en de stukken in het kader van de WIA-beoordeling naar aanleiding van de WIA-aanvraag van 8 juli 2024. Daarna heeft het UWV, op verzoek van de rechtbank, nog een rapportage van verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] van 19 september 2022 in het kader van de ziektewetbeoordeling overgelegd. De gemachtigde van eiser heeft met de brief van 21 augustus 2025 op deze stukken gereageerd en daarbij informatie van eisers huisarts gevoegd.
1.5.
De rechtbank heeft op 25 november 2025 het onderzoek gesloten, nadat partijen is gevraagd of een tweede zitting gewenst is en zij hebben laten weten dat daaraan geen behoefte bestaat. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
Bij deze beoordeling is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
3. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van het UWV, waarbij aan eiser een WIA-uitkering is geweigerd per 22 december 2021, geen standhoudt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming bestreden besluit
4. Eiser is werkzaam geweest als interieurverzorger/schoonmaker bij een school voor 25,78 uur per week en als algemeen medewerker bij een garage voor 10 uur per week. Voor het werk als schoonmaker is hij op 4 december 2019 uitgevallen met vermoeidheids-klachten. Later heeft hij zich voor het werk bij de garage ook ziekgemeld.
4.1.
Met het primaire besluit van 18 januari 2022 heeft het UWV aan eiser met ingang van 22 december 2021 een WIA-uitkering geweigerd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
4.2.
Met het bestreden besluit van 12 januari 2024 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.
4.3.
Op 10 augustus 2022 heeft eiser zich opnieuw ziekgemeld vanuit een WW-situatie. Met het besluit van 24 september 2024, gewijzigd met het besluit van 13 maart 2025, heeft het UWV aan eiser met ingang van 10 augustus 2022 een IVA-uitkering – een uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten – toegekend. Aan dit besluit ligt onder meer de rapportage van verzekeringsarts Raad van 14 augustus 2024 en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum ten grondslag. Deze FML is geldig vanaf 10 augustus 2022.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
5. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op de rapporten van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] van 15 december 2021 en [verzekeringsarts b&b 1] van 5 oktober 2023.
Verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] heeft eiser gezien op het spreekuur, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden; er is geen sprake van een opname, bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid, onvoldoende persoonlijk en sociaal functioneren noch wisselende afnemende belastbaarheid. Eiser heeft energetische klachten en ervaart energetische belemmeringen, maar er is geen medisch substraat voor deze klachten. Eiser wijt zijn moeheid aan zijn gehoorstoornis die hij vanaf zijn geboorte heeft, maar heeft geen verklaring waarom die klachten nu pas optreden. In het activiteitenpatroon van eiser valt op dat hij voortdurend bezig is met zijn hobby’s, 2 dagen per week 5 uurtjes aangepast werk doet en enkele dagen per week naar de [school] gaat. De verzekeringsarts ziet geen medische reden om een urenbeperking te stellen van meer dan
8 uur per dag en 40 uur per week. Wel moet er rekening worden gehouden met eisers gehoorstoornis en lichte beperking voor voortdurende en intensieve concentratie, multitasken, met meerdere mensen (tegelijk) aan een taakopdracht werken, conflicten en deadlines. Vanwege zijn handklachten geeft de verzekeringsarts een lichte beperking voor fysiek zwaar werk. De verzekeringsarts heeft eisers beperkingen en de belastbaarheid neergelegd in de FML van 15 december 2021.
