ECLI:NL:RBZWB:2026:516

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
02-136852-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag door verdachte op zijn broer met een mes

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zijn broer met een mes heeft gestoken. De verdachte, geboren in Somalië in 1989, was ten tijde van het onderzoek preventief gedetineerd. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. F. van Peski, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging betrof een poging tot doodslag, waarbij de verdachte zijn broer in de buik en het been heeft gestoken. De rechtbank oordeelde dat er wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan deze poging tot doodslag. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden op, waarbij rekening werd gehouden met het strafblad van de verdachte en het advies van de reclassering. De rechtbank concludeerde dat de verdachte niet in een situatie van noodweer verkeerde en dat zijn handelen disproportioneel was. Het in beslag genomen mes werd onttrokken aan het verkeer, terwijl een wodkafles aan de verdachte werd teruggegeven.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-136852-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. F. van Peski en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, door hem met een mes in de borst en/of buik en/of bovenbeen te steken dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn jongere broer. Het met kracht met een mes in de buikstreek steken waar zich vitale organen bevinden, levert een aanmerkelijke kans op de dood op en verdachte heeft die kans bewust aanvaard. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte en de verklaringen van aangever en de zus van verdachte zoals afgelegd bij de politie. Het scenario dat verdachte gedrogeerd was, bang was dat hij achtervolgd werd en dacht dat zijn broertje één van deze achtervolgers was waardoor hij hem heeft neergestoken, acht de officier van justitie ongeloofwaardig. Volgens de officier van justitie moest het verdachte, gezien de voorafgaande ruzie in de ouderlijke woning, duidelijk zijn dat het zijn broertje betrof.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van een poging tot doodslag en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. Het bewijs dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop schiet nadrukkelijk tekort op basis van het procesdossier.
De verdediging verzoekt verdachte tevens vrij te spreken van de poging tot zware mishandeling. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte met kracht, laat staan met hoeveel kracht, heeft gestoken. Gelet hierop en de betrekkelijke aard van het geconstateerde letsel kan ook de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel niet worden aangenomen. Ook kan niet worden aangenomen dat verdachte bewust deze aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de vroege ochtend van 5 mei 2025 zijn broer, [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ), met een mes in zijn bovenlichaam heeft gestoken. Dit blijkt niet alleen uit de aangifte maar ook uit de verklaringen van verdachte bij de politie waarbij hij heeft verklaard [slachtoffer] met een mes te hebben gestoken en te hebben “uitgehaald” met het mes. De rechtbank concludeert hieruit dat het steken met het mes ook met kracht is gebeurd. De term “uithalen” met een mes impliceert immers een handeling waarbij kracht is gebruikt.
Uit de medische informatie blijkt dat er bij [slachtoffer] sprake was van een steekverwonding in de buik net onder het borstbeen en een hechtwond aan de achterzijde van het been.
Poging tot doodslag
De rechtbank stelt vast dat verdachte één maal met een mes in de buikstreek van aangever heeft gestoken. De vraag is of verdachte daarmee (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte de bedoeling heeft gehad om aangever van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van zogenoemd ‘vol opzet’ op de dood van aangever. Voorwaardelijk opzet op de dood kan bewezen worden geacht als verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door de messteek zou komen te overlijden. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het met kracht steken met een mes in de buik van een ander een aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept. In dat gebied van het lichaam bevinden zich immers slagaders en organen die belangrijk zijn voor de levensfunctie van het lichaam. Door met een flink mes met een lemmet van 10 centimeter uit te halen in de buikstreek van aangever heeft hij de kans op de dood van aangever ook willens en wetens aanvaard. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is niet het gevolg van het handelen van verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 5 mei 2025 te Tilburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven voornoemde [slachtoffer] met een mes
