ECLI:NL:RBZWB:2026:517

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
02.220441.25 en 02.300409.25 (ttz gev)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afpersing in vereniging en diefstal met braak in vereniging

Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing in vereniging en diefstal met braak in vereniging. De verdachte, geboren in 2002 en momenteel gedetineerd, werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Darrazi. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. G. Smid, de tenlastelegging presenteerde. De verdachte werd beschuldigd van het afpersen van een benadeelde partij en het stelen van meerdere voertuigen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan de afpersing, waarbij hij samen met anderen de benadeelde partij onder bedreiging van geweld dwong tot de afgifte van een geldbedrag van € 2.200. De diefstal met braak van de voertuigen kon echter niet bewezen worden, omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte de beschikking had over de gestolen goederen. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 20 maanden, met aftrek van het voorarrest, en verklaarde de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen, omdat de schade niet voldoende kon worden vastgesteld. De uitspraak is gedaan op basis van de artikelen 57, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02.220441.25 en 02.300409.25 (ttz gev)
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
nu gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsvrouw mr. A. Darrazi, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. G. Smid en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02.220441.25:samen met een ander [benadeelde 1] heeft afgeperst;
02.300409.25 feit 1:zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan diefstal met braak van drie voertuigen;
02.300409.25 feit 2:zich schuldig heeft gemaakt aan heling (primair) dan wel diefstal met braak (subsidiair) van vier voertuigen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
02.220441.25 en 02.300409.25 feit 1
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte refereert de verdediging zich wat betreft deze feiten aan het oordeel van de rechtbank.
02.300409.25 feit 2
De verdediging verzoekt verdachte voor dit feit integraal vrij te spreken. Verdachte kan, anders dan de officier van justitie meent, niet als heler worden aangemerkt, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat hij feitelijk de beschikking heeft gehad over de voertuigen. Ook kan niet worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die de goederen heeft gestolen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02.220441.25 en 02.300409.25 feit 1
De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier.
02.300409.25 feit 2
Primair: heling
Om tot een bewezenverklaring van opzet- dan wel schuldheling te kunnen komen, is vereist dat de dader over de goederen beschikkingsmacht heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over de vier ten laste gelegde gestolen voertuigen. Verdachte heeft op zitting verklaard alleen over foto’s van de voertuigen te hebben beschikt en door anderen te zijn benaderd om te zoeken naar potentiële kopers, omdat hij een groot netwerk had. De voertuigen (of de papieren) zijn ook niet bij hem aangetroffen. De enkele omstandigheid dat in de telefoon van verdachte chats zijn aangetroffen waarin de gestolen voertuigen te koop worden aangeboden, is onvoldoende om deze beschikkingsmacht aan te nemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat geen medeplegen van of medeplichtigheid aan dit feit is ten laste gelegd. De rechtbank zal verdachte daarom van de primair ten laste gelegde heling vrijspreken.
