ECLI:NL:RBZWB:2026:5149

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/3083
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.136 BblArt. 4.138 BblArt. 4.141 BblArt. 5.1 BblArt. 5.4 Bbl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen weigering handhavingsverzoek rookgasafvoerkanaal wegens onjuist juridisch kader

Eisers dienden op 29 september 2024 een handhavingsverzoek in tegen het rookgasafvoerkanaal van hun buren, stellende dat de uitmonding niet aan de wettelijke eisen voldoet. Het college van burgemeester en wethouders van Veere wees dit verzoek af, stellende dat het kanaal voldeed aan de normen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

De rechtbank oordeelt dat het college onterecht het juridische kader van bestaande bouw (hoofdstuk 3 Bbl) toepaste, terwijl op grond van de feitelijke situatie en de regelgeving hoofdstuk 4 Bbl (nieuwbouw) van toepassing is. Dit betekent dat het rookgasafvoerkanaal aan strengere eisen, waaronder de NEN-norm 2757, moet voldoen.

De rechtbank stelt vast dat het kanaal niet voldoet aan de minimale hoogte-eisen volgens deze norm en vernietigt het bestreden besluit en het primaire besluit. Het college wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en primaire besluit worden vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3083 OWHAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,
(gemachtigde: mr. M. Busse),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere (het college), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [buren] uit [woonplaats] (hierna gezamenlijk aangeduid als de buren).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eisers ten aanzien van de afvoerhoogte van de uitmonding van het rookgasafvoerkanaal van de buren. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het handhavingsverzoek mocht afwijzen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het onjuiste juridische kader heeft toegepast in zijn besluitvorming
.Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 29 april 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en namens het college [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . De buren zijn, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.
2.4.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3.1.
Op 29 september 2024 hebben eisers een verzoek om handhaving ingediend bij het college. Het handhavingsverzoek ziet op de woning van hun buren aan [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). Eisers zijn van mening dat de afvoerhoogte van de uitmonding van het rookgasafvoerkanaal van de woning niet aan de wettelijke eisen voldoet.
3.2.
Op 4 december 2024 heeft een toezichthouder van het college een controle uitgevoerd bij de woning. De toezichthouder concludeert dat de hoogtebepaling en positie van de uitmonding van het rookgasafvoerkanaal voldoet aan de gestelde eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De bevindingen van de toezichthouder zijn neergelegd in een rapport van 18 december 2024.
3.3.
Met het besluit van 9 januari 2025 (primair besluit) heeft het college het handhavingsverzoek van eisers afgewezen, omdat de uitmonding van het rookgasafvoerkanaal aan de wettelijke eisen voldoet.
3.4.
Eisers hebben op 14 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.5.
Vervolgens is het bestreden besluit genomen en is er door eisers beroep ingesteld.
Wettelijk kader
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
4.3.
Het verzoek om handhaving is gedaan op 29 september 2024. Het bestreden besluit is daarmee gebaseerd op de per 1 januari 2024 in werking getreden Ow.
Bestreden besluit
