ECLI:NL:RBZWB:2026:5172

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/431946 / FA RK 25-790
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouden beslissing over hoofdverblijf en zorgregeling minderjarigen in afwachting perspectiefonderzoek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek over het hoofdverblijf en de zorgregeling van drie minderjarige kinderen, waarbij de vrouw haar verzoeken introk en alleen de zelfstandige verzoeken van de man nog in behandeling waren. De gecertificeerde instelling (GI) verscheen niet en leverde geen actuele informatie, waardoor de rechtbank onvoldoende zicht had op de situatie.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming bleek dat de minderjarigen ingrijpende gebeurtenissen hadden meegemaakt, met zorgen over hun opvoedomgeving, hechting en het contact met beide ouders. De Raad adviseerde aanhouding van de beslissing in afwachting van een perspectiefonderzoek bij de vader.

De rechtbank volgde dit advies en hield de beslissing aan voor negen maanden, met het oog op het belang van de kinderen en het verkrijgen van duidelijkheid over de opvoedvaardigheden en draagkracht van de vader. Tevens werd de zaak verwezen naar de locatie Breda voor verdere behandeling. De verzoeken van de vrouw werden afgewezen wegens intrekking.

Uitkomst: De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw af en houdt de beslissing op de verzoeken van de man aan voor negen maanden in afwachting van het perspectiefonderzoek.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/431946 / FA RK 25-790
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Nadere beschikking over hoofdverblijf en een zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet in Oostburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Sarioglu in Hoofddorp,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018, hierna: [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020, hierna: [minderjarige 2] ; en
-
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2023, hierna: [minderjarige 3] .
Als informant in deze zaak wordt gezien:
de gecertificeerde instelling
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna: de GI,
gevestigd te Eindhoven.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het (verdere) procesverloop

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
  • de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 23 september 2025 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
  • het op 8 oktober 2025 ontvangen F9-formulier met bijlage van mr. Burlet, inhoudende een intrekking van de verzoeken;
  • het op 18 februari 2026 ontvangen rapport van de Raad met bijlagen;
  • het op 9 april 2026 ontvangen F9-formulier met bijlagen van mr. Sarioglu.
1.2
De verzoeken zijn (nader) mondeling behandeld op 13 april 2026. Bij die behandeling is verschenen de vrouw (via een Teams-verbinding), bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast is verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat (beiden aanwezig via een Teams-verbinding). Ook was een vertegenwoordiger aanwezig van de Raad.
1.3
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is geen vertegenwoordig(st)er van de GI verschenen. Van de GI is ook geen briefrapportage met de huidige stand van zaken in het kader van de ondertoezichtstelling ontvangen, hetgeen wel aan haar is verzocht bij beschikking van deze rechtbank van 23 september 2025.

2.De (nadere) beoordeling

Vorige beschikking
2.1
De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 23 september 2025. In deze beschikking zijn de verzoeken van de vrouw aangehouden voor de duur van negen maanden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling. Daarnaast zijn de zelfstandige verzoeken van de man aangehouden voor de periode van negen maanden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling. De rechtbank heeft daarbij, voor zover in dit kader relevant, geoordeeld dat het van belang is dat de GI binnen de ondertoezichtstelling meer zicht verkrijgt op de verhouding en patronen tussen partijen en wat dit betekent voor de (on)mogelijkheden in de toekomst. Er dient eerst meer duidelijkheid te komen over de aantoonbare zorgen ten aanzien van de houding en het gedrag van de man en de draagkracht en (mede hierdoor) ook over de verzorgings- en opvoedingsvaardigheden van de vrouw. Ook moet de GI zicht krijgen op wat de mogelijkheden en behoeften zijn bij de minderjarigen in het contact met de man. Er is inmiddels al langere periode geen fysiek contact tussen de man en de minderjarigen. Tot slot heeft de rechtbank een
voorlopigezorgregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarigen, inhoudende dat er tussen de man en de minderjarigen éénmaal per week contact zal plaatsvinden via videobellen, waarbij de GI, op het tempo van de minderjarigen, daarnaast zo snel mogelijk toe dient te werken naar fysiek begeleid contact op een bij de minderjarigen aansluitende wijze in duur en frequentie.
