ECLI:NL:RBZWB:2026:5181

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446866 / JE RK 26-604
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige voor drie maanden ter doorbreking patroon moeder-kind

De Stichting Jeugdbescherming Brabant verzocht om een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een periode van zes maanden voor een minderjarige met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. De minderjarige vertoont suïcidegedrag, zelfbeschadiging en is meerdere keren weggelopen. De moeder vertoont zorgwekkend en emotioneel instabiel gedrag, wat de situatie verergert. De gesloten plaatsing is bedoeld om het patroon van ontregeling en destructieve coping tussen moeder en kind te doorbreken.

De minderjarige en haar moeder zijn tegen de langdurige gesloten plaatsing en geven aan dat een verblijf bij de vader een beter alternatief is. De gedragswetenschapper adviseert een periode van drie maanden, terwijl de gecertificeerde instelling zes maanden verzoekt. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert eveneens zes maanden toe te wijzen.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke criteria voor gesloten jeugdhulp is voldaan, maar acht een periode van drie maanden passend. In deze periode moet worden onderzocht of plaatsing bij de vader mogelijk is en hoe het contact tussen moeder en minderjarige kan worden gereguleerd. De machtiging wordt verleend van 18 mei 2026 tot uiterlijk 18 augustus 2026. De kinderrechter benadrukt dat gesloten plaatsing een ultimum remedium is en dat een herbeoordeling noodzakelijk is.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp wordt verleend voor drie maanden om het patroon tussen moeder en minderjarige te doorbreken en veiligheid te waarborgen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446866 / JE RK 26-604
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. Z. Yeral te Roosendaal.
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ingekomen bij de griffie op 3 april 2026;
- de instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van 7 april 2026, ingekomen bij de griffie op 8 april 2026;
- het stelbericht van mr. Pool van 10 april 2026.
1.2.
Op 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • [minderjarige] en haar advocaat, die eerst apart met de kinderrechter hebben gesproken;
  • de moeder, bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de vader niet bij de zitting verschenen. [minderjarige] begrijpt de kinderrechter dat de vader niet naar de rechtbank zal komen. De kinderrechter zet de zitting dan ook voort bij zijn afwezigheid.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 2 februari 2026 heeft de kinderrechter het gezag van de moeder geschorst tot 2 mei 2026 en is [minderjarige] onder voorlopige voogdij gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant.
2.2.
Bij beschikking van 2 februari 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 18 februari 2026 en het reguliere verzoek aangehouden tot de mondelinge behandeling van 12 februari 2026. Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 12 februari 2026, welke beschikking is verbeterd op 3 maart 2026, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 18 mei 2026.
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds 6 februari 2026 bij [accommodatie] in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. In de voorgeschiedenis van [minderjarige] is sprake van een langdurig patroon van onveiligheid, emotionele belasting, parentificatie en wisselende crises binnen het gezin. [minderjarige] heeft te maken met een loyaliteitsconflict, waarbij zij zich verantwoordelijk voelt voor de moeder. [minderjarige] heeft moeite om haar eigen emoties, behoeften en grenzen te herkennen en te bewaken. Bij [minderjarige] is sprake van suïcidegedrag. Meerdere keren heeft zij een overdosis medicatie genomen. Ook doet [minderjarige] suïcide-uitspraken en krast zij zichzelf, dit om de controle te behouden. Recent heeft [minderjarige] een batterij ingeslikt. In de afgelopen periode is [minderjarige] weggelopen.
4.2.
Gezien wordt dat [minderjarige] telkens opnieuw verstrikt raakt in een cirkel van ontregeling, spanning en destructieve coping. Dit patroon moet worden doorbroken, omdat de problemen anders structureel aanwezig blijven. Het is daarbij nodig om [minderjarige] en de moeder uit elkaar te houden en een werkzame relatie met [minderjarige] op te bouwen. Gehoopt wordt dat [minderjarige] dan leert om eigen keuzes te maken en zich klaar te stomen om zelfstandig te gaan wonen.