5.1.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat hij het handhavingsverzoek van eisers mocht afwijzen. Er is een rookgasafvoerkanaal geplaatst in een bestaand gebouw. Het plaatsen van een (nieuw) rookgasafvoerkanaal is een verandering die valt binnen de definitie van verbouwen volgens het Bbl en voor verbouw is hoofdstuk 5 van het Bbl van toepassing. [1] Het bestaande bouwwerk is in dit geval de aanbouw en de verbouwing is het plaatsen van een rookgasafvoerkanaal. Artikel 5.4 van het Bbl specificeert welke regels er van toepassing zijn op het verbouwen van een bouwwerk. Daarnaast moet op grond van de artikelen 5.15 en 5.16 van het Bbl voldaan worden aan de prestatieniveaus die zijn opgenomen in de artikelen 4.126, 4.127, 4.138, 4.139 en 4.141 van het Bbl.
5.2.
Eisers hebben geen gronden ingediend die zien op het niet voldoen aan een prestatieniveau en uit het rapport van de toezichthouder blijkt op geen enkele manier dat aan deze eisen niet wordt voldaan. De toezichthouder heeft in zijn rapport overtuigend inzichtelijk gemaakt dat en waarom sprake is van het verbouwen van een bestaand bouwwerk. Voor bestaande bouw is hoofdstuk 3 van het Bbl van toepassing. In dit hoofdstuk staat onder artikel 3.76, vierde lid, van het Bbl opgenomen dat een voorziening voor de afvoer van rookgas moet voldoen aan de NEN-norm 8757. Aangezien artikel 4.136 van het Bbl niet staat opgenomen in afdeling 5.3 van het Bbl als aanvullend prestatieniveau, is de NEN-norm 2757 niet van toepassing. In het rapport van de toezichthouder worden de voorwaarden voor de hoogte van de uitmonding van een rookgasafvoerkanaal volgens de NEN-norm 8757 opgesomd en doormiddel van een foto wordt duidelijk dat aan deze eisen wordt voldaan. Er is dus geen sprake van een overtreding.
5.3.
Ten slotte is de vraag naar wanneer het rookgasafvoerkanaal in gebruik was niet relevant voor de beoordeling van het handhavingsverzoek. Er is een verzoek om handhaving gedaan, omdat eisers meende dat niet werd voldaan aan de regels voor de hoogte van de uitmonding van het rookafvoerkanaal. Het college heeft daarom binnen dat kader op het handhavingsverzoek beslist.
Beroepsgronden
6.1.
Eisers zijn van mening dat het college niet getoetst heeft aan de juiste regelgeving. De bouw van de woning en de vergunningsvrije aanbouw zijn volledig nieuwbouw, omdat de gehele oude woning - inclusief fundering - is gesloopt. Het aangebrachte rookgasafvoerkanaal is onderdeel van de nieuwbouw. In het geval het rookgasafvoerkanaal wordt gezien als een wijziging van de al gebouwde vergunningsvrije aanbouw, is er sprake van verbouw volgens de definitie van het Bbl. Het betreft dan namelijk het gedeeltelijk veranderen van een bestaand bouwwerk. Of er sprake is van nieuwbouw of van verbouw is niet van belang voor de van toepassing zijnde regelgeving. Ook op verbouw is namelijk hoofdstuk 4 van het Bbl van toepassing. Dit is anders als sprake is van een rechtens verkregen niveau. [2] Volgens het college zijn slechts de artikelen 4.138, 4.139 en 4.141 van hoofdstuk 4 van toepassing, omdat deze gelden bovenop het rechtens verkregen niveau. Dit is onjuist, omdat geen sprake is van een rechtens verkregen niveau waardoor alle artikelen van hoofdstuk 4 van het Bbl gelden. Volgens artikel 4.136 van het Bbl moet de rookgasafvoer daarom voldoen aan de NEN-norm 2757.
6.2.
De redenering van het college dat sprake is van het verbouwen van een bestaand bouwwerk waardoor hoofdstuk 3 van het Bbl van toepassing is, is onjuist. Er is geconcludeerd dat sprake is van verbouw, waardoor hoofdstuk 4 van het Bbl van toepassing is. Het is onduidelijk waarom het college vervolgens terugvalt op de vereisten voor bestaande bouw uit hoofdstuk 3 van het Bbl.
6.3.
Ten slotte voldoet het rookgasafvoerkanaal van de woning niet aan artikel 4.138, derde lid, van het Bbl en niet aan de NEN-norm 2757 waar het rookgasafvoerkanaal aan moet voldoen volgens artikel 4.136 van het Bbl. Eisers verwijzen ter onderbouwing hiervan naar het deskundigenrapport. De minimale hoogte van het rookgasafvoerkanaal volgens de van toepassing zijnde NEN-norm bedraagt 2,69 meter, terwijl het geplaatste rookgasafvoerkanaal een hoogte heeft van 2,05 meter. De conclusie is dat het rookgasafvoerkanaal niet voldoet aan de vereisten voor nieuwbouw, die ook van toepassing zijn op verbouw.