Subsidiair: diefstal met braak
De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van de subsidiair ten laste gelegde diefstal met braak omdat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die de vier voertuigen heeft gestolen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02.220441.25
op 6 juni 2025 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (in totaal 2200 EUR), dat aan die [benadeelde 1] toebehoorde door:
- die [benadeelde 1] de woorden toe te voegen: 'stop of ik schiet' en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te pakken en te richten op die [benadeelde 1] en gericht te houden op die [benadeelde 1] , en
- die [benadeelde 1] de woorden toe te voegen: 'geef je geld' en
- die [benadeelde 1] naar de grond te duwen en/of werpen, en
- terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag die [benadeelde 1] meermalen te slaan tegen het hoofd en tegen het lichaam;
02.300409.25 feit 1
op 23 mei 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen meerdere voertuigen, te weten:
- een Volkswagen Tiguan ( [kenteken 1] ), en
- een Volkswagen Tiguan ( [kenteken 2] ), en
- een Volkswagen Passat ( [kenteken 3] ),
die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van het voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft openheid van zaken gegeven, is jong en heeft op verschillende leefgebieden problemen waarvoor behandeling noodzakelijk is. Daarbij komt dat aan verdachte in een andere zaak de ISD-maatregel is opgelegd, welke uitspraak inmiddels ook onherroepelijk is. Verdachte heeft er belang bij dat hij zo spoedig mogelijk met de tenuitvoerlegging van deze ISD-maatregel kan beginnen. Verzocht wordt daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Subsidiair wordt verzocht om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen, zodat verdachte als hij vrij komt een stok achter de deur heeft en hij zich niet langer schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met twee anderen aangever [benadeelde 1] op een gewelddadige manier afgeperst. Hij heeft daarvoor een afspraak gemaakt met [benadeelde 1] om aan hem een minishovel te verkopen voor € 2.200,00. Verdachte heeft echter nooit de bedoeling gehad om daadwerkelijk een minishovel aan [benadeelde 1] te verkopen. Integendeel, hij heeft samen met de medeverdachten een plan bedacht hoe zij [benadeelde 1] € 2.200,00 afhandig konden maken. Verdachte is degene die met [benadeelde 1] de afspraak heeft gemaakt en hem heeft gelokt naar een afgelegen industrieterrein. Op het moment dat verdachte en de medeverdachten bij dit industrieterrein aankwamen, renden zij uit de auto en hebben zij [benadeelde 1] met geweld naar de grond gewerkt, waarna hij diverse keren werd geslagen tegen zijn hoofd en lichaam. Ook werd hij bedreigd met een nepvuurwapen waarbij de woorden “stop of ik schiet” en “geef je geld” zijn geroepen.
Uit het voorgaande volgt dat sprake is geweest van een doelgerichte en planmatige actie.
Verdachte is daarbij niet alleen degene die de afspraak heeft geregeld, maar ook het nepwapen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, zoals hij zelf ook op zitting heeft verklaard, een leidinggevende rol heeft gehad in het geheel. Hij heeft zich – omdat anderen dit aan hem vroegen – ingelaten met een gewelddadige en zeer brutale afpersing. Verdachte heeft zich daarbij totaal niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor [benadeelde 1] , die hij kende van eerdere Marktplaatsaankopen, en heeft enkel oog gehad voor het geldelijk gewin. Dat [benadeelde 1] nota bene een bekende van verdachte was, met wie hij eerder zaken had gedaan, maakte hem daarbij niet uit.
Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [benadeelde 1] en hem gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd. Slachtoffers van dergelijke feiten kampen vaak nog lange tijd met deze gevoelens en dat neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk. Daarnaast dragen dit soort feiten bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging en door middel van braak van drie auto’s. Dit is een vervelend en ernstig vermogensfeit dat veel overlast en schade oplevert voor de slachtoffers. Bovendien heeft verdachte met zijn handelen geen enkel respect getoond voor de eigendommen van de slachtoffers en heeft hij ook hier zijn eigen geldelijk gewin vooropgesteld.
De straf
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Er is dus meermalen sprake van recidive. De rechtbank zal dit in het nadeel van verdachte meewegen.
Over verdachte is ook een rapport door de reclassering opgesteld. Dit rapport van 16 december 2025 is opgesteld voor twee verschillende zaken, namelijk deze zaak en de hierna te noemen ISD-zaak waartegen hoger beroep was ingesteld. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon dat zich kenmerkt door vermogensdelicten. Verdachte wordt gezien als een zeer actieve veelpleger. De kans op recidive wordt door de reclassering als hoog ingeschat. In de andere strafzaak werd geadviseerd om aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen. De reclassering adviseert om in deze zaak, bij een veroordeling, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Dat in een andere zaak de ISD-maatregel is opgelegd, staat hieraan niet in de weg. Er kan opeenvolgende executie van eerst een gevangenisstraf en daarna de ISD-maatregel plaatsvinden, zo adviseert de reclassering.
