ECLI:NL:RBZWB:2026:5167

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/431821 / FA RK 25-731
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:251a BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag en vaststelling kinderalimentatie na instemming partijen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2024. De vrouw verzocht het eenhoofdig gezag toe te kennen en het hoofdverblijf bij haar vast te stellen, met een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van €125 per maand. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde om het gezamenlijk gezag te wijzigen vanwege gebrekkige communicatie en het ontbreken van contact tussen de man en het kind, mede door verslavingsproblematiek bij de man.

De man verzette zich niet tegen de verzoeken en stemde in met schriftelijke afdoening. De vrouw trok het verzoek tot vaststelling van een zorg- en contactregeling in, waarna de rechtbank dit verzoek niet verder behandelde. De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind gediend is met eenhoofdig gezag bij de vrouw en dat het hoofdverblijf daardoor automatisch bij haar ligt. De bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding werd vastgesteld op €125 per maand, bij vooruitbetaling.

De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze per direct van kracht is. De kosten van de procedure worden door partijen ieder voor eigen rekening gedragen. Het meer of anders verzochte werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank kent de vrouw het eenhoofdig ouderlijk gezag toe, stelt het hoofdverblijf bij haar vast en bepaalt een kinderalimentatie van €125 per maand.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/431821 / FA RK 25-731
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Nadere beschikking over wijziging ouderlijk gezag, vaststelling hoofdverblijf, vaststelling verdeling zorg- en opvoedtaken en vaststelling kinderalimentatie
in de zaak van
|
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. T. van Riel te Breda ,
tegen
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. N. van Vliet te Breda ,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda ,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 22 mei 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het rapport en advies van de Raad van 29 januari 2026;
  • de op 3 februari 2026 ontvangen akte uitlating van mr. Van Riel, alsmede akte tot vermeerdering c.q. aanvulling van de verzoeken;
  • het F9-formulier van 23 maart 2026 van mr. Van Riel, met daarin een intrekking verzoek;
  • het F7-formulier van 24 maart 2026 van mr. Van Vliet, met als bijlage een door de man ondertekende en door mr. Van Vliet medeondertekende referteverklaring.

