Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] ,
Samenvatting
.Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.” [4] Als sprake is van een overtreding, moet het college in beginsel gebruik maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden. Dat wordt de beginselplicht tot handhaving genoemd. [5]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit van 9 januari 2025;
- bepaalt dat het college binnen acht weken een nieuw besluit op het handhavingsverzoek van eisers moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- bepaalt dat het college een proceskostenvergoeding van € 2.241,59 aan eisers moet betalen.
mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 11 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.