heeft gestokenin de buik terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De wijze van verdediging is in het licht van de situatie ter plaatse, niet dusdanig dat er niet aan de proportionaliteitseis is voldaan. Hiermee kan er een geslaagd beroep op noodweer worden gedaan. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Meer subsidiair is de verdediging van mening dat er een beroep kan worden gedaan op putatief noodweer. Er is sprake geweest van een verontschuldigbare dwaling over het bestaan van een noodzaak tot verdediging. Uiterst subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is geweest van psychische overmacht. Verdachte bevond zich op dat moment in een hevig getroubleerde gemoedstoestand waarin hij niet meer volledig vrij was zijn eigen wil te bepalen.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat niet is gebleken van een strafuitsluitingsgrond. Er bestond geen noodzaak tot verdediging en zo die er was, heeft verdachte niet proportioneel gehandeld. Het beroep op noodweer kan om deze reden niet slagen. Ook is er geen sprake geweest van noodweerexces. Er is immers niet gebleken van een hevige gemoedsbeweging. Het beroep op putatief noodweer en psychische overmacht dient tevens te worden afgewezen nu niet is gebleken dat verdachte ook daadwerkelijk achterna werd gezeten en er ook geen sprake is geweest van een van buitenaf komende druk waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. De officier van justitie acht het voorts niet geloofwaardig dat verdachte niet heeft gezien dat het [slachtoffer] betrof die hem aanviel.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor de beoordeling van het door de verdediging gevoerde verweer omtrent de strafbaarheid van verdachte zal de rechtbank eerst bespreken hetgeen aan de confrontatie op 5 mei 2025 vooraf is gegaan en hetgeen hieromtrent door verdachte en aangever is verklaard.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting verklaard dat hij, op het moment dat hij met het mes naar [slachtoffer] uithaalde, dacht dat het iemand anders betrof. Hij zou zich die nacht bewapend hebben met een keukenmes omdat hij zich wilde verweren tegen mensen die het op hem gemunt hadden. Hij wilde zichzelf beschermen en zag iemand op hem afstormen, niet wetende dat dit [slachtoffer] betrof. Ook meent hij dat iemand iets in zijn drankje had gedaan die avond, waardoor hij niet zichzelf was.
Vast staat dat verdachte voorafgaand aan het incident alcoholhoudende drank had genuttigd. Ook zijn er sporen van cocaïne aangetroffen in zijn urine. Dat verdachtes waarnemingsvermogen - buiten zijn toedoen - zou zijn beïnvloed omdat iets in zijn drankje zou zijn gedaan, acht de rechtbank onaannemelijk. In de wodkafles is niets ter zake doende aangetroffen, anders dan alcoholhoudende drank vermengd met energydrank. Ook van de in de urine van verdachte aangetroffen cocaïne is niet aannemelijk geworden dat deze door een ander zou zijn toegediend.
De rechtbank acht de verklaring dat verdachte niet wist dat het [slachtoffer] was die op hem afkwam, ongeloofwaardig en overweegt daartoe het volgende. Uit het procesdossier blijkt dat er meerdere momenten zijn geweest waarop verdachte moet hebben geweten dat het [slachtoffer] was die op hem afgerend kwam en hem een trap gaf, en niet een ander persoon. Verdachte heeft kort voor het incident (ongeveer 15 minuten) in de woning contact gehad met [slachtoffer] die hem uit de woning wilde hebben waar verdachte was binnengedrongen via het slaapkamerraam van zijn zus. Vervolgens keken [slachtoffer] en verdachte elkaar ook nog aan op het moment dat [slachtoffer] in de voortuin stond. Daarna rende [slachtoffer] naar verdachte toe. Dit blijkt uit de verklaring die [slachtoffer] hieromtrent bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen nu [slachtoffer] gedetailleerd en consistent heeft verklaard over al hetgeen zich die avond heeft afgespeeld, en diens verklaring over de eerdere ontmoeting in de woning ook door verdachte is bevestigd.
De rechtbank valt daarbij op dat verdachte ten aanzien van de confrontatie met [slachtoffer]
buiten de woningverklaart dit zich niet meer goed te kunnen herinneren, terwijl de gebeurtenissen voorafgaand aan het incident hem nog wel helder voor de geest staan. Ook dit maakt dat aan de verklaring van verdachte minder waarde wordt gehecht dan aan de verklaring van [slachtoffer] .