Rapport van de Raad
2.2
Op 18 februari 2026 heeft de rechtbank een nader rapport van de Raad ontvangen. Uit dit rapport blijkt, samengevat, dat er de afgelopen periode veel is gebeurd en het leven van de minderjarigen en de ouders en dat de zorgen die uit het onderzoek van de Raad naar voren zijn gekomen, vooral betrekking hebben op de opvoedomgeving van de minderjarigen.
De minderjarigen hebben veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, zoals het zijn van een getuige van conflicten en spanningen tussen de ouders, en de Raad maakt zich zorgen over de impact van de onrust, onvoorspelbaarheid en spanningen in de opvoedomgeving van de minderjarigen. Daarnaast maakt de Raad zich zorgen dat de minderjarigen geen structureel en onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Er is immers sprake van onvoorspelbaar en wisselend contact tussen de minderjarigen en de ouders. Momenteel is er sprake van een contactherstel tussen de minderjarigen en de vader, maar hebben de minderjarigen sinds hun uithuisplaatsing minimaal contact met de moeder. Voorts zijn er zorgen over de draagkracht en (emotionele) beschikbaarheid van de ouders als verzorgers en opvoeders van de minderjarigen, mede gelet op hun persoonlijke problematiek, alsmede over (het gebrek aan) de samenwerking en communicatie tussen de ouders. De spanningen tussen de ouders zijn nog altijd aanwezig en zij staan nog steeds lijnrecht tegenover elkaar. Tevens is gebleken dat bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake is van een leerachterstand en zijn er zorgen over de gehechtheidsontwikkeling van de minderjarigen. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben moeite met uit uiten van hun emoties en zijn op zichzelf gericht. [minderjarige 1] heeft ook moeite met het vertrouwen van volwassenen en wil graag controle. [minderjarige 3] heeft moeite met afstand en nabijheid. Daarnaast blijkt uit het rapport van de Raad dat er ook krachten zijn. De huidige plaatsing van de minderjarigen in het gezinshuis verloopt goed en de ouders hebben hiermee ingestemd. De ouders hebben ook, ieder op hun eigen manier, contact met de minderjarigen. De zorgen wegens echter zwaarder dan de krachten. De Raad adviseert ten aanzien van het gezag, het hoofdverblijf en de zorgregeling om de verzoeken van de vader aan te houden voor de duur van twaalf maanden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling. Er hebben veel ontwikkelingen plaatsgevonden, waaronder een uithuisplaatsing van de minderjarigen. Ook zal binnenkort een perspectiefonderzoek worden uitgevoerd bij de vader, welke resultaten moeten worden afgewacht. Er is voorts nog altijd onvoldoende zicht op de oorzaken en onderliggende redenen van de houding en het gedrag van beide ouders, hetgeen maakt dat hiervoor hulpverlening dient te worden ingezet. Tevens wordt momenteel, onder regie van de GI, in kleine stapjes gewerkt aan uitbreiding van het contact tussen de minderjarigen en de vader. In het kader van het perspectiefonderzoek zullen de contactmomenten met de vader verder
uitgebreid gaan worden. Ook moet binnen het kader van de ondertoezichtstelling door de GI worden gepoogd om het contact tussen de moeder en de minderjarigen te behouden en, indien mogelijk, uit te breiden, waarbij steeds gekeken moet worden naar het effect van het contact op de minderjarigen en hun behoeften en veiligheid. De Raad adviseert bovendien om een voorlopige zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen minimaal een keer per week beeldbelcontact hebben met de moeder, alsmede de minderjarigen minimaal een keer per week voor de duur van vier uur begeleid contact hebben met de vader. De invulling en eventuele opbouw vindt plaats onder regie van de GI.
Het (nadere) verzoek
2.3
Bij brief van 8 oktober 2025 heeft mr. Burlet de verzoeken namens de vrouw ingetrokken. De minderjarigen verblijven inmiddels in een neutraal pleeggezin, hetgeen hen goed doet. De vrouw gunt het de minderjarigen dat zij daar op blijven groeien en wenst dat de minderjarigen niet langer klem zitten tussen de ouders. De vrouw wil, in het belang van de minderjarigen, de strijd met de man niet langer voeren, hetgeen maakt dat zij haar verzoeken intrekt.
