ECLI:NL:RBZWB:2026:5182

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446780 / JE RK 26-587
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JeugdwetArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige wegens ongeschiktheid en positieve ontwikkeling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlengen tot 29 juli 2026. De minderjarige verblijft reeds op grond van een machtiging in een gesloten behandelgroep, maar de geldigheidsduur loopt bijna af. De GI heeft geprobeerd een voorwaardelijke machtiging te realiseren, maar dit bleek niet uitvoerbaar. De minderjarige geeft aan niet langer gesloten te willen verblijven en wil naar haar vader terugkeren, waar zij eerder al tijdelijk verbleef.

Tijdens de zitting waren vertegenwoordigers van de GI, de minderjarige met advocaat, de vader met advocaat, een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming en een 1-op-1 begeleidster aanwezig. De moeder was niet aanwezig maar correct opgeroepen. De GI stelt dat er geen passend zorgaanbod is en dat een verblijf bij de vader onveilig is, terwijl de 1-op-1 begeleidster en de minderjarige positieve ontwikkelingen rapporteren en een verblijf bij de vader mogelijk achten met intensievere begeleiding.

De kinderrechter overweegt dat de gesloten plaatsing een te zwaar middel is geworden en niet langer in het belang van de minderjarige. De positieve stappen die de minderjarige heeft gezet onder 1-op-1 begeleiding en dagbesteding maken een gesloten verblijf contra-productief. De GI wordt erop gewezen dat het niet slagen van het vinden van een vervolgplek niet mag leiden tot voortzetting van de meest ingrijpende maatregel. De machtiging wordt daarom afgewezen. De minderjarige zal (tijdelijk) bij haar vader verblijven, waarbij de ondertoezichtstelling voortgezet kan worden met monitoring via de begeleiding en hulpverlening.

De kinderrechter benadrukt dat het perspectief niet bij de vader ligt en dat de GI alles moet doen om een geschikte vervolgplek te vinden. Van de minderjarige, vader en GI wordt verwacht dat zij blijven meewerken aan de ondertoezichtstelling en hulpverlening. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp wordt afgewezen omdat de gesloten plaatsing niet langer passend is en de minderjarige tijdelijk bij haar vader kan verblijven met voortzetting van begeleiding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446780 / JE RK 26-587
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet uit Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.P.C.C. Langenberg uit Breda.
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 28 april 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • de update brief van de GI van 11 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Verder was aanwezig een 1-op-1 begeleidster van [persoon 1] van [hulpverlening 1] . Nu geen van de aanwezigen daartegen bezwaar had, is haar bijzondere toegang verleend.
1.4.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij voormelde beschikking van 28 april 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 29 april 2026 tot 29 april 2027.
2.3.
[minderjarige] verblijft op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp op een gesloten behandelgroep van [accommodatie] in [plaats] . De geldigheidsduur van de huidige machtiging loopt tot 20 mei 2026. Het resterende verzoek van de GI is aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is het (resterende) verzoek van de GI om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 29 juli 2026.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] geeft aan dat zij zich de afgelopen periode aan de afspraken heeft gehouden. Zij wil niet langer meer gesloten geplaatst zijn. Er is blijkbaar geen enkele open groep die haar accepteert, dus als zij niet langer meer gesloten hoeft te verblijven, gaat zij naar haar vader. Zij heeft daar al eerder gezeten wegens een time-out en dat ging toen ook prima. Op dit moment heeft [minderjarige] 1-op-1 begeleiding, gaat zij naar [hulpverlening 2] en heeft zij gesolliciteerd bij [restaurant] . [minderjarige] heeft van de GI vragenlijsten gehad van de SDW om haar IQ te bepalen. Dat soort vragenlijsten moet [minderjarige] al heel haar leven invullen en dat wil zij niet meer.
4.2.
De vertegenwoordigers van de GI geven aan dat het niet is gelukt om een verzoek voor een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te realiseren. De kinderrechter heeft daar in de vorige beschikking weliswaar de opdracht voor gegeven, maar dat blijkt nu niet uitvoerbaar. Een voorwaardelijke machtiging is geen optie omdat [accommodatie] deze niet passend vindt en ook inhoudelijk niet zou kunnen steunen. Ook een plaatsing op een open groep wordt door [accommodatie] niet passend geacht. Er is ook gekeken naar plaatsing in het buitenland ( [locatie] ), plaatsing bij [zorginstelling] en of een WLZ-indicatie deuren zou openen naar een geschikte vervolgplek. Inzichtelijk is geworden dat er geen passend zorgaanbod voor [minderjarige] is. Deels om financiële redenen en deels omdat [minderjarige] een specifieke begeleiding nodig heeft. Het resterende verzoek wordt daarom gehandhaafd. Verder is duidelijk geworden dat nu [minderjarige] haar zinnen heeft gezet op naar vader gaan, alle andere plaatsen nog meer onder druk komen te staan. De GI heeft helaas moeten constateren dat de machtiging maar ook de ondertoezichtstelling onuitvoerbaar zijn geworden. De GI is dan ook van mening dat er voor nu geen andere alternatieven zijn dan plaatsing bij vader. De vertegenwoordigers van de GI benadrukken dat zij van mening zijn dat een verblijf van [minderjarige] bij de vader onveilig is. Op het moment dat [minderjarige] bij de vader verblijft, is een ondertoezichtstelling wat de GI betreft niet langer meer uitvoerbaar. In de update brief geeft de GI aan dat de ondertoezichtstelling moet worden beëindigd wanneer [minderjarige] thuis wordt geplaatst bij vader.
4.3.
De 1-op-1 begeleidster geeft ter zitting aan dat het de afgelopen periode goed gaat met [minderjarige] . Zij gaat sinds kort voor dagbesteding naar [hulpverlening 2] en daar moet zij nog wennen. De begeleiders van [hulpverlening 2] geven aan dat [minderjarige] stuurbaar is. De gesloten plaatsing van [minderjarige] werkt averechts. De 1-op-1 begeleiding werkt beter dan een plaatsing op een gesloten groep. Als [minderjarige] bij haar vader verblijft, kan er wellicht intensievere 1-op-1 begeleiding worden gerealiseerd.
4.4.
De vader en zijn advocaat zijn het niet eens met het resterende verzoek van de GI. De vader vindt het goed als [minderjarige] bij hem gaat verblijven. Het is belangrijk dat er dan nog wel sprake is van hulp en ondersteuning. De 1-op-1 begeleiding, dagbesteding bij [hulpverlening 2] en een bijbaantje voor [minderjarige] moeten worden gecontinueerd/gerealiseerd.
4.5.
De vertegenwoordiger van de Raad ziet dat er sprake is van een groot dilemma. Enerzijds wordt er duidelijk aangegeven dat een gesloten plaatsing niet meer aan de orde is. Aan de andere kant is het maar de vraag of een plaatsing van [minderjarige] bij de vader veilig genoeg is. Er is op dit moment geen ander alternatief beschikbaar.
4.6.
De advocaat van [minderjarige] vindt dat het resterende verzoek van de GI moet worden afgewezen. Vanuit [accommodatie] wordt er heel duidelijk aangegeven dat een gesloten plaatsing niet (meer) aan de orde is. Een machtiging gesloten jeugdhulp is de meest ingrijpende maatregel die er is en kan niet worden ingezet ter overbrugging van een overplaatsing, waarbij het nog niet eens bekend is waar of wanneer dat gaat plaatsvinden.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 6.1.2 van de Jeugdwet staat dat de kinderrechter op verzoek een machtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen
en te doen verblijven. Een machtiging kan alleen worden verleend indien als naar het oordeel van de kinderrechter:
a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die
de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
b. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de
jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
c. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen
te behandelen.
5.2.
In voormelde beschikking van 28 april 2026 is overwogen dat de kinderrechter op de zitting heeft afgesproken dat de GI een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [minderjarige] zal indienen. De GI geeft nu aan dat een voorwaardelijk machtiging gesloten jeugdhulp niet uitvoerbaar is en heeft daarom geen verzoek om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp ingediend. De kinderrechter ziet zich daarom enkel gesteld voor de vraag of geslotenheid nog altijd in het belang van [minderjarige] is. De kinderrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Het resterende verzoek van de GI wordt daarom afgewezen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.3.
Uit de stukken in het dossier, waaronder de brief van de gedragswetenschapper van [accommodatie] van 24 april 2026, en het verhandelde ter zitting, waaronder hetgeen door de 1-op-1 begeleidster van [minderjarige] , mevrouw [persoon 2] , naar voren is gebracht, blijkt dat [minderjarige] geen positieve stappen meer kan zetten binnen de geslotenheid. Een langer verblijf in een gesloten setting zal zelfs contra-productief werken. Dit maakt dat een machtiging gesloten plaatsing, feitelijk een civiele detentie, een te zwaar middel is. [minderjarige] heeft de afgelopen periode, onder begeleiding van de vaste 1-op-1 begeleidster, grote positieve stappen gezet. Zo heeft zij al weken voldaan aan de door de kinderrechter aan haar gestelde voorwaarden: werken (Action), dagbesteding ( [hulpverlening 2] ), 1-op-1 begeleiding. Het is de verantwoordelijkheid van de GI om te zorgen voor een vervolgplek. Het gegeven dat het de GI niet is gelukt om een vervolgplek te realiseren, om welke reden dan ook, mag echter niet tot gevolg hebben dat de meest ingrijpende civiele maatregel dan maar moet voortduren. De kinderrechter wijst de GI erop dat in deze zaak niet wordt bepaald dat [minderjarige] terug moet naar haar vader. Het oordeel is enkel dat niet langer meer voldaan wordt aan de gronden voor een machtiging voor gesloten jeugdhulp. Het gevolg is dat [minderjarige] geen andere mogelijkheid heeft dan (tijdelijk) bij haar vader te verblijven.
5.3.
De kinderrechter heeft alle betrokkenen voorgehouden dat er voorwaarden zouden kunnen (moeten) worden gesteld aan een tijdelijk verblijf bij vader maar daaraan is geen gehoor gegeven. Het is nu aan [minderjarige] , de vader en de GI om te zorgen dat [minderjarige] de positieve stappen die zij heeft gezet, samen met haar 1-op-1 begeleiding, voort kan en zal zetten buiten de geslotenheid. De GI stelt dat een ondertoezichtstelling “niet meer kan” wanneer [minderjarige] bij de vader woont, vanwege de forse veiligheidsrisico’s. De kinderrechter is echter van oordeel dat een ondertoezichtstelling weldegelijk uitvoerbaar is. De GI kan immers monitoren door zorg te dragen voor continuering van de 1-op-1 begeleiding en door vervolgens in contact te blijven met die begeleiding, net als met het aanspreekpunt bij [hulpverlening 2] en het baantje van [minderjarige] . Zolang de ondertoezichtstelling niet is beëindigd, is het ook de wettelijke taak van de GI om de ondertoezichtstelling te blijven uitvoeren.
5.4.
Verder wijst de kinderrechter naar haar eerdere beslissing waarin is overwogen dat het perspectief niet bij haar vader is. Dit betekent dus dat de GI alles op alles moet (blijven) zetten om een geschikte vervolgplek voor [minderjarige] te vinden. Van [minderjarige] (en van vader) wordt dan ook verwacht dat zij mee blijven werken aan de ondertoezichtstelling en dus ook aan de op dit moment ingezette hulpverlening.
5.5.
Gelet op het voorgaande zal als volgt worden beslist.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het resterende verzoek van de GI af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Weterings als griffier, en op schrift gesteld op 22 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.