[verzekeringsarts b&b 1] heeft eiser gezien op de hoorzitting, hem daar geobserveerd en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn onderzoek medische informatie van de psychiater van 20 december 2021, een psychodiagnostisch onderzoek van de orthopedagoog van 22 maart 2021 en een brief van de orthopedagoog van 27 januari 2021 betrokken. De verzekeringsarts b&b ziet in deze informatie aanleiding om meer beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren aan te nemen dan de primaire verzekeringsarts heeft gedaan. Uit het psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat eiser, naast een laag begaafd/moeilijk lerend niveau in combinatie met slechthorendheid, ook cognitief fors geremd wordt door zijn gebrekkige talige vaardigheden en werkgeheugen. Met het aannemen van aanvullende beperkingen wordt volgens de verzekeringsarts b&b overvraging van eiser voorkomen. De verzekeringsarts b&b ziet geen reden om aanvullende beperkingen voor de handen aan te nemen. De reeds aangenomen beperkingen door de verzekeringsarts zijn passend bij het onderzoek. Bij lichamelijk onderzoek is de kracht van de armen goed en zijn er geen afwijkingen aan de gewrichten van de handen. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat eisers handen geen probleem opleverden bij de werkzaamheden. Uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts blijkt voorts dat eiser zijn hobby’s nog uitvoerde. Conform de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid ziet de verzekeringsarts b&b evenmin aanleiding voor een verdergaande urenbeperking. Uit de primaire rapportage blijkt dat eiser gedurende de dag meermaals terug naar bed gaat om te slapen. Er is echter geen sprake van een medisch objectiveerbare stoornis die deze verhoogde recuperatiebehoefte kan verklaren. Bij aanvullend onderzoek door de behandelend sector kon geen somatische oorzaak worden gevonden voor de toegenomen vermoeidheidsklachten die eiser claimt. Verder wordt in de medische informatie van de behandelaren aangegeven dat een traumatische ervaring in combinatie met een aanpassingsstoornis geleid kan hebben tot vermoeidheid en somberheidsklachten, maar ook door overvraging. Met de reeds vastgestelde en toegevoegde beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren wordt voldoende rekening gehouden met de kwetsbaarheden van eiser waardoor verdere overvraging volgens de verzekeringsarts b&b niet te verwachten is. De verzekeringsarts b&b heeft eisers beperkingen en de belastbaarheid neergelegd in de gewijzigde FML van 5 oktober 2023. Deze FML is geldig vanaf 2 december 2021.
In beroep heeft [verzekeringsarts b&b 1] in zijn rapportage van 7 april 2025 een nadere motivering gegeven naar aanleiding van de vraag van de rechtbank over de IVA-uitkering die aan eiser met ingang van 10 augustus 2022 is toegekend. De verzekeringsarts b&b stelt dat een forsere urenbeperking per augustus 2022 geïndiceerd is vanwege de toegenomen depressieve klachten na de datum in geding. Hij wijst op de rapportage van 19 september 2022, waaruit blijkt dat eiser last heeft van moeheid en dat er toegenomen depressieve klachten zijn vanaf de lente 2022. Zijn levenslust is weg, hij ziet niets meer zitten, het plezier is weg, zijn stemming is somber en hij had vaak negatieve gedachten. Hoewel eiser al jaren antidepressiva gebruikt, ervaart hij sinds de lente 2022 toegenomen depressieve klachten. Uit de primaire rapportage van 15 december 2021 blijkt volgens de verzekeringsarts b&b niet dat de genoemde klachten al aanwezig waren, hetgeen ook verklaard kan worden doordat deze vanaf lente 2022 zijn toegenomen.
5.1.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts b&b niet alle medische informatie in zijn onderzoek betrokken heeft, en dat zijn beperkingen zijn onderschat.