De rechtbank constateert dat aan verdachte bij vonnis van 13 november 2024 in een andere strafzaak de ISD-maatregel is opgelegd. Op de zitting van 15 januari 2026 is gebleken dat de verdediging het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep recent heeft ingetrokken, wat betekent dat het vonnis van 13 november 2024 onherroepelijk is en de ISD-maatregel ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank zal hier in het voordeel van verdachte rekening mee houden, in die zin dat zij de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf zal matigen. De rechtbank ziet – in tegenstelling tot de verdediging – geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke straf, nu zij ervan uitgaat dat verdachte na de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel op het gebied van begeleiding goed zal zijn ingebed. Tot slot houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij voor een groot deel openheid van zaken heeft gegeven. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, kan niet worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zoals de verdediging primair heeft bepleit.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

02.300409.25: feit 1
De benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 27.214,41 aan materiële schade.
De rechtbank constateert dat de schadepost ziet op de waarde van de gestolen voertuigen respectievelijk de reparatie van de schade daaraan. De rechtbank is van oordeel dat niet duidelijk is geworden wie op het moment van de diefstal feitelijk de eigenaar was van de voertuigen. Dit vergt nader onderzoek, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
02.300409.25: feit 2
De benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] B.V.
De benadeelde partijen vorderen de volgende schadevergoedingen:
  • [benadeelde 3] een bedrag van € 1.081,48, bestaande uit € 881,48 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade;
  • [benadeelde 4] een bedrag van € 209,94 aan materiële schade;
  • [benadeelde 5] B.V. een bedrag van € 5.631,98 aan materiële schade.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit deze schades zouden zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen allen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 02.300409.25 feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02.220441.25:afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
02.300409.25, feit 1:diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 20 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
T.a.v. 02.300409.25, feit 1
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
T.a.v. 02.300409.25, feit 2
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] B.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. V.M. Schotanus en P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van A. Luijten, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting op 29 januari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
02-220441-25
hij op of omstreeks 6 juni 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (in totaal 2200 EUR), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde 1] en/of een derde toebehoorde(n)
door:
- die [benadeelde 1] de woorden toe te voegen: 'stop of ik schiet', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- ( vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te pakken en/of te richten op die [benadeelde 1] en/of gericht te houden op die [benadeelde 1] , en/of
- ( daarbij) die [benadeelde 1] meermaals de woorden toe te voegen: 'geef je geld', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- ( vervolgens) die [benadeelde 1] op/naar de grond te duwen en/of werpen, en/of
- ( terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag) die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, te slaan tegen het hoofd en/of tegen het (boven)lichaam;
( art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht )
02-300409-25
hij op of omstreeks 23 mei 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere voertuigen, te weten:
- een Volkswagen Tiguan ( [kenteken 1] ), en/of
- een Volkswagen Tiguan ( [kenteken 2] ), en/of
- een Volkswagen Passat ( [kenteken 3] ),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 6] B.V. en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (te weten een gestolen sleutel);
( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 april 2025 tot en met 29 juli 2025 te [geboorteplaats] , althans in Nederland,
één of meerdere voertuigen, te weten:
- een Mercedes Sprinter ( [kenteken 4] ), en/of
- een BMW R1250R ( [kenteken 5] ), en/of
- een Kawasaki Versys 650 Abys ( [kenteken 6] ), en/of
- een BMW R1250GS ( [kenteken 7] ),
althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 april 2025 tot en met 15 mei 2025 te Tilburg en/of Eindhoven en/of Groningen en/of Amsterdam, althans in Nederland,
één of meerdere voertuigen, te weten:
- een Mercedes Sprinter ( [kenteken 4] ), en/of
- een BMW R1250R ( [kenteken 5] ), en/of
- een Kawasaki Versys 650 Abys ( [kenteken 6] ), en/of
- een BMW R1250GS ( [kenteken 7] ),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (te weten een gestolen sleutel);
( art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )