ECLI:NL:RBZWB:2026:5180

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446083 / JE RK 26-448
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging en contactweigering vader

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds december 2024 geen contact meer heeft met zijn vader en zich hevig tegen contact verzet. De minderjarige woont bij zijn moeder en vertoont onrustig gedrag op school, wat wordt toegeschreven aan de druk van het contactherstel. De gecertificeerde instelling (GI) stelt dat het contactherstel niet is geslaagd en dat de minderjarige rust en duidelijkheid nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen.

Tijdens de zitting is gebleken dat de minderjarige sceptisch is over hulpverlening en het gevoel heeft dat deze alleen gericht is op contactherstel, wat hij als bedreigend ervaart. De vader heeft een brief geschreven waarin hij aangeeft een stap terug te doen en open te blijven staan voor toekomstig contact, wat met de minderjarige gedeeld zal worden. De GI zal individuele hulpverlening inzetten gericht op traumaverwerking en ontwikkeling.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden om de betrokkenheid van de GI te waarborgen en de juiste hulpverlening te kunnen bieden. Er wordt niet langer ingezet op contactherstel. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de minderjarige ontvangt een brief waarin de beslissing en het vervolg worden toegelicht.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446083 / JE RK 26-448
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie ‘s-Hertogenbosch,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026;
  • de brief van [minderjarige] , door [minderjarige] aan de kinderrechter overhandigd tijdens het kindgesprek van 6 mei 2026.
1.2.
Op 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder;
  • de vader;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening over het
verzoek kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. [minderjarige] heeft hiervan op 6 mei 2026 gebruik gemaakt. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] de kinderrechter daarnaast ook een brief overhandigd. De kinderrechter heeft de aanwezigen voorgehouden wat [minderjarige] haar heeft verteld en wat hij heeft geschreven. Zij zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Laatstelijk, bij beschikking van 15 mei 2025, heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 15 mei 2025 tot 15 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Sinds kerst 2024 is er tussen [minderjarige] en de vader geen contact meer geweest. Daarvoor hebben er begeleide contactmomenten plaatsgevonden. [minderjarige] en de vader hebben in de eerste levensjaren van [minderjarige] geen band met elkaar opgebouwd. Vanuit een gevoel van afwijzing en het ontbreken van verbinding is contactherstel complex gebleken. Het idee van contactherstel legt druk op [minderjarige] . Hij zet zich af tegen de vader en tegen het maken van afspraken. Op school wordt gezien, ten gevolge van de druk die [minderjarige] ervaart, dat hij onrustig gedrag vertoont. [minderjarige] uit boosheid en frustratie. [minderjarige] heeft regelmatig een grote mond en lijkt een masker op te zetten. Dit gedrag baart zorgen. Dat [minderjarige] geen contact heeft met zijn vader zorgt voor een ontwikkelings-bedreiging, met name voor zijn identiteitsontwikkeling.
4.2.
Het is de GI bekend dat [minderjarige] sceptisch is over hulpverlening en de bedoeling van de GI. Hij heeft het gevoel alsof hulpverlening enkel en alleen gericht is op contactherstel. Het vertrouwen in hulpverlening is [minderjarige] kwijtgeraakt. In de komende periode moet voor [minderjarige] duidelijk worden dat niet wordt gewerkt aan contactherstel. Er moet rust komen voor [minderjarige] , zodat hij kan profiteren van individuele hulpverlening die er op is gericht dat hij zich onbezorgd kan ontwikkelen.
4.3.
De GI constateert verder dat sprake is van een verdrietige situatie. [minderjarige] heeft een schild om hem heen gebouwd en heeft het gevoel dat er niet naar hem geluisterd wordt. Ook voor de vader is de situatie moeilijk; hij wil contact met [minderjarige] en beseft dat dit niet gaat lukken. In overleg met de vader heeft hij [minderjarige] een brief geschreven waarin hij aangeeft een stap terug te zullen doen. De hoop is dat dit [minderjarige] rust en duidelijkheid zal geven. De brief moet nog met [minderjarige] worden gedeeld.
4.4.
In de komende periode zal hulpverlening worden ingezet van Sterk Huis, waarin wordt ingezoomd op trauma-ervaringen binnen het systeem. De verwachting is dat deze hulpverlening na de zomer kan starten. In de tussentijd wordt hulpverlening ingezet van [hulpverlening] . Ook de vader wordt hulpverlening gegund over het omgaan met zijn rol als ouder op afstand.