Het psychodiagnostisch onderzoek, dat in 2021 is verricht, is volgens eiser onvoldoende meegewogen. Uit het intelligentieonderzoek blijkt dat verbaal verworven kennis, verbale vaardigheden en het werkgeheugen duidelijk remmende factoren zijn voor eiser, mede in combinatie met zijn auditieve beperking. Volgens de orthopedagoog is het voor eiser lastig om informatie vast te houden in het geheugen en om vervolgens met die informatie iets te doen. Daarnaast acht de orthopedagoog het waarschijnlijk dat eiser wordt – en het grootste deel van zijn leven is – overschat en overvraagd door zijn omgeving. De continue druk en het jarenlang bovenmatig inspannen hebben geresulteerd in depressieve klachten en extreme vermoeidheid. Zo slaapt eiser gedurende de dag gemiddeld 3 keer 2 uur en heeft hij medicatie voor de depressie, maar nog steeds zijn depressieve gedachten aanwezig. Volgens eiser had de informatie van de orthopedagoog aanleiding moeten zijn om verdergaande beperkingen te stellen op persoonlijk en sociaal functioneren. Tot slot stelt eiser dat in verband met zijn ernstige vermoeidheidsklachten een urenbeperking gesteld had moeten worden. Hij is niet in staat om 8 uur per dag te werken.
In reactie op de rapportage van [verzekeringsarts b&b 1] van 7 april 2025 heeft eiser gesteld dat hij per 10 augustus 2022 duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is aangemerkt en dat de situatie op datum in geding 22 december 2021 niet anders was. Ook toen was hij slechthorend, kampte hij met extreme vermoeidheidsklachten en depressiviteit, werd hij overschat en overvraagd. Eiser onderbouwt dit met een huisartsenjournaal waarin ook in december 2021 van deze klachten melding wordt gemaakt.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten en de aanwezige medische informatie hebben betrokken in hun beoordeling. Eiser is daarnaast in de primaire fase gezien door de verzekeringsarts op het spreekuur en in de bezwaarfase gezien door de verzekeringsarts b&b bij de hoorzitting. De rechtbank heeft dan ook geen aanwijzingen dat de verzekeringsartsen informatie misten om tot een zorgvuldige beoordeling te komen.
5.3.
Vervolgens is het de vraag of de verzekeringsarts b&b eisers belastbaarheid juist heeft vastgelegd in de FML van 5 oktober 2023.
5.3.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de beperkingen die de verzekeringsarts b&b heeft aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts b&b heeft het psychodiagnostisch onderzoek betrokken en naar aanleiding daarvan aanvullende beperkingen aangenomen in deze rubrieken. Niet gebleken is dat daarmee de functionele mogelijkheden van eiser op dit vlak niet juist zijn vastgesteld.
5.3.2.
Verder is tussen partijen in geschil de urenbeperking. De rechtbank stelt vast dat het verschil tussen onderhavige FML van 5 oktober 2023 (die geldig is vanaf 2 december 2021) en de FML van 14 augustus 2024 (die gelding heeft met ingang van 10 augustus 2022 en mede ten grondslag ligt aan de toekenning van een IVA-uitkering aan eiser) is gelegen in de urenbeperking. In de FML van 5 oktober 2023 is eiser enigszins beperkt op de aspecten 6.2 (uren per dag) en 6.3 (uren per week): kan gemiddeld ongeveer 8 uur per dag werken en gemiddeld ongeveer 40 uren per week. In de FML van 14 augustus 2024 is een urenbeperking gesteld van gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week, op beide aspecten met de toelichting dat het genoemde aantal uren een maximum betreft in passende activiteiten of werkzaamheden waarbij rekening gehouden wordt met de beschreven beperkingen. Voor het overige zijn de FML van 5 oktober 2023 en de FML van 14 augustus 2024 gelijk.
5.3.3.
De rechtbank is van oordeel dat verzekeringsarts b&b van het UWV het verschil in de beoordeling van eisers belastbaarheid per datum in geding 22 december 2021 en per 10 augustus 2022 onvoldoende heeft kunnen uitleggen. Er is slechts 8 maanden gelegen tussen beide beoordelingsdata. De verzekeringsarts b&b heeft onvoldoende gemotiveerd dat de gezondheidstoestand van eiser in de tussenliggende periode dusdanig is gewijzigd dat dit het verschil in urenbeperking kan verklaren.