4.3.
De moeder vertoont al langere tijd zorgwekkend, impulsief en emotioneel instabiel gedrag. De communicatie tussen de moeder en de hulpverlening en tussen de moeder en [minderjarige] verloopt grillig. Zo stuurt de moeder e-mails met ongefundeerde beschuldigingen en meldingen van kindermishandeling. Deze negatieve berichten worden door [minderjarige] overgenomen en hebben direct een weerslag op haar. [accommodatie] heeft momenteel de controle over de contacten tussen de moeder en [minderjarige] .
4.4.
De GI handhaaft het verzoek, ondanks dat de gedragswetenschapper aangeeft in te kunnen stemmen met een periode van drie maanden. De verzochte periode van zes maanden is noodzakelijk om het gestelde doel, te weten het doorbreken van patronen, te bereiken. Ook is deze duur nodig voor de therapie van [minderjarige] . De risico’s van ontregeling van [minderjarige] zijn nog steeds aanwezig. De afgelopen weken is uit observaties, rapportages en incidenten duidelijk geworden dat [minderjarige] op dit moment niet veilig kan verblijven op een open groep. Een begrensde en veilige omgeving met structurele begeleiding is nodig. Een verblijf bij de vader acht de GI niet mogelijk. Een verlenging van de gesloten plaatsing is dan ook noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en haar ontwikkeling te kunnen waarborgen. In de tussentijd kan [minderjarige] naar school blijven gaan. Gezien wordt dat zij hiervoor gemotiveerd is. Als [minderjarige] laat zien dat zij zich aan afspraken kan houden, zal bekeken worden of haar vrijheden kunnen worden aangepast. De GI merkt tenslotte nog op dat geprobeerd is om te kijken naar de problemen rondom het paard van [minderjarige] . Gebleken is dat de GI hierin niets kan betekenen. Dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de ouders. Vlakbij [accommodatie] is er een manege waar [minderjarige] kan paardrijden.

5.Het standpunt van de belanghebbenden en het advies van de Raad

5.1.
[minderjarige] heeft de kinderrechter, samengevat, verteld dat zij het niet eens is met het verzoek. Volgens [minderjarige] kan zij bij haar vader gaan wonen. [minderjarige] en de vader hebben hierover al afspraken gemaakt. In de visie van [minderjarige] past zij niet bij [accommodatie] en de kinderen die daar zitten. Ook vindt [minderjarige] het bij [accommodatie] onveilig, bijvoorbeeld vanwege drugsgebruik door andere kinderen. [minderjarige] erkent weg te zijn gelopen. Dit deed zij uit veiligheidsoverwegingen. Volgens [minderjarige] zal een langer verblijf bij [accommodatie] haar meer slecht dan goed doen. Bovendien wordt [minderjarige] volgend jaar 18 en kan zij dan eigen keuzes gaan maken, krijgt zij geen behandeling en kan zij ook therapie volgen vanuit de thuissituatie van de vader.
5.2.
Door en namens de moeder wordt, samengevat, het volgende aangevoerd. De moeder verzoekt primair om afwijzing van het verzoek. De reden van de gesloten plaatsing heeft te maken met de dynamiek tussen [minderjarige] en de moeder. Het doel van de gesloten plaatsing is om [minderjarige] en de moeder uit elkaar te houden. Een gesloten plaatsing is daarvoor niet bedoeld. Bovendien kan [minderjarige] , volgens haar, bij de vader terecht. De moeder heeft geen reden om daaraan te twijfelen. Een verblijf bij de vader zal zij ondersteunen. Daarbij komt ook dat [minderjarige] op dit moment geen hulpverlening wordt geboden en zij met jongeren op de groep zit met zwaardere problemen en drugsproblematiek. In de visie van de moeder zal een gesloten plaatsing schadelijker zijn voor [minderjarige] dan wanneer zij bij de vader zal verblijven en zij vanuit zijn thuissituatie hulpverlening kan ontvangen. [minderjarige] kan vanuit die ambulante setting verder stabiliseren. Zij is voor hulpverlening gemotiveerd. De moeder is dan bereid om een stapje terug te doen en zich te houden aan afspraken rondom het contact met [minderjarige] . De GI wordt in overweging meegegeven dat ook om een voorwaardelijke machtiging kan worden verzocht.