2.De nadere beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven beschikking van 22 mei 2025. Hierbij is, samengevat en voor zover hier nu van belang, de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en te adviseren over het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [minderjarige] en - op verzoek van de vrouw en met instemming van de man, ondanks dat een dergelijk verzoek op dat moment niet aan de rechtbank voorlag - naar de noodzaak tot wijziging van het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Inleidend heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen;
  • een zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen;
  • een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ter hoogte van € 125,= per maand vast te stellen.
2.3.
In voormeld rapport van 29 januari 2026 heeft de Raad, kort samengevat en voor zover hier nu van belang, het volgende aangegeven.
De Raad concludeert dat het aannemelijk is, als partijen het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] blijven uitoefenen, dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen haar ouders. Dit omdat er al lange tijd geen sprake is van een constructieve communicatie en samenwerking tussen partijen en omdat de man geen contact heeft met de vrouw en met [minderjarige] . Nu de man ook geen informatie over [minderjarige] opvraagt, is hij ook niet van [minderjarige] op de hoogte. Het is daardoor moeilijk of zelfs onmogelijk voor de man om beslissingen te nemen die in het belang van [minderjarige] zijn. Ook zijn belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] in de afgelopen periode niet altijd (tijdig) genomen vanwege het ontbreken van de instemming van de man. Beide partijen hebben tegenover de Raad aangegeven dat het voor [minderjarige] beter zou zijn als de vrouw voortaan alleen het gezag over [minderjarige] uitoefent. Aangezien de man niet openstaat voor de noodzakelijk geachte hulpverlening, bestaat bij de Raad ook niet de verwachting dat hierin binnen een afzienbare termijn voldoende verbetering zal komen. De Raad adviseert daarom om het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige] te wijzigen en te bepalen dat de vrouw voortaan het gezag over [minderjarige] alleen uitoefent.
Vanwege de zorgen over de verslavingsproblematiek van de man en omdat er al ruim een jaar geen sprake is geweest van contact tussen de man en [minderjarige] , is de Raad daarnaast van mening dat de omgang tussen de man en [minderjarige] in eerste instantie enkel onder professionele begeleiding kan plaatsvinden. Ondanks de inzet en de inspanningen van [persoon] om begeleide contacten te bewerkstelligen, is dit helaas niet gelukt omdat de man hier niet mee kan instemmen. De Raad adviseert daarom om geen omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] te bepalen.
De Raad adviseert tot slot - naar de rechtbank begrijpt: indien het gezamenlijk gezag wordt gehandhaafd - om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw te bepalen. Beide partijen hebben tegenover de Raad aangegeven dat zij willen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald. De Raad heeft geen signalen gekregen dat dit niet in het belang van [minderjarige] zou zijn.
2.4.
Gezien de inhoud van voormeld rapport van de Raad en de daarin gegeven adviezen, heeft de vrouw aanvullend wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige] verzocht en te bepalen dat de vrouw voortaan is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.5.
Bij voormeld F9-formulier van 23 maart 2026 heeft mr. Van Riel, namens de vrouw, het verzoek tot vaststelling van een zorg- en contactregeling (dan wel een omgangsregeling) tussen de man en [minderjarige] ingetrokken.
2.6.
Uit voormelde op 24 maart 2026 door de man ondertekende en door mr. Van Vliet medeondertekende referteverklaring blijkt, samengevat en voor zover hier nu van belang, dat de man zich niet verzet tegen de (aanvullende) verzoeken van de vrouw tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige] en om de vrouw met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw en tot vaststelling van een door de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ter hoogte van € 125,= per maand. Naar de mening van de man kan deze zaak schriftelijk worden afgedaan.
2.7.
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.
Uit het voorgaande volgt dat beide partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop deze zaak dient te worden afgedaan en dat zij geen behoefte hebben aan een mondelinge behandeling van de verzoeken. Gelet hierop alsmede de inhoud van de overgelegde stukken, acht de rechtbank een mondelinge behandeling van de verzoeken niet nodig. Dit betekent dat deze zaak schriftelijk kan en zal worden afgedaan.
2.9.
Gezien de inhoud van voormeld rapport en advies van de Raad, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een situatie waarin [minderjarige] klem en verloren raakt of dreigt te raken als het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar gehandhaafd blijft. Daarmee wordt voldaan aan de eerste grond voor wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag, zoals genoemd in artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank zal daarom het (aanvullende) verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag, overeenkomstig het advies van de Raad en met instemming van de man, toewijzen in die zin dat zij zal bepalen dat de vrouw voortaan is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.10.
Gezien de instemming van de man met het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een regeling over het door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie en omdat dit haar in het belang van [minderjarige] niet onrechtmatig voorkomt, zal de rechtbank voormeld verzoek dienovereenkomstig op onderstaande wijze toewijzen.
2.11.
De rechtbank zal deze beslissingen, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat voor partijen en voor [minderjarige] , uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dit betekent dat de beslissingen per direct van kracht zijn en dat een eventueel hoger beroep deze beslissingen niet schorst.
2.12.
Nu de rechtbank de vrouw zal belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] , zal het hoofdverblijf van [minderjarige] van rechtswege bij de vrouw zijn gelegen. Het bepalen van het hoofdverblijf op grond van artikel 1:253a BW, hetgeen mogelijk is in het kader van geschilbeslechting bij gezamenlijk ouderlijk gezag, is daardoor niet meer mogelijk. De vrouw heeft dan ook geen belang meer om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
2.13.
Nu de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een zorg- en contactregeling (dan wel omgangsregeling) tussen de man en [minderjarige] heeft ingetrokken, kan dit verzoek niet meer worden onderzocht door de rechtbank. De rechtbank zal dit verzoek daarom eveneens afwijzen.
2.14.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure, zullen de kosten van partijen in deze procedure tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.15.
Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat het ouderlijk gezag over de [minderjarige] , geboren te [woonplaats 1] op [geboortedag] 2024, voortaan door de vrouw alleen wordt uitgeoefend;
3.2.
bepaalt dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking € 125,= per maand bedraagt, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door
mr. Pellikaan, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.