Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5153

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/7911
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 1 Verordening parkeerbelastingen Etten-Leur 2024Art. 8:36c Algemene wet bestuursrechtArt. 27h AWRArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd wegens onvoldoende kenbaarheid parkeerzone

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat op 4 oktober 2024 geen parkeerbelasting was voldaan voor het parkeren aan de Stationsstraat te Etten-Leur. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat niet is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Belanghebbende stelde dat er sprake was van vrij parkeren omdat het parkeerbord pas na de parkeervakken stond en de Stationsstraat een eenrichtingsweg is. De heffingsambtenaar kon niet aannemelijk maken dat belanghebbende een parkeerbord was gepasseerd voordat zij parkeerde.

De rechtbank concludeert dat het voor belanghebbende niet voldoende kenbaar was dat op die locatie parkeerbelasting verschuldigd was. Daarom wordt de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar vernietigd. De heffingsambtenaar moet het griffierecht vergoeden, maar er zijn geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd wegens onvoldoende kenbaarheid van de parkeerzone.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7911

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Etten-Leur, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 oktober 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 11 oktober 2026 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen waren niet aanwezig.
1.4.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 2 maart 2026 naar het adres [adres] onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Aangezien uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 6 maart 2026 is afgehaald bij een PostNL-punt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
1.5.
Namens de heffingsambtenaar is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 2 maart 2026 in het digitaal dossier van de heffingsambtenaar een bericht geplaatst waarbij de heffingsambtenaar is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan de heffingsambtenaar verzonden naar het door de heffingsambtenaar voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat de heffingsambtenaar dit bericht op 2 maart 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat de heffingsambtenaar correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. De auto met kenteken [kenteken] stond op 4 oktober 2024 omstreeks 13.56 uur stil aan de Stationsstraat te Etten-Leur. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
4.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 77,22 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 0,52 en € 76,70 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Motivering

Toetsingskader van de rechtbank
5. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het nagenoeg gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening parkeerbelastingen Etten-Leur 2024 (de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
6. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 4 oktober 2024 geparkeerd stond aan de Stationsstraat te Etten-Leur. Evenmin is in geschil dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft betaald.
6.1.
Belanghebbende stelt dat sprake is van vrij parkeren op de plek waar zij het voertuig had geparkeerd. Het parkeerbord staat namelijk na de parkeervakken. Daarbij is de Stationsstraat is een eenrichtingsweg. De heffingsambtenaar voert aan dat de gehele Stationsstraat is aangemerkt als gebied waar tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden. Verder voert de heffingsambtenaar aan dat belanghebbende een onderzoeksplicht heeft en dat ter plaatste relevante bebording is aangebracht, ook aan het begin van de parkeerzone.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak kan het bestaan van de verplichting om parkeerbelasting te voldoen blijken uit de aanwezigheid van parkeerapparatuur bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, of uit borden of andere aanwijzingen bij of in de directe omgeving van de parkeerplaats, op een zodanige wijze dat er redelijkerwijs geen misverstand over kan bestaan dat parkeerbelasting verschuldigd is voor de parkeerplaats (de kenbaarheid). Verder blijkt uit de rechtspraak dat van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van het al dan niet verschuldigd zijn van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Op de parkeerder rust dan ook een onderzoeksplicht. [2]
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. De heffingsambtenaar heeft enkel gesteld maar niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een parkeerbord is gepasseerd aan het begin van de straat. Belanghebbende heeft foto’s overgelegd waaruit blijkt dat er geen parkeerbord aan het begin van de straat staat maar pas verderop in de straat. Aangezien de Stationsstraat een eenrichtingsweg is heeft belanghebbende geen parkeerbord gepasseerd voordat zij de auto heeft geparkeerd. Het is daardoor voor belanghebbende niet voldoende kenbaar geweest dat op deze locatie parkeerbelasting verschuldigd is. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte opgelegd.
6.4.
Het beroep is om de voorgaande reden gegrond. De overige beroepsgronden van belanghebbende behoeven daarom geen beoordeling.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Gravenhage, 8 september 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN7139 en Gerechtshof Amsterdam, 28 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:669.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.