Wanneer de kinderrechter een gesloten plaatsing toch noodzakelijk acht, verzoekt de moeder subsidiair om de duur daarvan te bekorten tot drie maanden, in overeenstemming met de visie van de gedragswetenschapper. Binnen die termijn moet er een duidelijk werkplan worden opgesteld, omdat dit nu ontbreekt.
5.3.
De advocaat van [minderjarige] voert, samengevat, het volgende aan. De raadsvrouw van de moeder heeft heldere en uitvoerige standpunten ingenomen. Hierbij wordt aansluiting gezocht. [minderjarige] voelt zich niet veilig bij [accommodatie] . Dit is de reden geweest waarom zij is weggelopen. Het is onvoorstelbaar dat er bij [accommodatie] sprake is van drugsgebruik onder jongeren. De GI en [accommodatie] moeten daarin harder optreden. Veiligheid is van een eerste orde. Verder staat de ontwikkeling van [minderjarige] stil. Vanwege haar gesloten plaatsing is zij afgewezen bij Curio en kan zij niet werken, terwijl zij hier juist gemotiveerd voor is. Uit de rapportage van de gedragswetenschapper volgt dat hij er ook sceptisch in staat. Dat zijn advies van een periode geslotenheid van drie maanden door de GI niet wordt gevolgd is verwonderlijk. Ten aanzien van het paard van [minderjarige] geldt dat de GI zich niet aan de uitspraak van de kinderrechter heeft gehouden. De GI moet hier opnieuw aandacht voor hebben.
5.4.
De Raad adviseert de kinderrechter, samengevat, als volgt. De Raad volgt het verzoek van de GI. Gebleken is dat een gesloten plaatsing voor zes maanden nodig is. Het is meer helpend en realistischer om de machtiging voor zes maanden toe te wijzen, dan voor de beperkte periode van drie maanden.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
b. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
c. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. De kinderrechter betrekt daarin de recente incidenten waarbij [minderjarige] is weggelopen, zij suïcide- en zelfbeschadigend gedrag vertoont, en de vooruitgang van [minderjarige] nog in ontwikkeling is. Gebleken is dat de verstrengelde relatie tussen de moeder en [minderjarige] en het patroon van ontregeling, spanning en destructieve coping onvoldoende zijn doorbroken. Hoewel [minderjarige] in de eerste weken van haar geslotenheid heeft laten zien zich aan afspraken te kunnen houden, is al snel gebleken dat [minderjarige] beïnvloedbaar blijft door het contact met de moeder. Dat de moeder hierin haar verantwoordelijkheid niet neemt en [minderjarige] blijft belasten met haar visie over de hulpverlening en de gesloten plaatsing, is hierin niet helpend. Gezien wordt namelijk dat de communicatie van de moeder direct zijn weerslag heeft op [minderjarige] en zij het vertrouwen in [accommodatie] c.q. hulpverlening verliest. Negatieve berichten van de moeder worden door [minderjarige] overgenomen. [minderjarige] probeert vervolgens de controle weer over te nemen door weg te lopen of zichzelf te beschadigen.
6.3.
De kinderrechter ziet, ondanks het voornoemde, dat sprake is van een prille ontwikkeling. Binnen de gesloten plaatsing wordt gewerkt aan stabilisatie, het vergroten van de emotieregulatie en de motivatie om een behandeling aan te gaan. Echter wordt ook gezien dat [minderjarige] zich ambivalent opstelt richting hulpverlening en zij de situatie onvoldoende erkent. Wanneer zij niet gesloten is geplaatst heeft de kinderrechter er geen vertrouwen in dat [minderjarige] behandeling zal volgen.
6.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderrechter een langer gesloten verblijf bij [accommodatie] noodzakelijk acht. Aan alle wettelijke criteria daarvoor wordt voldaan. In de komende periode moet blijken of bestaande patronen tussen [minderjarige] en de moeder doorbroken kunnen worden en dient te worden bekeken in hoeverre er bij [minderjarige] een effect te zien is van de geboden behandeling. Hoewel de kinderrechter benadrukt dat een gesloten plaatsing een ingrijpende maatregel is en als ultimum remedium dient te gelden, ziet zij op dit moment geen andere mogelijkheden. Immers, een overplaatsing naar een open groep, danwel een verblijf bij de vader, wordt door de GI, de Raad en de gedragswetenschapper niet mogelijk geacht. Gebleken is dat [minderjarige] zich zonder gesloten kader onvoldoende kan beschermen en zij gebaat is bij een veilige en begrensde omgeving met structurele begeleiding. In de open setting of bij de vader thuis kan de veiligheid van [minderjarige] niet worden gewaarborgd en blijft de kans groot dat [minderjarige] niet in staat is om eigen keuzes te maken onder druk van loyaliteit naar de moeder. Bovendien kan, door afwezigheid van de vader ter zitting en onvoldoende zicht op zijn huidige opvoedsituatie, niet worden vastgesteld of een verblijf van [minderjarige] bij haar vader tot de mogelijkheden behoort. Afgaande op hetgeen de GI tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, sluit de kinderrechter een verblijf van [minderjarige] bij haar vader voor nu uit.
Duur van de machtiging
6.5.
Ten aanzien van de duur van de machtiging zal de kinderrechter aansluiten bij het advies van de gedragswetenschapper; een korte termijn maakt het mogelijk om een vinger aan de pols te houden en te bezien of de behandeling van [minderjarige] effect heeft. Bovendien geldt dat een termijn van zes maanden niet passend is, enerzijds omdat het uitgangspunt moet zijn dat gesloten jeugdhulp zo kort als mogelijk dient te worden ingezet én de behandelingsontwikkeling nog onvoldoende is uitgekristalliseerd. Een herbeoordeling op korte termijn is, indien nodig, dan ook wenselijk. Dit betekent dat de machtiging zal worden toegewezen voor de duur van drie maanden, onder afwijzing van hetgeen meer is verzocht.
6.6.
In genoemde periode van drie maanden verwacht de kinderrechter van de GI actie op onderstaande punten:
a. onderzoek naar een plaatsing van [minderjarige] bij de vader. In hoeverre is dit mogelijk en wat is daarvoor nodig?
b. wat is er mogelijk en nodig in het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Kunnen er met de moeder afspraken worden gemaakt over het contact met [minderjarige] als een plaatsing bij de vader mogelijk is? Zo ja, hoe zien deze afspraken er uit?
6.7.
Indien en voor zover een langere gesloten plaatsing noodzakelijk is, verwacht de kinderrechter in een nieuw verzoek daartoe een verslaglegging over de in rechtsoverweging 6.6 genoemde punten. Wat is gelukt en wat niet? En waarom niet?
6.8.
Tot slot merk de kinderrechter op dat zij niets kan bepalen over het paard van [minderjarige] . Zij kan in deze beschikking alleen opnemen dat hiervoor aandacht moet zijn. De kinderrechter spreekt hiervoor ook de ouders aan, nu dit onderwerp (ook) valt onder de (financiële) verantwoordelijkheid van de ouders en daarvoor een goede samenwerking tussen hen nodig is.
6.9.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] met ingang van
18 mei 2026 tot uiterlijk 18 augustus 2026;
7.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.