2.4
Gelet op het voorgaande liggen ter beoordeling aan de rechtbank in het kader van deze procedure nu enkel nog voor de zelfstandige verzoeken van de man om de door partijen overeengekomen nieuwe zorgregeling en de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2024 te wijzigen in dier voege dat het ouderschapsplan welke gehecht is aan deze beschikking en daarvan onderdeel uitmaakt zal worden gewijzigd en te bepalen dat:
  • primair: het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te bepalen en te bepalen dat de kinderen ingeschreven zullen staan op het adres van de man;
  • subsidiair: de navolgende zorgregeling te treffen tussen de man en de kinderen waarbij de kinderen elke week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zullen verblijven waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en ophaalt;
  • de kinderen zullen elke week op woensdagmiddag na school van 13:00 uur tot 20:00 uur bij de man zijn waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en ophaalt;
  • de kinderen zullen gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen, waaronder de islamitische feestdagen (Suikerfeest, Ramadan en het Offerfeest) bij de man zijn, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en ophaalt;
  • de kinderen zullen op vaderdag en om het jaar op de verjaardagen van de kinderen bij de man zijn, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en ophaalt;
althans een zodanige zorgregeling te treffen tussen de man en de kinderen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De standpunten
2.5
Door en namens de man wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de man voornemens is om de rechtbank, locatie Breda, op korte termijn te verzoeken om hem te belasten met het eenhoofdig gezag. De bedoeling was dat binnen de ondertoezichtstelling toegewerkt zou worden naar een plaatsing bij de vader, zo heeft de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, laatstelijk bepaald, maar er zijn vanuit de GI hiertoe onvoldoende stappen ondernomen. Het is de man nog onduidelijk of er een verlengingsverzoek met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing door de GI zal worden ingediend. Het perspectiefonderzoek is nog niet gestart, ondanks dat dit al wel het geval had moeten zijn. Het is niet wenselijk als de beslissingen op de verzoeken in de huidige procedure steeds worden uitgesteld, aangezien de zaak al bijna twee jaar loopt. De Raad heeft in het rapport geschreven dat zij geen contra-indicaties ziet wat betreft het bepalen van de hoofdverblijf bij de man, te meer nu de vrouw haar verzoeken heeft ingetrokken. Daarom wil de man graag primair zo snel mogelijk een beslissing van de rechtbank op zijn verzoeken in het kader van deze procedure. De man heeft tot op heden steeds de onterechte verwijten van de vrouw moeten weerleggen. De contactopbouw met de kinderen is van start gegaan. De bedoeling was dat er toegewerkt zou worden naar onbegeleide omgang, maar dit is niet van de grond gekomen. De man komt alle afspraken na en het is nooit gebleken dat de verwijten van de vrouw ook maar enigszins kloppen. Hij laat zien dat de kinderen veilig zijn bij hem. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij bij een derde worden geplaatst, aangezien de man in staat is om voor de kinderen te zorgen. De man heeft momenteel in de ene week op zaterdag omgang met de kinderen en de andere week op woensdag. Het lukt de man niet altijd om contact te krijgen met de jeugdbeschermer. De man kan zich niet vinden in het advies van de Raad tot een aanhouding van twaalf maanden, aangezien het in het belang van de kinderen en de ouders is als er sneller duidelijkheid komt. Als de rechtbank overgaat tot aanhouding, dan bepleit de advocaat subsidiair een aanhouding voor een kortere periode dan door de Raad voorgesteld, zodat een nieuwe vertraging aan de zijde van de GI wordt voorkomen. De man staat wel achter een perspectiefonderzoek en wil aan alles meewerken.
2.6
Door de vrouw wordt verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de man. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling wordt door en namens de vrouw verklaard dat de uitkomst van het perspectiefonderzoek binnen de ondertoezichtstelling leidend zal zijn voor de uitspraak in de huidige procedure. De kinderen zitten op hun plek binnen het gezinshuis. Als de kinderen bij de man zouden gaan wonen, dan vreest de vrouw dat er geen contact tussen de vrouw en de kinderen meer mogelijk is, gelet op de voorgeschiedenis van partijen. De vrouw is door zijn controlerende gedrag in het verleden nog steeds bang voor de man en wil niet dat hij haar verblijfplaats via de kinderen achterhaalt. Het is van belang dat dit wordt meegenomen bij het perspectiefonderzoek. De vrouw heeft nu een keer in de week contact met de kinderen, hetgeen op dit moment voldoende is. Het lukt de vrouw ook niet goed om contact te krijgen met de jeugdbeschermer. De vrouw ziet geen bezwaren om de verzoeken van de man af te wijzen, aangezien het hoofdverblijf van de kinderen bij een machtiging uithuisplaatsing niet bepaald hoeft te worden. De uitkomsten van het perspectiefonderzoek zullen de verblijfplaats, en dus ook het BRP-adres, van de kinderen bepalen. Voorts volgt ook de te bepalen zorgregeling uit de ondertoezichtstelling. Het is belangrijk dat de GI stappen gaat zetten. Mocht dit niet het geval zijn, dan kunnen de ouders binnen de ondertoezichtstelling juridische stappen ondernemen. De kinderen kunnen in ieder geval nog niet bij de man worden geplaatst, aangezien er nog te weinig informatie is of dat een geschikte en veilige plek voor hen is en wat dat zal doen met de band tussen de kinderen en de vrouw.