5.Het standpunt van belanghebbenden

5.1.
De moeder brengt, samengevat, naar voren dat zij het door de GI geschetste beeld over [minderjarige] herkent. Volgens de moeder leert [minderjarige] nu steeds meer om te zeggen wat hij van de situatie vindt en hoe hij zich daarbij voelt. De moeder vindt het belangrijk dat er in de komende periode wordt gewerkt aan de traumaverwerking van [minderjarige] . Hij ervaart het alsof hulpverlening wordt ingezet met het doel om contact te herstellen met de vader. Dit ervaart hij als een dreiging. De moeder gunt [minderjarige] duidelijkheid en passende hulpverlening. Het opbouwen van vertrouwen in de hulpverlening is daarin essentieel. De moeder verwacht dat de brief van de vader aan [minderjarige] helpend zal zijn.
5.2.
De vader brengt, samengevat, het volgende naar voren. De situatie doet de vader pijn. Het is duidelijk hoe [minderjarige] het onderlinge contact ziet. De vader had gehoopt om met [minderjarige] een goede band op te kunnen bouwen. Hij zal echter tegemoetkomen aan de behoefte van [minderjarige] en een stapje terug doen. De vader heeft een brief geschreven waarin hij dit aan [minderjarige] zal zeggen. Het doel daarvan is dat [minderjarige] beter in zijn vel komt te zitten en hij zich verder kan ontwikkelen. De vader hoopt dat [minderjarige] daarna de hulpverlening aan kan gaan die hij nodig heeft. De deur zal voor [minderjarige] in de toekomst altijd open blijven staan.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Gelet op de overgelegde stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] onverminderd in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] laat forse weerstand zien in het contact met de vader. Contactherstel is daardoor niet van de grond gekomen. [minderjarige] heeft zijn vader sinds december 2024 niet meer gezien. De heftige wijze waarop [minderjarige] zich afzet tegen zijn vader is onveranderd gebleven. Het vertrouwen in hulpverlening is [minderjarige] verloren. Hij voelt zich niet gehoord en ervaart het alsof hulpverlening enkel en alleen is gericht op het herstellen van contact met de vader. Gezien wordt dat [minderjarige] hiervan druk ervaart, waardoor hij niet toekomt aan zijn ontwikkeltaken. Gelet op voornoemde omstandigheden concludeert de kinderrechter dat de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen niet zijn behaald.
6.4.
Tijdens de zitting is uitvoerig besproken dat niet meer wordt ingezet op het herstellen van contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader heeft onder regie van de GI en met hulp van zijn advocaat een brief opgesteld waarin hij [minderjarige] aangeeft een stap terug te zullen doen en open te zullen blijven staan voor contact met [minderjarige] in de toekomst. Benadrukt wordt dat het tempo van [minderjarige] hier leidend in is. In de komende periode zal deze brief van de vader met [minderjarige] worden gedeeld. Gehoopt wordt dat dit [minderjarige] de rust geeft die hij nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen, zich beter in zijn vel te kunnen voelen en individuele hulpverlening aan te gaan.
6.5.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de verzochte duur, zodat in de komende periode de betrokkenheid van de GI gewaarborgd blijft. Ondersteuning van de GI is nodig om de juiste hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten en deze ook te waarborgen. Daarnaast dient de GI regie te voeren op het overbrengen van de boodschap van de vader aan [minderjarige] . Gemonitord moet blijven hoe [minderjarige] op de boodschap van de vader reageert en of [minderjarige] van individuele hulpverlening kan profiteren. Wanneer hiervoor ruimte komt, zal ook ingezet worden op ondersteuning van het gezinssysteem van de moeder alsook zal de vader hulpverlening worden geboden in het omgaan met zijn rol als vader op afstand.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Brief aan [minderjarige]
6.7.
Zoals tijdens de zitting uitvoerig is besproken, wordt met de brief van de vader en deze beschikking gehoopt dat voor [minderjarige] duidelijk wordt dat niet meer zal worden gewerkt aan het contactherstel en hij weer de rust kan vinden om tot een verdere ontwikkeling te komen. Om deze boodschap kracht bij te zetten zal de kinderrechter aan [minderjarige] een brief schrijven met haar beslissing. In deze brief, die aan het adres van de moeder wordt gestuurd, leest [minderjarige] het volgende.
Beste [minderjarige] ,
Op 6 mei 2026 hebben wij elkaar gesproken op de rechtbank. Ik heb jou toen gevraagd naar jouw mening over de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ook hebben we besproken hoe het met jou gaat. Je hebt mij duidelijk gezegd en geschreven dat jij geen contact meer met je vader wilt.
Hoewel jij hebt aangegeven mijn beslissing van je moeder te willen horen, heb ik toch besloten om je ook een brief te schrijven. In deze brief lees je wat ik heb beslist en wat er in de komende tijd gaat gebeuren.
Ik heb besloten om de ondertoezichtstelling te verlengen. Dit betekent dat jouw jeugdbeschermers [persoon 1] en [persoon 2] bij jou betrokken blijven.
Jij hebt mij duidelijk aangegeven dat jij geen contact meer wilt met je vader. Ik en jouw jeugdbeschermers zullen hiernaar luisteren. Wij gunnen jou de rust en duidelijkheid waar jij om vraagt. Dit betekent dat er geen hulpverlening meer wordt ingezet op het herstellen van contact tussen jou en je vader. Je vader heeft tijdens de zitting gezegd dat hij dit zal accepteren en dat hij een stapje terug zal doen. Je vader heeft verteld dat hij aan jou een brief heeft geschreven waarin hij dit verder uitlegt. Deze brief wordt op een later moment nog met jou besproken. Jouw jeugdbeschermers en je moeder bepalen samen wanneer dit gaat gebeuren.
Verder vind ik het belangrijk dat er in de komende periode goed wordt bekeken naar wat jij nodig hebt. Het is namelijk belangrijk dat jij goed in je vel zit en jij gebeurtenissen uit het verleden een plekje kunt geven. Jouw jeugdbeschermers zullen dit verder oppakken.
Ik hoop dat deze brief je duidelijk maakt wat er in de komende periode gaat gebeuren: de ondertoezichtstelling wordt verlengd, zonder dat er wordt gewerkt aan het herstellen van contact tussen jou en je vader. Als andere hulpverlening voor je nodig is, wordt dit door jouw jeugdbeschermers geregeld.
Als je vragen hebt over deze brief, kun je bij jouw jeugdbeschermers terecht.
Ik wens jou het beste voor de toekomst.
Maandag, kinderrechter.
6.8.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 15 mei 2026 tot 15 mei 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 19 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.