Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- het mondelinge verzoek van Raad op 11 mei 2026;
- de schriftelijke bevestiging van het verzoek van Raad met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 11 mei 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2012, vanwege acuut en ernstig gevaar voor diens ontwikkeling. De minderjarige verbleef sinds 22 april 2026 in een kliniek, maar vertoonde verbaal en fysiek geweld, waardoor deze plaatsing werd beëindigd. Ter overbrugging verbleef hij tijdelijk bij zijn moeder, die echter aangaf overbelast te zijn en de verantwoordelijkheid niet langer te kunnen dragen.
De kinderrechter oordeelde dat de situatie de regie in het vrijwillig kader overstijgt en dat onmiddellijke inzet van een jeugdbeschermer noodzakelijk is. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd, en voortzetting van hulpverlening zonder ondertoezichtstelling is ontoereikend.
Daarom werd de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering voor de duur van twee weken, met ingang van 11 mei 2026 tot 25 mei 2026. De behandeling van het verzoek wordt verder aangehouden en een zitting gepland om de betrokken partijen te horen. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld wegens acuut en ernstig gevaar en overbelasting van de moeder.