2.7
De Raad handhaaft haar advies uit het rapport en licht toe dat er een groot gebrek aan actuele informatie is, aangezien de GI niet verschenen is. De Raad is ook niet op de hoogte van de stand van zaken met betrekking tot het perspectiefonderzoek. De Raad weerspreekt dat er geen contra-indicaties zijn voor het bepalen van het hoofdverblijf van de kinderen bij de man. Uit het raadsrapport komen immers zowel zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de vader als over de opvoedsituatie bij de moeder naar voren. De Raad geeft enkel aan dat de beslissing over het hoofdverblijf moet worden aangehouden in afwachting van de resultaten van het perspectiefonderzoek. Het is van belang dat de opvoedvaardigheden en belastbaarheid van de man in kaart worden gebracht, mede gelet op het NAH en de burn-out van de man en de trauma’s van de kinderen. Ook moet in het perspectief onderzoek helder worden of de man in staat is om de kinderen de trauma sensitieve opvoeding te bieden die zij nodig hebben. De Raad heeft hier nu te weinig zicht op. Tot slot geeft de Raad aan dat de aanhoudingstermijn eventueel ook negen maanden kan zijn, korter dan schriftelijk was geadviseerd, zodat snelheid aan de zijde van de GI wordt geborgd.
Het wettelijk kader
2.8
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt dan een beslissing die zij het meest in het belang vindt van het kind. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). De rechtbank constateert dat het partijen voorafgaand aan en tijdens de mondelinge behandeling niet is gelukt om afspraken met elkaar te maken over het hoofdverblijf en de zorgregeling. Dit leidt ertoe dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de voorliggende verzoeken.
De inhoudelijke beoordeling
2.9
Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw haar verzoeken bij brief van 8 oktober 2025 heeft ingetrokken. Nu de vrouw haar verzoeken heeft ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet verder worden onderzocht en beoordeeld. Reden waarom de rechtbank de verzoeken van de vrouw zal afwijzen.
2.1
De rechtbank merkt daarnaast het volgende op. De rechtbank betreurt het dat de GI, ondanks het verzoek van de rechtbank bij beschikking van 23 september 2025, een latere navraag door de griffie van de rechtbank en een behoorlijke oproeping, geen schriftelijke update heeft gegeven en ook niet ter zitting is verschenen om de stand van zaken van onder meer het perspectiefonderzoek en andere relevante actuele ontwikkelingen met betrekking tot de kinderen naar voren te brengen. Zulks geldt temeer nu er de afgelopen periode enorm veel is gebeurd in het leven van de kinderen en zij na de vorige mondelinge behandeling in deze zaak bij beslissing van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, d.d. 23 juli 2025 met spoed uit huis geplaatst zijn en sindsdien in een voorziening voor pleegzorg verblijven. Uit de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, d.d. 12 februari 2026, waarbij de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg laatstelijk is verlengd tot 3 juni 2026, blijkt voorts dat er een perspectiefonderzoek wordt gestart, teneinde de mogelijkheden om de kinderen terug te plaatsen bij de vader in kaart te brengen. Het uitblijven van informatie van de GI maakt dat de rechtbank, met de Raad, van oordeel is dat zij nu over te weinig relevante informatie beschikt om een gedegen en definitief oordeel te geven over de thans in deze procedure nog voorliggende verzoeken van de man ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en een zorgregeling. Uit het rapport van de Raad blijkt dat de kinderen veel ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt. Ook kunnen de kinderen geen structureel en onbelast contact hebben met beide ouders. Er zijn voorts zorgen over de impact van de onrust, onvoorspelbaarheid en spanningen in de opvoedomgeving en ontwikkeling van de kinderen. Tevens zijn er zorgen over de draagkracht en (emotionele) beschikbaarheid van beide ouders als verzorgers en opvoeders van de minderjarigen, mede gelet op hun persoonlijke problematiek, alsmede over (het gebrek aan) de samenwerking en communicatie tussen de ouders. Dit maakt dat de rechtbank de beslissing op de verzoeken van de man zal aanhouden. Het