Oordeel van de rechtbank
Handhavend optreden
7.1.
Handhavend optreden is alleen mogelijk als sprake is van een overtreding. [3] Een overtreding is “
een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. [4] Als sprake is van een overtreding, moet het college in beginsel gebruik maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden. Dat wordt de beginselplicht tot handhaving genoemd. [5]
7.2.
De rechtbank moet dus beoordelen of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een overtreding, waardoor hij niet handhavend mocht optreden.
7.3.
De rechtbank overweegt dat op zitting is gebleken dat partijen het bij nader inzien eens zijn dat sprake is van verbouwen. Het college heeft in het verlengde hiervan op zitting erkend dat hij getoetst heeft aan het onjuiste juridische kader.
Nieuwbouw/verbouw en van toepassing zijnde regels Bbl
8.1.
Artikel 5.1 van het Bbl bepaalt dat hoofdstuk 5 van toepassing is op bouwactiviteiten die het verbouwen en het verplaatsen van een bestaand bouwwerk betreffen en op de wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk.
8.2.
Bijlage I bij artikel 1.1 van het Bbl geeft een definitie van ‘verbouwen’. Verbouwen is gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten, anders dan vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert.
8.3.
Artikel 5.4, eerste lid, van het Bbl bepaalt dat op het verbouwen van een bouwwerk de regels van hoofdstuk 4 van toepassing zijn, waarbij in plaats van het in die regels bedoelde niveau van eisen wordt uitgegaan van het in artikel 5.5 bedoelde rechtens verkregen niveau tenzij in afdeling 5.3 anders is bepaald.
8.4.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 5.4, eerste lid, van het Bbl dat hoofdstuk 4 van het Bbl in dit geval volledig van toepassing is. Met betrekking tot het minimale eisenniveau geldt dat uitgegaan moet worden van het rechtens verkregen niveau, tenzij in afdeling 5.3 anders is bepaald. In dit geval is in artikel 5.16 van het Bbl - dit artikel valt in afdeling 5.3 van het Bbl - anders bepaald. Het rechtens verkregen niveau speelt in dit geval dus geen rol.
8.5.
Artikel 5.16, eerste lid, van het Bbl bepaalt dat bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas, in aanvulling op artikel 5.4, de in de artikelen 4.138 en 4.141 aangegeven prestatieniveaus gelden. De Nota van Toelichting zegt over dit artikel dat voor de plaats van de opening en voor de rookdoorlatendheid, in afwijking van de algemene regel die uitgaat van het rechtens verkregen niveau, het niveau van eisen voor nieuwbouw moet worden aangehouden. De rechtbank kan de motivering in het bestreden besluit dat sprake is van verbouw en de regels uit hoofdstuk 3 van het Bbl (bestaande bouw) daarom van toepassing zijn, op grond van het voorgaande niet volgen. De eisen uit hoofdstuk 4 (nieuwbouw) van het Bbl zijn in deze zaak van toepassing en daarom moet het rookgasafvoerkanaal voldoen aan de NEN-norm 2757.
8.6.
Het college heeft op zitting aangegeven dat het voor de uitkomst van de zaak misschien niet uitmaakt dat het onjuiste juridische kader is toegepast. Daarnaast plaatst het college vraagtekens bij het deskundigenrapport van eisers aangezien het meten op basis van foto’s heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat het aan het college is om te onderzoeken of een overtreding zich voordoet en dat vaststaat dat hij het onjuiste juridische kader heeft toegepast. Het besluit kan alleen al daarom niet in stand blijven. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de toezichthouder, net als de deskundige van eisers, gemeten heeft aan de hand van foto’s. Dit argument van het college snijdt dus (ook) geen hout.

Conclusie en gevolgen

9.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het primaire besluit van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een zogenaamde bestuurlijke lus, zoals bedoeld in artikel 8:51a van de Awb. Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om deze zaak af te doen.
9.2.
De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, bepalen dat het college een nieuw besluit op het handhavingsverzoek van eisers moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van acht weken.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. In deze zaak bedraagt het griffierecht € 194,-. Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook hebben eisers verzocht om vergoeding van de kosten die de door hun ingeschakelde deskundige heeft gemaakt voor het uitbrengen van een deskundigenadvies. Ter onderbouwing hebben eisers een factuur van 13 juni 2025 overgelegd van [deskundige] ter hoogte van € 373,59 inclusief BTW. Zowel het inschakelen van de deskundige als de gemaakte kosten vindt de rechtbank redelijk, zodat het college zal worden veroordeeld tot het vergoeden van deze kosten.
9.4.
Het totaal van de door het college aan eisers te vergoeden proceskosten komt daarmee op (€ 1.868,- + € 373,59 =) € 2.241,59.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit van 9 januari 2025;
  • bepaalt dat het college binnen acht weken een nieuw besluit op het handhavingsverzoek van eisers moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
  • bepaalt dat het college een proceskostenvergoeding van € 2.241,59 aan eisers moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 11 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Artikel 4.136 (capaciteit: afvoer van rookgas)
1. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.
2. Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rookgas. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.
Artikel 4.138 (plaats van de uitmonding)
1. De volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor rookgas is ter plaatse van een instroomopening van een voorziening voor luchtverversing als bedoeld in artikel 4.122 niet groter dan aangegeven in tabel 4.138. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen voorzieningen en belemmeringen buiten beschouwing.
Tabel 4.138 Verdunningsfactoren
soort afvoer
verdunningsfactor
Afvoervoorziening voor rookgas bij gasgestookte toestellen
0,01
Afvoervoorziening voor rookgas bij toestellen met andere brandstoffen
0,0015
Afvoervoorziening voor luchtverversing
0,01
2. Een niet boven het dakvlak gelegen uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ligt:
op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten langszij aan de uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie; en
op een afstand van ten minste 2 m van de bouwwerkperceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie.
3. Een boven het dakvlak gelegen uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas voor een niet-gasgestookt verbrandingstoestel ligt op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens.
4. Een uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen ligt boven het dakvlak.
5. Als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt bij het bepalen van de in het tweede en derde lid bedoelde afstand uitgegaan van de afstand tot het hart van die weg, dat water of dat groen.
6. Een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.
Artikel 4.141 (rookdoorlatendheid)
Het inwendig oppervlak van een afvoervoorziening voor rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 2757 bepaalde doorlatendheid die niet groter is dan de doorlatendheid, aangegeven in tabel 4.141.
Tabel 4.141 Rookdoorlatendheid
soort rookgasafvoer
toegestane doorlatendheid
Een overdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757
0,006 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 200 Pa
Een onderdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757
3 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak, gemeten bij een drukverschil van 40 Pa
Artikel 5.1 (toepassingsbereik: activiteiten)
Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwactiviteiten die het verbouwen en het verplaatsen van een bestaand bouwwerk betreffen en op de wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk.
Artikel 5.4 (verbouw), eerste lid
Op het verbouwen van een bouwwerk zijn de regels van hoofdstuk 4 van toepassing, waarbij in plaats van het in die regels bedoelde niveau van eisen wordt uitgegaan van het in artikel 5.5 bedoelde rechtens verkregen niveau tenzij in afdeling 5.3 anders is bepaald.
Artikel 5.5. (rechtens verkregen niveau)
1. Het kwaliteitsniveau van een bouwwerk of gedeelte daarvan is na een verbouwing niet lager dan het toegestane kwaliteitsniveau onmiddellijk voorafgaand aan die verbouwing.
2. Voor zover het in het eerste lid bedoelde kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing lager is dan het niveau voor bestaande bouw geldt in afwijking van eerste lid het niveau voor bestaande bouw als het ten minste aan te houden kwaliteitsniveau.
3. Voor zover het kwaliteitsniveau voorafgaand aan de verbouwing hoger is dan het niveau voor nieuwbouw geldt in afwijking van eerste lid het niveau voor nieuwbouw als ten minste aan te houden kwaliteitsniveau.
Artikel 5.16 (afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht)
1. Bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in de artikelen 4.138 en 4.141 aangegeven prestatieniveaus.
2. Bij het installeren van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in artikel 4.139 aangegeven prestatieniveaus.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het vervangen van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding of toevoeropening niet wijzigt.
Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving
verbouwen:gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten, anders dan vernieuwen na sloop waarbij alleen de oorspronkelijke fundering resteert (…)

Voetnoten

1.Artikel 5.1 van het Bbl.
2.Artikel 5.5, eerste lid, van het Bbl.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
4.Artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.