Het standpunt van de verzekeringsarts b&b dat eisers depressieve klachten in die 8 maanden zijn toegenomen, baseert hij op de anamnese in de rapportage van 19 september 2022; dat eiser aangeeft dat het in de lente 2022 minder met hem ging, dat hij last heeft van moeheid, zijn levenslust weg is en de stemming somber is. In deze anamnese gaf eiser ook aan dat ten tijde van het onderzoek wel sprake was van enige verbetering, dat hij geen hulp heeft gezocht en dat hij eerder al bij Eleos had aangeklopt maar ze hem niet verder konden helpen. Op de vraag of er iets is voorgevallen in de lente gaf eiser aan dat dit niet zo is. Het beeld dat uit deze anamnese naar voren komt, is dan ook niet wezenlijk anders dan het beeld dat blijkt uit de informatie van eerdere datum.
De verzekeringsarts b&b geeft aan dat uit de rapportage van 15 december 2021 niet is gebleken dat de genoemde klachten al aanwezig waren, maar uit de medische informatie kan worden afgeleid dat de depressieve klachten al langer bestaan. De rechtbank betrekt daarbij dat in het huisartsenjournaal de episode (gemaskeerde) depressie vanaf 3 juli 1997 (zonder einddatum) vermeld staat en dat in de rapportage van 14 augustus 2024 [verzekeringsarts b&b 2] bij de medische overwegingen spreekt over een reeds bekende (chronische) depressie. In de anamnese van deze rapportage wordt vermeld dat eiser feitelijk al jaren last heeft van vermoeidheid en sombere stemming, waarvoor hij al jaren antidepressivum gebruikt. Ook de brief van 27 januari 2021 van Geestelijke Gezondheidszorg en Maatschappelijke Dienstverlening (GGMD) voor Doven en Slechthorenden aan de huisarts en de anamnese in de rapportage van verzekeringsarts [verzekeringsarts 3] van 6 augustus 2021 (opgesteld in het kader van een deskundigenoordeel) maken melding van somberheidsklachten, onverwerkte traumatische ervaring in combinatie met aanpassingsstoornis en verdwijnen van levenslust. Dat eiser in het verleden behandeld is geweest voor psychische klachten komt naar voren in het verslag van de bedrijfsarts van 9 september 2021 en de rapportage van [verzekeringsarts b&b 2] van 14 augustus 2024. In de lente van 2022 heeft eiser daarentegen geen hulp gezocht voor de depressieve klachten en de medicatie is niet gewijzigd.
Daar komt bij dat de orthopedagoog in de rapportage naar aanleiding van een psychodiagnostisch onderzoek een verklaring geeft voor de vermoeidheidsklachten van eiser, die hij als ernstig benoemd, namelijk dat sprake is structurele overvraging in cognitie en communicatie. Dat geeft eiser het gevoel dat hij aan een bepaalde maatstaf moet voldoen, die niet passend is voor iemand met laag begaafd/moeilijk lerend niveau in combinatie met slechthorendheid. Dit past bij het dagverhaal van eiser in de rapportages van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] van 15 december 2021 en de rapportage van [verzekeringsarts 3] van
6 augustus 2021, waaruit volgt dat eiser overdag slaapmomenten heeft.
5.3.4.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering voor wat betreft de urenbeperking. De FML geldend per 2 december 2021 dient te worden aangepast door de per 10 augustus 2022 vastgestelde urenbeperking ook per datum in geding aan te nemen. Om deze reden kan het bestreden besluit geen standhouden. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het arbeidskundige deel van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen omdat in de FML de urenbeperking moet worden aangepast, wat invloed heeft op de arbeidskundige beoordeling.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor 6 weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt) en heeft een schriftelijk reactie ingediend op de nadere rapportage van de verzekeringsarts b&b (0,5 punt). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op totaal € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het UWV op binnen 6 weken, nadat de termijn om hoger beroep in te stellen
ongebruikt is verstreken of nadat in hoger beroep is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.335,- bedrag aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 29 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.