is in het belang van de kinderen dat de komende periode de omgang tussen de vader en de kinderen stapsgewijs wordt uitgebreid en dat het perspectiefonderzoek duidelijkheid verschaft over de mogelijkheden van de vader om voor zijn kinderen te zorgen. Mede gelet op het feit dat de Raad zowel zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder als bij de vader heeft, volgt de rechtbank de vader niet in zijn standpunt dat het hoofdverblijf van de kinderen reeds nu, vooruitlopend op de uitkomsten van het perspectiefonderzoek, bij hem kan worden bepaald. De rechtbank vindt het echter ook niet aangewezen om, zoals namens de vrouw is betoogd, de verzoeken van de vader nu af te wijzen. Er is immers nog onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden en draagkracht van de vader en de vraag of hij de kinderen de trauma sensitieve opvoeding kan bieden die zij nodig hebben. Hier moet, naar het oordeel van de rechtbank, meer duidelijkheid over zijn, voordat er een beslissing op de verzoeken van de vader kan worden genomen. De rechtbank merkt hierbij op dat het wel van belang is dat de mogelijkheden van een plaatsing van de kinderen bij de man middels een perspectiefonderzoek zo spoedig mogelijk deugdelijk worden onderzocht, zodat de kinderen en partijen niet langer dan nodig in onzekerheid hoeven te verkeren. Ook moet binnen het kader van de ondertoezichtstelling, zoals door de kinderrechter is overwogen, door de GI worden gepoogd om het contact tussen de vrouw en de kinderen te behouden en, indien mogelijk, uit te breiden, waarbij steeds gekeken moet worden naar het effect van het contact op de kinderen en hun behoeften en veiligheid.
2.11
De rechtbank overweegt dat het van belang is dat de kinderen zo kort mogelijk in onzekerheid verkeren met betrekking tot hun perspectief, hetgeen maakt dat de rechtbank de beslissing op de verzoeken van de man aanhoudt voor een kortere periode dan de Raad in haar rapport heeft geadviseerd, te weten voor een periode van negen maanden. Op deze wijze beoogt de rechtbank ervoor te zorgen dat, nadat het perspectiefonderzoek heeft plaatsgevonden, zo snel mogelijk duidelijkheid kan worden verkregen voor de kinderen. Het is immers gebleken dat de kinderen, hoewel zij goed op hun plek lijken te zitten bij het gezinshuis, last hebben van de onzekerheid omtrent het perspectief. De rechtbank gaat ervan uit dat de GI in het belang van de kinderen zo voortvarend mogelijk te werk gaat en dat het perspectiefonderzoek uiterlijk medio oktober 2026 wordt afgerond, zoals ook door de GI aan de Raad, blijkens het raadsrapport, is aangegeven. De rechtbank verzoekt de GI om haar uiterlijk
eind oktober 2026middels een briefrapportage te informeren over de stand van zaken binnen de ondertoezichtstelling, meer specifiek de resultaten van het perspectiefonderzoek, onder gelijke verstrekking daarvan aan (de advocaten van) partijen en de Raad. Een afschrift van deze beschikking zal in verband hiermee, zoals met partijen is besproken, aan de GI worden toegezonden.
2.12.
Omdat de verzoeken ten aanzien van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van de kinderen door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, worden behandeld, de man aangekondigd heeft dat hij voornemens is om aldaar op korte termijn ook een verzoek tot wijziging van het gezag over de kinderen in te dienen en geen van de betrokkenen nog in de regio van locatie Middelburg woonachtig is, zal de rechtbank deze zaak, zoals met partijen is besproken, in de stand waarin hij zich thans bevindt voor verdere behandeling verwijzen naar de locatie Breda.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
wijst de verzoeken van de vrouw af;
3.2
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling aan en verwijst de zaak naar de familiekamerrol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda, van
[datum] 2026;
3.3
verzoekt
de GI om uiterlijk op voornoemde roldatumde rechtbank Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda, in het kader van deze procedureschriftelijk te informeren overeenkomstig hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.11, onder gelijke verstrekking daarvan aan (de advocaten van) partijen en de Raad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.