De rechtbank gaat er dus vanuit dat verdachte wel degelijk heeft gezien dat [slachtoffer] in de voortuin stond. Verdachte stond op dat moment iets verderop in de straat en nam een vechthouding aan. [slachtoffer] is vervolgens naar verdachte toegerend en heeft hem een trap gegeven. Verdachte viel daardoor op de grond, waarna [slachtoffer] zich over verdachte heen heeft gebogen. Deze aaneenschakeling van gebeurtenissen maakt dat verdachte ook op dit moment [slachtoffer] moet hebben herkend. Dat het op dat moment (in de vroege ochtend) donker dan wel schemerig was, doet hier niet aan af.
Gelet op al deze omstandigheden gaat de rechtbank er bij de beoordeling van het beroep op de hierna te bespreken strafuitsluitingsgronden vanuit dat verdachte wist dat [slachtoffer] de persoon was die over hem stond gebogen.
Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding
De rechtbank ziet zich voorts gesteld voor de vraag of er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Het door [slachtoffer] over verdachte heen buigen nadat hij verdachte had getrapt, kan gezien worden als een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het geweld dat verdachte onmiddellijk hierna heeft toegepast, te weten het met kracht steken met een keukenmes in de buikstreek van [slachtoffer] , overstijgt naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van de redelijke verdediging en is een disproportionele reactie op het handelen van [slachtoffer] . Het beroep op noodweer faalt om deze reden. Ook het beroep op noodweerexces faalt. Niet is gebleken dat verdachte zich in een hevige gemoedstoestand bevond, omdat hij aangevallen werd door mensen die het op hem gemunt hadden. Verdachte wist immers dat het [slachtoffer] was die hem had getrapt en zich over hem heen boog, en niet een ander persoon die het op hem gemunt zou hebben. Nu de buitenproportionele reactie niet kan worden verklaard door een als gevolg van die trap veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, faalt het beroep op noodweerexces. Gelet hierop kan er ook geen sprake zijn geweest van putatief noodweer; verdachte wist immers wie hem had getrapt.
Ook het beroep op psychische overmacht kan niet slagen. Van een psychische druk waartegen verdachte geen weerstand kon bieden is geen sprake, nu verdachte wist dat het zijn broertje was die hem had getrapt en over hem heen stond gebogen en ook overigens niet is gebleken van enige andere psychische druk waartegen verdachte niet bestand was.
Er zijn aldus geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van verdachte uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op en verdachte is strafbaar.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging. Zo de rechtbank een andersluidend oordeel is toegedaan, verzoekt de verdediging een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zijn broer met een mes in zijn buik en been gestoken en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Een zeer ernstig feit waardoor het [slachtoffer] , de broer van verdachte, had kunnen komen te overlijden.
De rechtbank rekent deze poging tot doodslag verdachte ernstig aan. De poging om een ander van het leven te beroven is een ernstig strafbaar feit waarvoor in beginsel alleen een langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op het forse strafblad van verdachte waarbij van belang is dat verdachte al eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
De reclassering heeft op 1 december 2025 een advies over verdachte uitgebracht. De reclassering adviseert aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Ondanks de zorgelijke ontwikkeling en de hoge kans op recidive ziet de reclassering geen mogelijkheden meer om middels interventies door de reclassering gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen. In de afgelopen jaren is meermaals ingezet op behandeling van verdachte binnen een reclasseringstoezicht, wat niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd omdat verdachte zich niet gemotiveerd opstelde.
De rechtbank volgt dit advies. Nu verdachte ook zijn medewerking aan een onderzoek door het NIFP heeft geweigerd, heeft de rechtbank geen zicht op de aanwezigheid van eventuele persoonlijkheidsproblematiek waarmee in de strafoplegging rekening zou kunnen worden gehouden.
Alle omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is. De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 48 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de
penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke
invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van
Strafvordering.

7.Het beslag

7.1
Onttrekking aan het verkeer
Het inbeslaggenomen voorwerp (mes) wordt onttrokken aan het verkeer. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dat voorwerp te onttrekken aan het verkeer, omdat het bewezen feit met betrekking tot voornoemd voorwerp is begaan.
7.2
Teruggave aan verdachte
Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp (wodkafles) wordt een last gegeven tot teruggave aan verdachte nu deze fles niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Poging tot doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;
Straffen
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 48 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende voorwerp:
- mes (goednummer 2856880)
- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten
-wodkafles (goednummer 2857729).
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mrs. V.M. Schotanus en E.B. Prenger, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 29 januari 2026.